Teatime on Halloween?

Ketel op komfoor, Amsterdam 1752, ongeïdentificeerde meester, Schenking van de Vereniging Rembrandt, dankzij een legaat van mevrouw K. ter Meulen-Proost.

Ketel op komfoor, Amsterdam 1752, ongeïdentificeerde meester, Schenking van de Vereniging Rembrandt, dankzij een legaat van mevrouw K. ter Meulen-Proost.

Eén van de meest kenmerkende verschijnselen van het Nederlandse rococo is de voorliefde voor planten, bloemen en vruchten. Vooral in Den Haag zijn in het derde kwart van de achttiende eeuw voorwerpen ontstaan waarvan het lichaam de vorm van een pompoen of meloen heeft. Deze waterketel, bedoeld om in de nabijheid van de theetafel gloeiend heet water beschikbaar te hebben, zodat het thee-extract in de kopjes kan worden verdund tot een drinkbaar vocht, is er een vroege Amsterdamse uiting van. Heel bijzonder is dat ook in het komfoor de nieuwe mode zichtbaar is; het lijkt wel of dit onderdeel door pompoen of meloenranken wordt overwoekerd.

Buiten de grote centra werd het idee al snel opgepikt, en er bestaan dan ook heel fraai uitgewerkte versies uit vrijwel alle delen van het land. Voorbeelden in het Rijksmuseum zijn ondermeer een theepot en een melkkan, eind jaren jaren 1770 in Nijmegen gemaakt door Willem Schiff. Kun je een beter theeservies bedenken voor vanavond?

Theepot en melkkan, zilver, Nijmegen 1788-1779, toegeschreven aan Willem Schiff.

Theepot en melkkan, zilver, Nijmegen 1788-1779, toegeschreven aan Willem Schiff.

Advertenties

De passie van de Beurs?

Onder het dak van het Rijksmuseum leven verschillende instellingen. Eén daarvan is het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, de oudste nog bestaande nationale vereniging van liefhebbers en verzamelaars van cultureel erfgoed. Al in de negentiende eeuw kreeg het genootschap complete verzamelingen, die juist omdat ze in hun geheel bewaard gebleven zijn, veel kunnen vertellen over de passie van de verzamelaar.

Keuken met 45 zilveren miniaturen, Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, legaat van J.W.H. Heusken 1893, BK-KOG-1917.

Keuken met 45 zilveren miniaturen, Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, legaat van J.W.H. Heusken 1893, BK-KOG-1917.

Eén ervan is een omstreeks 1840 gemaakt eikenhouten vitrinekastje, waarvan de binnenzijde de vorm van een keukentje met aanrecht en stookplaats heeft. De tegeltjes, het natuurstenen aanrecht met de spoelbak, en de zwarte haardplaat worden door de schilder gesuggereerd. Het keukengerei rond de haard, op de planken en in de kasten is uitsluitend van zilver gemaakt. Zij vormen de kern van de verzameling. De merken laten zien dat het om oude en antieke zilveren miniaturen gaat; de wafelijzers, pannen, roosters, kettingen en trommels zijn alle in de zeventiende en achttiende eeuw gemaakt. Jarenlang moet de verzamelaar er over hebben gedaan, voordat zijn weergave van een keuken in miniatuur compleet was.

Pofferpan, Amsterdam 1754, zilver, toegeschreven aan Jan Borduur, l. 8,6 cm, Rijksmuseum, legaat Taudin Chabot-Provó Kluit, BK-NM-11177-25.

Pofferpan, Amsterdam 1754, zilver, toegeschreven aan Jan Borduur, l. 8,6 cm, Rijksmuseum, legaat Taudin Chabot-Provó Kluit, BK-NM-11177-25.

De miniaturen behoren tot de typen die door verschillende generaties zilversmeden zijn vervaardigd en in grote aantallen bewaard gebleven zijn. Zo heeft het Rijksmuseum maar liefst drie nagenoeg identieke exemplaren van de poffer-pan, tussen 1743 en 1768 gemaakt door bekende Amsterdamse zilversmeden als Pieter van Somerwil, Arnoldus van Geffen en Jan Borduur.

De voorwerpen zelf zijn dus over het algemeen niet zo bijzonder; het belang van deze verzameling zit hem vooral in de verhalen die met behulp van de vitrinekast worden verteld. Alleen in deze keuken kun je zien dat ongebruikte pannen gewoonlijk direct naast de haardplaat aan haken hingen. Net als de grote, hadden kleine zilveren poffer- en koekenpannen vroeger geen houten stelen.

