Hoe rijker versierd, hoe minder chic?

Kraantjeskan, Leeuwarden, 1729, door Andele Andeles, zilver, h. 41,7 x diam. 20 cm, BK-1954-37

Kraantjeskan, Leeuwarden, 1729, door Andele Andeles, zilver, h. 41,7 x diam. 20 cm, BK-1954-37

In de late zeventiende eeuw werd nagedacht over een nieuwe rol voor het ornament, dat naar klassiek voorbeeld werd ingezet om de opbouw van een object te geleden. Een voorbeeld van een achttiende-eeuwse toepassing daarvan in zilver is een kraantjeskan van Andele Andeles. Door de afwisseling van gladde en bewerkte delen worden de overgangen tussen de geometrische onderdelen genuanceerd, en ontstaat een helder samenspel tussen de hoofdvorm en de uit deels gematteerde banden opgebouwde versiering. De motieven gaan deels op voorbeelden uit de klassieke oudheid terug, die in min of meer gestandaardiseerde vorm door middel van prenten werden verspreid. De nadruk op de hoofdvorm werd op datzelfde moment tot het uiterste doorgevoerd. Zo is bij een door Jesaias van Engauw gemaakte kraantjeskan de versiering tot een minimum beperkt, met als gevolg dat het licht direct wordt weerkaatst en de aandacht door niets wordt afgeleid van de strak georganiseerde opeenstapeling van geometrische vormen.

Lang heeft men de eenvoud van het Haagse voorbeeld vereenzelvigd met een verondersteld typisch Nederlandse terughoudendheid. Die gedachte werd vlak na de Tweede Wereldoorlog geformuleerd, toen voor het eerst de mogelijkheid bestond om grote groepen Nederlands zilver uit verschillende centra met elkaar te vergelijken. In de eerste overzichten onderscheidde men drie hoofdstromingen, die naar het soort en de mate van het gebruik van het ornament aan centra werden toebedeeld. In het Haagse zilver herkende men internationaal georiënteerde modellen met een terughoudende versiering voor de adel, in Amsterdamse versies met een uitgesproken voorkeur voor ornament voorwerpen voor de handelsstand, en in het Friese zilver een horror-vacuï, passend bij de smaak van een regionaal centrum.

De toen geponeerde stellingen hebben hun wortels in de klassiek modernistische opvatting dat de vorm van een voorwerp in eerste instantie dient te beantwoorden aan de functie ervan, en dat vooral het terughoudend gebruik van ornament het beste beantwoordt aan de goede smaak. Voor mij is die werkhypothese weinig vruchtbaar, omdat ze voorbij gaat aan de maatstaven die in de tijd zelf als uitgangspunt werden gebruikt. Bovendien staat allerminst vast dat in één plaats gemaakte objecten ook voor opdrachtgevers uit die stad waren bedoeld.

Ik denk dat je beide kraantjeskannen beter kunt zien als voorbeelden van Nederlandse uitwerkingen van een internationale stroming, aansluitend bij contemporaine architecturale opvattingen, die in Frankrijk maar vooral in Engeland tot vergelijkbare resultaten in zilver hebben geleid. Kraantjeskannen, die in Nederland voor het schenken van koffie waren bedoeld, komen in deze vorm daar niet voor, waaruit je kunt concluderen dat het in ieder geval om een kenmerkend Nederlandse toepassing gaat. Net als in Nederland werd een model daar tegelijkertijd in verschillende uitvoeringen beschikbaar gesteld. Of dat alleen een kwestie van keuze was, of dat men daar ook andere dingen mee wilde zeggen, weten we nog niet. Maar waarschijnlijk is het wel.

Kraantjeskan, Den Haag, 1720, toegeschreven aan Jesaias van Engauw, H. 33,2 cm, Diam 16,1 cm, BK-1955-87

Kraantjeskan, Den Haag, 1720, toegeschreven aan Jesaias van Engauw, H. 33,2 cm, Diam 16,1 cm, BK-1955-87

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s