Nederlandse miniaturisten?

Opnamedatum: 2011-07-11

Theebus met chinoiserieën, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Coutrier, 4,5 x 3,3 x 2,1 cm, BK-NM-11177-67

 

 

Eén van de dingen die opvalt als je naar de Nederlandse edelsmeedkunst in het verleden kijkt, is de vergaande mate van specialisatie. Zelfs in een relatief kleine stad als Delft onderscheidde men maar liefst acht verschillende typen goud en zilversmeden. Soms werden de scheidslijnen getrokken langs technische grenzen; om edelstenen te kunnen zetten, kettingen of voorwerpen van draadwerk te creëren heb je specifieke vaardigheden en gereedschappen nodig. In andere gevallen lijken de grenzen te zijn bepaald door het materiaal, en vooral de manier waarop de verschillende categorieën daarbinnen door de keurkamer werden behandeld.

 

In Holland werden twee soorten zilver onderscheiden: grotere voorwerpen werden in minimaal 934/1000 zilver uitgevoerd, en per stuk gecontroleerd en gemerkt; voor kleinere voorwerpen kon met een lager gehalte van 833/1000 zilver worden volstaan. Dit laatste type werd steekproefsgewijs per partij gecontroleerd, aanvankelijk in de werkplaatsen van de zilversmeden zelf, en vanaf 1733 algemeen op de keurkamers in de verschillende steden. Ongetwijfeld heeft dat verschil te maken met de omvang van de productie. Zo berekende men in 1730 dat alle Amsterdamse kleine keurwerkers samen jaarlijks 450.000 zilveren voorwerpen afleverden, die onmogelijk stuk voor stuk door de vier keurmeesters in die stad konden worden gecontroleerd.

Opnamedatum: 2011-06-20

Vingerhoed, Amsterdam, 1730-1749, door Cornelis Coutrier, 1,6 x 1,3 cm diameter, BK-11177-83-A

De productie moet dus immens zijn geweest, en als je deze aantallen vergelijkt met de voorwerpen die nu nog bekend zijn, is ook direct duidelijk dat maar een fractie daarvan bewaard gebleven is. Een voorbeeld is het werk van Cornelis Coutrier (1702-1749), die in 1730 zijn naam en meestertekens op de plaat van het gilde sloeg. Eenvoudige gegoten theelepels moeten in honderdvoud door deze zilversmid zijn gemaakt, en vingerhoeden met een gestampte versiering werden in partijen van 500 stuks aan de keurkamer aangeboden. Wat we daar nu nog van kennen is op de vingers van een hand te tellen.

Opnamedatum: 2011-06-27

Stofblik, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Couturier, 4,8 x 4,7 cm, zilver, BK-11177-14

 Zilveren miniaturen bleven beter bewaard, en van Coutrier kennen we zowel gladde als voorwerpen met een heel complexe versiering. Als je bijvoorbeeld deze theebus draait, zie je dat alle kanten anders zijn: in het landschap wonen verschillende Chinezen, die bovendien relatief natuurgetrouw weergegeven zijn. Waarschijnlijk heeft Coutrier de vorm en de versiering zelf ontworpen. Hij was er zeker toe in staat: van hem zijn verschillende door hemzelf gemodelleerde gegoten penningen bekend.

Het laat zien hoe voorzichtig je moet zijn als je probeert aan de hand van het bewaard gebleven materiaal een specialisme te reconstrueren. Als je de andere voorwerpen niet kent, omdat die niet of nauwelijks bewaard gebleven zijn, zou je kunnen denken dat miniatuur zilver het werk van specialisten in dat type was, terwijl het in werkelijkheid niet meer dan een –belangrijk- onderdeel daarvan blijkt te zijn.

BK-NM-11177-67-01

BK-NM-11177-67-02

BK-NM-11177-67-03

BK-NM-11177-67-04

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s