En ik geef jou als pand van trouw… een knottekistje?

Knottekistje, Hoorn, 1670 of 1694, zilver, deels verguld, H. 10,9 cm, Br. 14,1 cm, D. 7,7 cm, Rijksmuseum, BK-1975-78

Knottekistje, Hoorn, 1670 of 1694, zilver, deels verguld, H. 10,9 cm, Br. 14,1 cm, D. 7,7 cm, Rijksmuseum, BK-1975-78

In de zeventiende eeuw ontstond in Nederland een groep zilveren dozen, versierd met de voorstellingen en symbolen die te maken hebben met het huwelijk. Een van de mooiste is een Hoorns exemplaar, waarvan alle zijden Bijbelse mannen en vrouwen laten zien. Op de zijkanten zijn Jacob en Rachel & Rebecca en Eliëzer te zien, de begeleidende teksten op het deksel vertellen waarom ze zijn afgebeeld; Jacob staat er vanwege zijn doorzettingsvermogen: AL BEIJDE JACOB VIERTHIEN JAER, HIJ KRIJCHT NOCH EENS SYN WEDERPAER; Rebecca vanwege haar onvoorwaardelijke liefde; REBECCA ZICH TOT ISAC VOECHT, IN HEM ALLEEN HAER ZIEL VERNOEGD. Voor en achterkant vieren het huwelijk van Adam en Eva; evenals de dieren in het Paradijs zijn zij door Gods liefde samengebracht, en dienen zij te wachten tot zij die liefde consumeren: GHEEN BOOMEN, VOGHELS, VEE NOCH MENSCHEN HEBBEN AERDT, TEN ZIJ DE KUYSCHE MIN DIE MET ELCKANDER PAART; nadat de liefde is geconsummeerd, dient er te worden gewerkt om het nageslacht te kunnen onderhouden: SIET ADAM SPIT EN EVA SPINT: WINT ZOO DE KOST DIE KINDREN WINT. Zowel de beeldtaal als geheel als enkele van de voorstellingen zijn gebaseerd op Jacob Cats’ boek ‘s Werelts begin, midden, eynde, besloten in den trou-ringh, met den proefsteen van den selven’, waarvan de eerste druk in 1637 verscheen.

BK-1975-78-02

Hoewel de voorstellingen duidelijk verwijzen naar het huwelijk, is niet precies bekend waarvoor de doos was bedoeld. Vergelijkbare dozen in verschillende vormen, formaten en uitvoeringen zijn uit verschillende steden bewaard gebleven, maar omdat gegevens over de context ontbreken, is niet bekend hoe en wanneer ze werden ingezet. Pas in de negentiende eeuw, op het moment dat oudheidkundigen in dit type voorwerpen geïnteresseerd raakten, is een specifieke naam – ‘knottekistje’- en een specifiek gebruik bedacht. De toen geformuleerde mythen hebben niets aan aantrekkingskracht verloren; in ieder handboek wordt het omstreeks 1830 voor het eerst geformuleerde verhaal tot in detail herhaald.

Jacobus Scheltema, kopie naar B.W. van der Kooi, 1819, Rijksmuseum SK-C-1556

Jacobus Scheltema, kopie naar B.W. van der Kooi, 1819, Rijksmuseum SK-C-1556

De vroegste beschrijving van een knottekistje is te vinden in het in 1832 verschenen handboek Volksgebruiken bij het vrijen en trouwen der Nederlanders van de in Franeker geboren historicus mr. Jacobus Scheltema (1767-1835). Volgens de dan net nieuwe methode van de gebroeders Jacob Ludwig en Wilhelm Karl Grimm – ons vooral bekend van hun sprookjes – reconstrueerde Scheltema met behulp van gedichten en voorwerpen ‘volkseigen tradities’, die in tegenstelling tot de aangeleerde Latijnse normen en waarden de Nederlanders aangeboren zouden zijn. Zilveren koffertjes kende hij van zijn Friese voorouders, en daarom vormden zij de aanleiding tot de reconstructie van een kenmerkend Fries gebruik; in het koffertje zou zich een onderpand hebben bevonden, als garantie dat de trouwbelofte werd nagekomen. Zeker als Scheltema deze theorie ook nog verbindt met Germaanse gewoonten om een bruid te kopen, gaan bij mij de alarmbellen volop rinkelen. Waar zonder harde gegevens hooggestemde theorieën als interpretatie worden aangevoerd, ontstaat een ondoordringbaar woud van Wahrheit und Dichtung; de mythe is dan vaak een simplistische en vertekende weergave van de werkelijkheid.

Het geven van een onderpand was ook in Holland heel gebruikelijk; afgebroken verlovingen konden leiden tot processen, waarin het onderpand –meestal een munt, een penning, een juweel of een horloge- inzet van het geschil kon zijn. Zilveren dozen worden in deze bronnen niet vermeld, maar dat betekent niet noodzakelijk dat ze er niet zijn geweest. Andere bronnen laten zien dat zilveren dozen ook wel op andere momenten werden ingezet; zo gaf de Amsterdamse burgemeesterszoon Pieter de Graeff zijn bruid Jacoba Bicker op de dag van haar ondertrouw in 1662 een gladde zilveren doos met daarin haar bruidsschat, in haar geval juwelen en waardevaste aandelen in de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Het bijzonder grote formaat van de Hoornse doos en het daarin gemonteerde tafeltje geven aan dat ook deze onbekende bruid verschillende voorwerpen ontving. De bijzonder fraaie uitwerking van het graveerwerk, de elegante combinatie van zilver en verguld, en tot slot de vrije vertaling van de teksten van Cats laten zien dat bruid en bruidegom niet alleen vermogend moeten zijn geweest, maar ook toegang moeten hebben gehad tot de werelden van de letterkunde en de cultuur. Juist daaruit blijkt hoe bijzonder de Nederlandse situatie in het midden van de zeventiende eeuw in Europa was; in geen ander land was op dat moment de welvaart, de alfabetisering en de toegang tot cultuur zo wijd verbreid.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s