Blingbling masters

Mensen kijken het liefste naar andere mensen, en beoordelen elkaar in een fractie van een seconde op het uiterlijk. Vandaar dat er veel aandacht aan wordt besteed, en dat dat niet iets van onze tijd is, kun je op dit moment zien op de Catwalk van het Rijksmuseum.

BK-1959-19

Snuifdoos met ruïnes, Amsterdam, 1739, toegeschreven aan Jean Saint, goud, 3,1 x 7,6 × 5,7 cm, BK-1959-19.

Net zo belangrijk als de kleren en het kapsel waren de gadgets die je bij je hebt. In de achttiende eeuw ging in het elegante Europa niemand de deur uit zonder gouden snuif- of tabaksdoos. Sommigen bezaten zelfs hele collecties, voor ieder jaargetijde, en voor elke gelegenheid één. Zo bezat Carl Anselm, fürst von Thurn und Taxis (1733-1805) er maar liefst 67, waarvan het grootste gedeelte zich nu in het Bayerisches National Museum in München bevindt.

BK-17151

Snuifdoos met bloemboeketten, Parijs, ca. 1752, toegeschreven aan Lazare Antoine Clérin, goud en email, 3,4 × 7,3 × 5,2cm, BK-17151.

In het Rijksmuseum kun je zien hoe groot de Europese verscheidenheid was. Er zijn gouden dozen met versieringen in reliëf, bezaaid met diamanten, of versierd met schilderingen in email. Anderen bestaan uit geslepen panelen van een halfedelsteen, zoals degene met vlechtwerk uit band-agaat en kornalijn.

BK-17162.jpg

Snuifdoos, Dresden, ca. 1770, toegeschreven aan Johann Christian Neuber, goud, bandagaat, kornalijn, diamant en robijn, 3,4 × 6,4 × 5,2cm, BK-17162.

Ongetwijfeld werden ze ook door Nederlandse regenten gekocht en besteld. Uit dagboeken en brieven weten we dat op de elegante salons in de steden het snuiven van tabak omgeven was met een heel ritueel. Als een man zijn snuifdoos aanbood aan een vrouw, of bijzondere aandacht besteedde aan de samenstelling van haar snuif, spitsten de huwelijksmakelaars hun oren en slepen hun pennen…
Als ik om me heen kijk, is er niet zo heel veel veranderd. Waarom zou je anders zoveel aandacht besteden aan het hoesje van je telefoon?

BK-17142

Snuifdoos, Parijs, ca. 1758-1760, door Jean Ducrollay, goud en email, 3,6 × 7,1 × 5,6 cm, BK-17142.

Advertenties

Nederlandse miniaturisten?

Opnamedatum: 2011-07-11

Theebus met chinoiserieën, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Coutrier, 4,5 x 3,3 x 2,1 cm, BK-NM-11177-67

 

 

Eén van de dingen die opvalt als je naar de Nederlandse edelsmeedkunst in het verleden kijkt, is de vergaande mate van specialisatie. Zelfs in een relatief kleine stad als Delft onderscheidde men maar liefst acht verschillende typen goud en zilversmeden. Soms werden de scheidslijnen getrokken langs technische grenzen; om edelstenen te kunnen zetten, kettingen of voorwerpen van draadwerk te creëren heb je specifieke vaardigheden en gereedschappen nodig. In andere gevallen lijken de grenzen te zijn bepaald door het materiaal, en vooral de manier waarop de verschillende categorieën daarbinnen door de keurkamer werden behandeld.

 

In Holland werden twee soorten zilver onderscheiden: grotere voorwerpen werden in minimaal 934/1000 zilver uitgevoerd, en per stuk gecontroleerd en gemerkt; voor kleinere voorwerpen kon met een lager gehalte van 833/1000 zilver worden volstaan. Dit laatste type werd steekproefsgewijs per partij gecontroleerd, aanvankelijk in de werkplaatsen van de zilversmeden zelf, en vanaf 1733 algemeen op de keurkamers in de verschillende steden. Ongetwijfeld heeft dat verschil te maken met de omvang van de productie. Zo berekende men in 1730 dat alle Amsterdamse kleine keurwerkers samen jaarlijks 450.000 zilveren voorwerpen afleverden, die onmogelijk stuk voor stuk door de vier keurmeesters in die stad konden worden gecontroleerd.

Opnamedatum: 2011-06-20

Vingerhoed, Amsterdam, 1730-1749, door Cornelis Coutrier, 1,6 x 1,3 cm diameter, BK-11177-83-A

De productie moet dus immens zijn geweest, en als je deze aantallen vergelijkt met de voorwerpen die nu nog bekend zijn, is ook direct duidelijk dat maar een fractie daarvan bewaard gebleven is. Een voorbeeld is het werk van Cornelis Coutrier (1702-1749), die in 1730 zijn naam en meestertekens op de plaat van het gilde sloeg. Eenvoudige gegoten theelepels moeten in honderdvoud door deze zilversmid zijn gemaakt, en vingerhoeden met een gestampte versiering werden in partijen van 500 stuks aan de keurkamer aangeboden. Wat we daar nu nog van kennen is op de vingers van een hand te tellen.

Opnamedatum: 2011-06-27

Stofblik, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Couturier, 4,8 x 4,7 cm, zilver, BK-11177-14

 Zilveren miniaturen bleven beter bewaard, en van Coutrier kennen we zowel gladde als voorwerpen met een heel complexe versiering. Als je bijvoorbeeld deze theebus draait, zie je dat alle kanten anders zijn: in het landschap wonen verschillende Chinezen, die bovendien relatief natuurgetrouw weergegeven zijn. Waarschijnlijk heeft Coutrier de vorm en de versiering zelf ontworpen. Hij was er zeker toe in staat: van hem zijn verschillende door hemzelf gemodelleerde gegoten penningen bekend.

Het laat zien hoe voorzichtig je moet zijn als je probeert aan de hand van het bewaard gebleven materiaal een specialisme te reconstrueren. Als je de andere voorwerpen niet kent, omdat die niet of nauwelijks bewaard gebleven zijn, zou je kunnen denken dat miniatuur zilver het werk van specialisten in dat type was, terwijl het in werkelijkheid niet meer dan een –belangrijk- onderdeel daarvan blijkt te zijn.

BK-NM-11177-67-01

BK-NM-11177-67-02

BK-NM-11177-67-03

BK-NM-11177-67-04