Edelsmeedkunst als opdracht

Regelmatig delen mensen met mij hun zorgen over de toekomst van de edelsmeedkunst, en ook vroeger werd die vraag met regelmaat gesteld. Het antwoord is deels telkens hetzelfde: iedere generatie moet oude verhalen nieuw leven in blazen. Omdat andere accenten worden gelegd, verschilt het patroon. Zo formuleerden verzamelaars en musea  in 1919 samen wat volgens hen een zilveren voorwerp van een kunstwerk onderscheidt. Het plan was buitengewoon ambitieus. Stel een tentoonstelling samen van absolute hoogtepunten, van vroeger en nu. Laat Nederlandse kunstwerken stralen, en voeg een afdeling kunst uit Azië als extra inspiratiebron toe. Wat de tentoonstelling beoogde is te lezen in een boek dat als herinnering verscheen, de Inleiding tot de geschiedenis van de Nederlandsche Edelsmeedkunst van Carel J. A. Begeer (1883-1956). Het leest als een manifest, een oproep om een voorwerp te beschouwen als een kunstwerk, of in de woorden van Begeer: een uiting van een gedachtegang in vorm.

BK-1992-31

EVaas, zilver, 21,1 x diameter 16,2 cm, ontwerp 1918 en realisatie 1919, Carel J. A. Begeer, Rijksmuseum, inv. BK-1992-31.

In het werk van de Van Vianens en de Lutma’s waardeerde Begeer het vermogen om unieke werken te creëren, en voor de tentoonstelling ontwierp en vervaardigde Begeer zelf een vaas met volledig vloeiende vormen, die er telkens anders uitziet als je hem draait. Vorm en versiering zijn versmolten tot één volledig abstract ornament. Zo gaf hij invulling aan de belofte, gedaan in de catalogus, dat “de leidende fabrikanten in het edelmetaalbedrijf in samenwerking met de beste kunstenaars van onzen tijd, deze kunst wederom op zullen weten te voeren tot het hoogst mogelijke peil”.

900x450_133878

Doosje, ebbenhout en zilver, 7,5 x 12 x 17,4 cm, ontwerp Erich Wichmann, Utrecht 1918, Boijmans van Beuningen, Rotterdam, inv. MBZ 508 a-b (KN&V)

Aan de tentoonstelling was ook een ontwerpwedstrijd verbonden, en dat maakt nieuwsgierig naar degenen die op de uitnodiging ingingen. We weten het niet precies omdat van deze afdeling geen catalogus verscheen, en omdat de hoogleraar in de kunstgeschiedenis Willem Vogelsang (1875-1954) in zijn besprekingen alleen degenen noemde die hij kende en interessant vond – en dat waren de gevestigde kunstenaars uit omstreeks 1900. De experimenten van Erich Wichmann (1890-1929) vond hij te excentriek, en niet zo geslaagd omdat de voorwerpen niet te gebruiken waren. Bovendien was nog lang niet alles al klaar, met als gevolg dat in de openingsspeech werd beloofd dat er een tweede tentoonstelling zou komen, gewijd aan de ‘heedendaagsche kunst’.

BK-2013-17

Doosje met abstract geometrische versiering, zilver, email, h. 6,5 x Ø 7 cm, Anonieme ontwerper, uitgevoerd door de Utrechtsche Fabriek van Juwelen, Zilverwerken en Zilveren penningen N.V., Amsterdam, aankoop met steun van Ernst Nijkerk, Rijksmuseum BK-2013-17.

Hoewel niet in de bronnen herkenbaar, ligt het voor de hand om een zilveren doosje dat in hetzelfde jaar in de ateliers van Begeer ontstond, te verbinden met het streven van de tentoonstelling. Net als de vaas, is ook dit een uitdrukking van een gedachtegang in zilver, al is het uitgangspunt een totaal andere. Dit is een spel in geometrie, waarin het spanningsveld wordt verkend tussen een cilindrische grondvorm en een decoratie in rechthoekige vlakken blauw, zwart en wit. Het doet heel erg denken aan de opvattingen van de kunstenaars van De Stijl.

Is er straks nog wel belangstelling voor het Nederlandse zilver, zullen er nog wel verzamelaars zijn, en hoe zit het eigenlijk met de nieuwe generaties kunstenaars die hun eigen visie op dit materiaal ontwikkelen, zijn vragen die telkens opnieuw worden gesteld. Ik ben niet zo somber omdat juist nu op allerlei terreinen aandacht voor oud en nieuw zilver wordt gevraagd. Mijn antwoord is dus eigenlijk een opdracht; vertel wat je intrigeert, laat zien wat spannend is, en geef daardoor een nieuwe generatie de gelegenheid om zelf te bedenken en te formuleren wat het materiaal zo spannend maakt.

