Zilver uit de beginjaren van het Koninkrijk

Soms zeggen mensen wel eens tegen me, zilver is toch een eenvoudig materiaal? Er zijn per slot van rekening merken, die je meestal precies vertellen wanneer, waar, en met enig geluk ook door wie een object is gemaakt. Neem nu de bestekken, die in een eerdere bijdrage aan de orde zijn geweest: dankzij de merken is direct duidelijk dat de grote lepels en vork in de jaren 1815-1830 in Den Haag en Brussel door vooraanstaande ateliers zijn gemaakt.

Lepel Dutalislepels en vorken

Als mijn belangrijkste taak zie ik het om voorwerpen betekenis te geven; alleen op basis daarvan kun je in een museum – of daarbuiten – een verhaal vertellen, en beslissingen nemen over de rol die een voorwerp in een opstelling speelt. Moet het nu worden getoond, moet het worden bewaard voor toekomstig gebruik, of kan het weg? Die vragen kun je alleen verantwoord beantwoorden als je weet in welke context een voorwerp het beste tot zijn recht komt.

Maar hoe doe je dat dan? Ik maak gebruik van het gewone kunsthistorische gereedschap, dat mijn docenten mij hebben aangereikt. Ik begin met vragen te stellen, het liefst zoveel mogelijk. Daarna volgt een proces van ordening. Pas als dat compleet is, kan ik besluiten welke vraag ik wil en kan beantwoorden.

Direct met het voorwerp verbonden zijn vorm, functie en inhoud. Van iedere lepel kun je eten (functie), iedere lepel heeft een vorm (alle typen en uitvoeringen zijn mogelijk), en samen bepalen zij wat er wordt verteld (inhoud). Afhankelijk van het moment waarop en het doel waarvoor een lepel is gemaakt, worden verschillende vormen en versieringen ingezet. In dit geval is het antwoord simpel: maat en vorm vertellen mij dat het om bestek voor het hoofdgerecht gaat.

Met ieder van deze thema’s zijn personen verbonden, in drie verschillende rollen; de maker geeft het object vorm, de opdrachtgever bepaalt wat hij wil hebben, en dus hoe het voorwerp er uit moet zien, en de inspanningen van beiden zijn gericht op de gebruiker. Als de gebruiker iemand is met onderscheidingsvermogen, weet hij het object te plaatsen, en weet hij dus wat de bedoeling van maker en opdrachtgever zijn geweest. In het geval van de bestekken is er gekozen voor eenvoudig model; waarom is dan de vraag.

Zowel het object zelf, als de personen die ermee verbonden zijn, krijgen betekenis tegen de achtergrond van de overkoepelende eenheden: tijd, plaats en ruimte. Samen geven zij het toneel van handeling aan: in dit geval de periode tussen 1815 en 1830 (tijd), in het Koninkrijk der Nederlanden (plaats). Omdat niet duidelijk is voor wie deze bestekken zijn gemaakt, en waar ze zijn gebruikt, is niets specifieks te zeggen over de exacte plaats van handeling (ruimte). Omdat er wel veel meer over de makers bekend is, gebruik ik hen als vertrekpunt.

Zilver uit de beginjaren van het Koninkrijk
Wat het eenvoudige bestek uit de familie voor een zilverliefhebber zo spannend maakt, is dat de meestertekens op de verschillende onderdelen laten zien dat ze zijn gemaakt door zilversmeden die tussen 1815 en 1830, toen het Koninkrijk der Nederlanden ook het huidige België omvatte, tot de interessantste behoorden. De Haagse makers, de firma’s Johannes Simons en Hendrik Adriaen De Meijer, leverden onder Koning Willem I aanzienlijke hoeveelheden zilveren tafelserviezen en bestekken aan het Koninklijk Huis, en ook bij de Brusselse maker, Joseph Germain Dutalis, bestelde het hof zilver in grote hoeveelheden.

De bestekken helpen me om iets te begrijpen van de onderlinge concurrentiekracht, van de verschillen tussen Amsterdam en Den Haag in het Noorden, en Brussel in het Zuiden. Uit een briefwisseling, gevonden door oud conservator A.M.L.E. Erkelens van Museum Paleis Het Loo, komt een uitvoerige discussie naar voren, die het hof voerde met de belangrijkste leveranciers. Zoals gewoonlijk gaat het niet alleen om modellen en aantallen, maar vooral ook over de prijs…

Amsterdammers blijken het beste werk te leveren, maar ook het duurste te zijn. Haagse makers zijn dan wel goedkoper dan de Amsterdammers, maar kunnen op prijs nog steeds niet concurreren met de Brusselse makers. Om toch opdrachten binnen te slepen, bezuinigen de Haagse meesters op de hoeveelheid zilver per object. Dat is ook te zien aan de lepels uit de familie: waar de Brusselse lepel 70 gram weegt, is de Haagse met krap 50 gram bijna een derde lichter, en dus ook een derde goedkoper.

De keuze voor Brussel is niet alleen een kwestie van geld. Het is opmerkelijk dat zodra Willem in de jaren 1815-1830 voorwerpen wil bestellen met een echt internationale uitstraling, deze worden besteld bij Dutalis in Brussel. De belangrijkste opdracht die Willem bij hem plaatste, was de vervaardiging van een modern sculpturaal toiletstel, dat als huwelijksgift aan zijn dochter Marianne werd meegegeven. Het stel behoorde tot het belangrijkste zilver dat in deze periode in de Nederlanden werd vervaardigd, niet alleen omdat het één van de eerste voorwerpen is die onverkort de mode van het luxueuze vroeg 19de-eeuwse Franse zilver volgt, maar ook omdat op instigatie van Willem de vervaardiging van de modellen voor de figuren aan een Nederlandse beeldhouwer, Louis Royer, werd opgedragen. Het belangrijkste onderdeel van het ensemble, de toiletspiegel, bevindt zich sinds enkele jaren in het Rijksmuseum.

Toiletspiegel

De mate waarin de Haagse zilversmeden van dat moment schatplichtig waren aan de in Brussel ontwikkelde modellen, is ook – maar dan op een heel ander niveau – te zien aan de lepels. Het model met een geprononceerde puntbak, een lang gerekte steel en een gepunt ovaal uiteinde is niet zo eenvoudig te plaatsen. Naast het Brusselse exemplaar uit de familie uit ca. 1815, ken ik drie nauw verwante sets, een set van twaalf met het monogram van Prins Frederik der Nederlanden, gemaakt tussen 1816 en 1830, een paar couverts uit 1830-1832 met het monogram van de Belgische Koning Leopold I, en een couvert uit 1815-1832, allen gemaakt door Dutalis. Dat er maar zo weinig zijn, geeft aan dat het om een modieus model moet zijn gegaan, dat kennelijk maar gedurende een korte periode is gemaakt. De Haagse versie uit de familie Luijt laat zien dat men in die stad de Brusselse mode kennelijk op de voet volgde.

De vraag die ik – bij gebrek aan gegevens – nog niet kan beantwoorden, is waarom men zowel aan het hof te Brussel als in Den Haag van zulke sober vormgegeven bestekken at. Er was toch immers keus genoeg?

Advertenties

One thought on “Zilver uit de beginjaren van het Koninkrijk

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s