Een Zeeuwse getuigenis van de Reformatie in zilver

Wat kan op tegen de ooggetuige? Op 28 september 1572 werd genoteerd dat in de Grote Kerk in Vlissingen voor het eerst een openbare protestante dienst plaats kon vinden. Het verslag beperkt zich vrijwel tot de namen van de voorgangers en de bijbelteksten waarover zij preekten. Uitvoeriger wordt gememoreerd dat in de middag een echte verzetsheld voorging, ene Mattheus. Hij was prediker van een clandestiene Gentse gemeenschap, en net uit de gevangenis van de Inquisitie ontsnapt. Voor hem en de Zeeuwse gemeenschap moet het een onvergetelijke ervaring zijn geweest om voor het eerst in alle openbaarheid een dienst te kunnen vieren.

Drinkschaal, Antwerpen, 1565-1566, meesterteken een kannetje

Drinkschaal, Antwerpen, 1565-1566, meesterteken een kannetje

In het Rijksmuseum bevindt zich een 16de-eeuwse Antwerpse drinkschaal, waarop in 1571 een intrigerende tekst is aangebracht. Het begint met een bijbelcitaat, ontleend aan het zevende hoofdstuk van het Evangelie van Johannes, de 37ste regel: ‘Christus * die * spreght * vie * daer * dorst * die * coeme * tot * mi’. Het vervolg – ‘ende * drincke * van * dat * vater * dat * Christus * u * geft * die * en * sal * inder * evicheit * niet * mer * dorsten’- is een hertaling van een vers uit het vierde hoofdstuk uit hetzelfde Evangelie ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft’. De laatste woord op de rand, Joan 7, verwijst naar het zevende hoofdstuk van Johannes in zijn geheel.

Omdat bijbelteksten in de protestante traditie worden gebruikt om een standpunt duidelijk te maken, kun je door de teksten te bestuderen achterhalen wat men precies bedoelde. In Johannes 7 wordt verteld wat zich tijdens het Loofhuttenfeest in Jeruzalem afspeelde. Tegen zijn familie zegt Christus dat het geen goed idee is om naar Jeruzalem af te reizen, omdat hij daar gevaar zal lopen. Nadat hij hen vooruit heeft gestuurd, gaat hij toch, incognito, en halverwege het feest vertelt hij wat hij brengt, en waar hij voor staat. Waar hij bang voor is, gebeurt niet. Zonder kleerscheuren keert hij weer naar huis terug.
Het is volledig begrijpelijk dat deze tekst voor een protestante gemeenschap in 1571 een bijzondere betekenis had. Voordat in april 1572 Brielle en Vlissingen als eerste steden in de handen van Oranje vielen, werden protestanten door de rooms-katholieke overheid in de Nederlanden te vuur en te zwaard vervolgd. Johannes 7 biedt een leidraad voor een christen in die omstandigheden: ga net als Christus anoniem het gevaar tegemoet, maar spreek je wel uit! De uitgeschreven tekst met de verwijzingen naar Christus als levende bron zou in de loop van de 16de eeuw één van de klassiekers worden in protestante kerkinterieurs. Geschilderd op grote borden onderstreepten deze de eigen opvatting van het avondmaal. Dat was nodig, omdat het voor de hervormde kerken één van de belangrijkste verschillen met Rome was. Anders dan in de rooms-katholieke traditie is Christus niet lijfelijk aanwezig in de bij het avondmaal rondgedeelde wijn en brood, maar in de geest.

kelk, gebruikt bij het eerste avondmaal in Vlissingen, Zeelandia Illustrata, ca. 1770

kelk, gebruikt bij het eerste avondmaal in Vlissingen, Zeelandia Illustrata, ca. 1770

Geen wonder dat men in de 18de eeuw, toen men deze drinkschaal voor het eerst beschreef en afbeeldde, beschouwde als een protestante avondmaalskelk. Volgens dat verhaal zou deze schaal in 1571 gebruikt zijn door de eerste protestante gemeenschap in Vlissingen, en in 1572 zijn ingezet bij de eerste openbare eredienst in die stad. Als het waar is, is het één van de belangrijkste herinneringen in zilver aan een periode waarin de rooms-katholieke overheid de protestante gemeenschappen actief vervolgde, niet in het minst omdat het object de gelovigen zelf en het belangrijkste strijdpunt met Rome tastbaar maakt. Voor het verhaal pleit dat in Zeeland al in een heel vroeg stadium van de Reformatie georganiseerde protestante gemeenschappen bestonden, en de link met Vlissingen wordt versterkt doordat de tekst Johannes 7:37 de bijbeltekst is, waarmee dominee Mattheus in 1572 de Jacobskerk als protestante kerk in gebruik nam.

Hoe overtuigend het al in 1758 opgeschreven verslag ook lijkt, toch moeten we rekening houden met een verhaal dat bij het doorvertellen steeds mooier geworden is. Het is net zoals met het bekende spelletje van kinderen in een kring, waarvan de eerste iets in de oren van de volgende fluistert. Twintig kinderen verder blijkt er ineens een heel ander verhaal te zijn ontstaan. Daarom is het zo belangrijk om terug te gaan naar de bron, zodat het voorwerp voor zichzelf kan spreken, los van de betekenissen die de traditie daaraan heeft toegekend. Omdat in dit geval geen echt geschreven bewijs meer bekend is, is het voorwerp zelf onze belangrijkste bron. Los van de regionale context blijft het dan een uitzonderlijk krachtige getuigenis, van protestant leven in een periode van vervolging.