Advertenties

Juwelen centraal

Eén van de aspecten van de verzamelingen van het Rijksmuseum is dat de aandacht zich concentreert op de kunstwerken zelf, en veel minder op het maakproces. Het gevolg daarvan is dat je in de presentaties niet kunt zien hoe de voorwerpen werden gemaakt, en evenmin welke gereedschappen daarvoor nodig waren. In kunstnijverheid gespecialiseerde musea als DIVA in Antwerpen en het Zilvermuseum in Schoonhoven verzamelen wel getuigen van het maakproces, en kunnen dat dus veel beter.
Voordat voorwerpen in productie werden genomen, werden net als voor schilderijen voorstudies en tekeningen gemaakt, en voor heel bijzondere driedimensionale modellen. Dankzij het Decorative Art Fund konden vanaf 2013 tekeningen worden aangekocht, met als idee dat daarmee het creatief proces in beeld kon worden gebracht. Ontwerpen voor juwelen en sieraden zijn op dit moment op verschillende plekken in het museum te zien, telkens gecombineerd met enkele juwelen en sieraden. Het is een voorproefje op het juwelensymposium dat door de samensteller, junior conservator Suzanne van Leeuwen, in november wordt georganiseerd.

RP-T-2014-19

Ontwerp voor een plaque voor een collier de chien, 280 × 221 mm, Parijs, ca. 1901-1903, Rijksmuseum, toegeschreven aan René Lalique, Aankoop met steun van Chris van Otterloo en het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-19

 

 

Nu tekeningen, prenten en juwelen met elkaar worden gecombineerd, wordt duidelijk dat je vragen moet stellen bij de precieze functie van deze kunstwerken op papier. Het meeste weten we over de negentiende eeuw, toen de hervormers in de kunstnijverheid op het standpunt stonden dat aan ieder voorwerp een getekend ontwerp ten grondslag moest liggen. Eerste ideeën werden in schetsen verkend, conclusies uitgewerkt in presentatietekeningen, en vervolgens omgewerkt tot technische tekeningen om het stuk ook te kunnen maken. De laatste -een soort bouwtekening- is onmisbaar bij voorwerpen uit kostbare materialen omdat verschillende specialisten bij de realisatie daarvan betrokken waren. De tekening diende als ijkpunt en communicatiemiddel.
Een voorbeeld daarvan is een tekening van René Lalique, waarschijnlijk een plaque voor een collier de chien op ware grootte. Vergelijking van dit object met nog bekende gerealiseerde varianten laat zien dat het ontwerp door verschillende specialisten werd uitgevoerd. Het raamwerk en het lijnenspel waaruit de abstracte, aan bladeren herinnerende motieven zijn samengesteld, werden door de edelsmid uitgevoerd in metaal. De kleuren door de emailleurs vertaald in een combinatie van doorschijnend en ondoorschijnend glas. De bessen van de maretakken werden tot slot verbeeld door parels, die door de juweliers werden toegevoegd.

 

1900.449-1

Collier de chien, parels, goud en email, het middenstuk ontworpen en gesigneerd door René Lalique, Hamburg, Museum für Kunst und Gewerbe, verworven op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.

 

Dat in een atelier ook hele andere opdrachten werden vergeven, en het creatief proces dus ook veel minder lineair verliep, blijkt uit enkele schetsbladen van de Franse ontwerper Henri Cameré (1830-1894). In het derde kwart van de negentiende eeuw werkte hij onder andere voor het juwelen- en zilverhuis Froment-Meurice in Parijs. Een blad dat op het eerste oog verschillende voorwerpen laat zien die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, blijkt – als je de teksten leest – een voorstudie voor een serie hoedenspelden. De bollen geven de vorm van de knop weer, de ronde tekeningetjes details van hetzelfde object in verschillende variaties. De teksten verwijzen naar een serie modellen voor knopen, waaruit volgt dat niet alle varianten in de tekening waren uitgewerkt. Kennelijk ging het in dit geval dus ook niet zozeer om een eigen idee van Cameré, maar om een omwerking van een door een ander ontwikkelde serie. Het juweliershuis had een reeks hoedenspelden voor ogen die naadloos aansloot bij de knopen die ze al verkochten, en had Cameré de opdracht gegeven om te bedenken hoe dat kon worden gerealiseerd.

 

Opnamedatum 2016-01-19

Schetsblad met ontwerpen voor een reeks hoedenspelden, 156 x 119 cm, Parijs, gesigneerd door Henri Cameré, ca. 1880-1890, Aankoop met steun van het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-18-27.