Evenveeltjespan, Nederland? ca. 1800, vertind ijzer, l 30 cm, Rijksmuseum BK-18921

Evenveeltjespan, Nederland? ca. 1800, vertind ijzer, l 30 cm, Rijksmuseum BK-18921

Wie met zoveel zorg deze verzameling samenstelde en een presentatie daarvoor bedacht? Johannes Hendrik Willem Heusken (1837-1893) was te jong om al in het begin van de negentiende eeuw zilveren miniaturen te verzamelen. Heeft hij de verzameling misschien van zijn grootvader geërfd? Op verschillende manieren trad Heusken in de voetsporen van Johannes van der Linden (1780-1840); als beurshandelaar traden zij beiden op voor dezelfde firma, en Heusken woonde bij zijn dood nog steeds in het huis van zijn grootvader, Keizersgracht 225. De ongehuwd gebleven Heusken had weinig familie, en kon de traditie daarom niet doorgeven. Vandaar dat het resultaat van hun beider passie nu één van de pronkstukken is van het KOG.

BK-KOG-1917-01

‘Om de eer van Johannes Lutma’

Johannes Lutma junior, zelfportret in opus malleï, 1683

Johannes Lutma junior, zelfportret in opus malleï, 1683

De Amsterdamse zilversmeden Johannes Lutma en zijn gelijknamige zoon behoorden tot de selecte groep van edelsmeden, wier werk in eerste instantie als kunst werd gewaardeerd. Hun roem kende een lang leven: met zijn Utrechtse collega Paulus van Vianen is Johannes Lutma de enige kunstenaar in zilver die door de negentiende-eeuwse bouwheren van het Rijksmuseum belangrijk genoeg werd gevonden om opgenomen te worden in de reeks Nederlandse kunstenaars in verschillende media, wier portretten en namen op de gevels van het Rijksmuseum staan afgebeeld.Lutma achterzijde

De Lutma’s waren al in de zeventiende eeuw beroemde kunstenaars, zoals blijkt uit gedichten van Joost van den Vondel en publicaties van Joachim von Sandrart. Uitzonderlijk is een portretpenning die Johannes Lutma junior in 1659 ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van zijn vader maakte. Het opschrift ‘in memoriam posteritatis’ is een citaat uit een beroemd handboek over de Rhetorica, de leer van de welsprekendheid, en heeft betrekking op het doel van de geschiedschrijving. In gedachten zal de ontvanger van de penning het citaat hebben aangevuld met de woorden ‘et ingenii famam’, waarmee Marcus Fabianus Quintilianus (±30 – ±100) niet alleen de waardigheid van het onderwerp aanduidde, maar ook benadrukte dat de geschiedschrijving het onderwerp bij uitstek was voor een verteller om beroemd te worden. In zijn geheel betekent de zin ‘Tot herinnering van het nageslacht, en tot eer van de verteller’.

Johannes Lutma junior, portret van Johannes Lutma senior, 1659, collectie Teylers Museum Haarlem

Johannes Lutma junior, portret van Johannes Lutma senior, 1659, collectie Teylers Museum Haarlem

Met deze penning eert Lutma junior dus in eerste instantie zijn vader als beroemd kunstenaar, en positioneert hij tegelijkertijd zichzelf als beroemd verteller van verhalen in zilver. Voor wie de penning was bestemd, en dus in welke context we deze moeten zien, blijkt uit enkele zeventiende-eeuwse veilingcatalogi. Lutma’s penning blijkt dan het enige Nederlandse voorbeeld in een internationale serie van beeldend kunstenaars, waartoe Michelangelo, Pietro da Cortona, Bernini en Leonardo da Vinci behoren. Met recht een illuster gezelschap!

Voor 21ste-eeuwers, gewend om het begrip kunst te reserveren voor de beeldende kunsten, is het in eerste instantie vreemd om de edelsmeedkunst als een op zichzelf staande kunstvorm te accepteren. Dat men in de zeventiende eeuw anders keek naar de verhouding tussen de kunsten, kan men lezen in het artikel Historiestukken in zilver: penningen van Johannes Lutma junior, dat deze week in het oudste nog bestaande kunsthistorisch tijdschrift, Oud Holland, verscheen. Lutma’s penningen kun je zien in het Rijksmuseum, in Teylers Museum in Haarlem, en straks natuurlijk ook in de Nationale Numismatische Collectie in Amsterdam

Dierendag in het Rijksmuseum

Overal in het Rijksmuseum kun je dieren terugvinden. Deze salamander is door de zilversmid Wenzel Jamnitzer in 1549 opgenomen in een veel grotere compositie. Trouwe lezers van dit blog zullen ongetwijfeld weten om welk voorwerp het gaat.

Salamander, in zilver afgegoten volgens de 'lost lizard' methode.

Salamander, in zilver afgegoten volgens de ‘lost lizard’ methode.

Jamnitzer wilde reptielen en andere dieren zo natuurgetrouw mogelijk afbeelden. De methode die hij daarvoor ontwikkelde, hield onder meer in dat een kleine salamander daarvoor het leven liet. Het dier werd ingepakt in een mal, en vervolgens in de oven zo hoog verhit dat het dier verdween. Door de holte vervolgens met gesmolten zilver te vullen, ontstond een exact tegenbeeld. In feite kijk je dus naar zijn geest…