Advertenties

Lichtsculpturen

Zilver concentreert al het beschikbare licht in een ruimte, en geeft dat versterkt aan de kijker terug. Het gevolg is dat een zilveren voorwerp in ieder interieur de aandacht zal trekken, en dus dominant aanwezig is. Zeker als je bedenkt dat een interieur vroeger een heel ander lichtplan had – donkere kleurstellingen, kleinere ramen, en alleen geconcentreerde verlichting met kaarsen – moet het contrast nog groter en het effect nog krachtiger zijn geweest. Voor moderne aan helderverlichte ruimten gewende ogen is moeilijk voorstelbaar wat de impact precies was. Soms lichten geschilderde weergaven een tipje van de sluier op.

Willem Claesz Heda, Stilleven, 1637

Willem Claesz Heda, Stilleven, 1637

Een voorbeeld is de feestelijk gedekte tafel van Willem Claesz Heda uit 1637. Zijn lichtbron weerspiegelt in het groene glas en in de tinnen kan. Door de ramen van zijn atelier lijkt de zon te schijnen, en het licht brengt verschillende materialen tot leven. Glas krijgt kleur, tin (de kan en de schotels) toont zijn diepe donkergrijze tonen, linnen damast zijn zacht glanzende structuur. Zilver – een cilindervormig zoutvat en een grote vergulde schuttersbokaal op de achtergrond en de drinkschaal op de voorgrond – vangt het meeste licht. De schilder suggereert dat door het gebruik van lichtere tinten, en door overal met witte lijnen en vlekjes glimlichten aan te brengen.

Detail stilleven

Voor moderne zilverspecialisten is Heda’s registratie vooral interessant omdat deze duidelijk maakt welke effecten in de 17de eeuw werden nagestreefd. Bij het zoutvat lichten de uitstaande randen aan de bovenzijde veel sterker op dan de gegraveerde versiering daaronder. Door het contrast werkt de gegraveerde versiering ingetogen. Dat zo’n versiering een heel ander lichteffect geeft dan een gedreven patroon, blijkt als deze wordt vergeleken met de drinkschaal op de voorgrond. De bol uitgewerkte puntjes, ovalen en bloemen vangen direct licht, waardoor het patroon veel dominanter aanwezig is.

Het verschil is klein maar belangrijk. Als we door Heda’s ogen kijken, ontdekken we dat de manier waarop licht over zilveren kunstwerken speelt, essentieel is. Zilveren voorwerpen worden dan moderne lichtsculpturen, en al snel kunnen de verschillende manieren worden herkend die de kunstenaar inzet om het lichtspel te richten, te beheersen en te nuanceren. Een gegraveerde versiering blijkt het licht dan onder een andere hoek te weerkaatsen dan het glad gepolijste oppervlak.

specerijendoos, Den Haag, 1616, toegeschreven aan Jan Gerrits Oosterlingh

specerijendoos, Den Haag, 1616, toegeschreven aan Jan Gerrits Oosterlingh

Hoe het in het echt werkt, is nauwelijks in foto’s of schilderijen te vangen. Kom deze in 1616 gemaakte specerijendoos dus vooral in het echt bekijken, en verwonder je over de continue veranderende interactie tussen het materiaal, de bewerking en het licht !

Dit moesten we onze mannen maar eens laten zien. Wolfers’ Le Chant du Cygne, 1901

Als je regelmatig over de zalen loopt, valt op dat de bezoekers bij de vitrines juwelen heel anders reageren dan bij opstellingen met andere kunstvormen. Juwelen spelen nu eenmaal niet alleen in op ons gevoel voor schoonheid en kwaliteit, maar ook en vooral op onze hebberigheid. Het commentaar van twee wat oudere dames sprak vanmorgen boekdelen: onder andere bij een Art Nouveau hanger werd naar de telefoon gegrepen, een foto gemaakt, en verteld dat dit nu eens een mooi cadeau zou zijn (de gelegenheid bedenken we er wel bij).
BK-1977-246
De hanger is voorbeeld van de Brusselse juwelierskunst van omstreeks 1900, waarvan Philippe Wolfers (1856-1929) de belangrijkste vertegenwoordiger was. Net als de belangrijkste Parijse juweliers van dat moment, zoals René Lalique (1860-1945), liet hij zich inspireren door de natuur, en onderstreepte hij de status van zijn scheppingen door aan zijn sieraden titels mee te geven.

‘Le Chant du Cygne’, verwijst naar de klassieke mythe dat zwanen vlak voor hun dood begonnen te zingen, uit vrolijkheid omdat zij zich verheugden op het leven na de dood. Wolfers zwaan slaat zijn vleugels voor de laatste keer uit, en legt zijn kop nog net niet neer. Het raffinement zit hem onder andere in de kleurcombinaties (goud, blauwgrijs email en een helderrode steen), en in de verschillende nuances in doorzichtigheid en glans; van het dofglanzende goud, naar het mat doorschijnende email naar de volledig heldere robijn.

Op tentoonstellingen liet Wolfers unieke en uiterst kostbare kunstwerken zien, in zijn winkel verkocht hij vereenvoudigde draagbare varianten. De laatste werden in oplage gemaakt, en van Le Chant du Cygne zijn dan ook verschillende voorbeelden bekend. Zo op het eerste gezicht zou je dus zeggen dat de wens van de bezoeksters om zo’n hanger te bezitten, niet helemaal onmogelijk zou moeten zijn. In de praktijk valt het tegen, omdat er maar 15 exemplaren bekend zijn, en omdat ze op veilingen hoge bedragen opleveren. Gelukkig vind je in de winkel van het Rijksmuseum nu een betaalbaar alternatief, een speciaal voor het museum in de Verenigde Staten gemaakte reproductie.