Pork, pork, pork, taart eet je met…

 

SK-A-4646

Stilleven met kalkoenpastei, olieverf op paneel, 75 × 132 cm, gesigneerd en gedateerd Pieter Claesz, 1627, Rijksmuseum Amsterdam, inv. SK-A-4646.

Als de bakkoorts in Nederland weer nieuwe hoogtepunten bereikt, loop je met nieuwe ogen over de zalen van het Rijksmuseum. Ik bleef wat langer hangen bij één van mijn favorieten, een stilleven uit 1627 van de Amsterdamse schilder Pieter Claesz. In het midden van de tafel staat een aangebroken taart, met bovenop een lepel. Het duurt even voordat tot je doordringt dat alle attributen die wij nu gebruiken ontbreken. Geen taartschep, geen vorkjes, maar een mes en een lepel.

SK-A-4646 (2)

Zou dat iets te maken hebben met het soort taart? De eerste Nederlandse boeken over dit onderwerp verschijnen veel later in de zeventiende eeuw, en op het eerste gezicht zou je dus denken dat je daar geen gegevens aan zou kunnen ontlenen. In de Verstandige kok uit 1669 – niet lang geleden opnieuw uitgegeven door Marleen Willebrands – worden reeksen taarten genoemd, waarvan er verschillende in aanmerking zouden kunnen komen. Wand, bodem en deksel zijn opgebouwd uit een gezoet korstdeeg, de vulling bestaat uit in wijn gekookte pruimen, rozijnen en allerlei specerijen. Ook voor de vorm van de taart, en de manier waarop deze is aangesneden zijn parallellen te vinden in de literatuur uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. In de Voorsnijdinghe uit 1664 wordt het een pastey genoemd; op de afbeelding is dezelfde kartelrand te zien, en dezelfde verdeling van het deksel in zes punten. De wanden van de taart werden kennelijk niet aangesneden, maar apart gegeten.

Het kookboek, het boek over de kunst van het voorsnijden en het schilderij zijn alle drie belangrijke ijkpunten, en vertellen in samenhang je echt iets over de Nederlandse kookcultuur. Dat een in 1627 afgebeelde taart pas veertig jaar later voor het eerst in een kookboek verscheen, laat zien dat de zeventiende eeuw ook al klassiekers kende, en dat ontwikkelingen veel minder abrupt verliepen dan wij nu wel eens denken.

BK-15731

lepel, zilver, 17 x 5,7 cm, Hoorn, voor 1663, toegeschreven aan Reynier Bel, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-15731

Datzelfde verhaal strekt zich ook uit tot de voorwerpen die op de tafel zijn afgebeeld. In het Rijksmuseum is er een lepel die lijkt op het afgebeelde exemplaar, maar minstens twintig jaar later is gemaakt. Omdat de jaarletterreeksen voor Hoorn nog niet helemaal duidelijk zijn, kan hij nog niet precies worden gedateerd. Omdat de Hollandse leeuw ontbreekt, staat vast dat de lepel voor 1663 moet zijn gemaakt. Omdat er andere voorbeelden uit hele land bekend zijn, staat ook vast dat het om een heel gangbaar model moet zijn geweest.  Ze werden zelfs als set uitgevoerd; in de inventaris van het Amsterdamse bankiersechtpaar Guillelmo Bartolotti van den Heuvel (1602-1658) en Jacoba van Erp (1608-1664) wordt in 1664 een set van zes lepels en vorken omschreven, waarvan de stelen met “doorne stockjens” waren versierd.

Advertenties

Een monument voor de liefdadigheid

De afgelopen dagen regent het in Nederland onafgebroken, en draaien de waterschappen overuren. Nu zijn Nederlanders beroemd vanwege de manier waarop de waterbeheer is georganiseerd, en omdat het al lang geleden is dat de dijken het op grote schaal begaven, zou je bijna vergeten dat het drama van het wassende water ook in Nederland lang een harde werkelijkheid was. Vanaf het midden van de zestiende eeuw werden penningen ingezet om de herinnering aan deze weerkerende rampen levend te houden. Zo op het eerste gezicht is deze penning, die de watersnood van 4 en 5 februari 1825 tot onderwerp heeft, dus niets bijzonders.

 

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, voorzijde, Adriaan Bemme naar een tekening van George Frederik Sartorius, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Uitzonderlijk zijn het grote formaat en de voorstelling. We zien het water over de dijk stromen en de polders vullen. In het verdronken land proberen vluchtelingen zichzelf en hun vee te redden, en een Waterlands echtpaar dat op het dak van hun huis is gestrand, wordt door een dappere roeier in veiligheid gebracht. Hoewel de modern topografische situatie is weergegeven, grijpt de manier waarop de scène is verbeeld terug op een Nederlandse zeventiende-eeuwse traditie. Net als in de plaquette-penningen van Johannes Lutma jr., worden ook hier schilderkunstige effecten nagestreefd.

 

NG-VG-1-886

Aanleg van de trekvaart van Dokkum naar Groningen, zilver, diameter 9,2 cm, Dokkum 1656, voorzijde, Paulus Saackes naar model van Johannes Lutma jr, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, NG-VG-1-886

 
Wie deze zijde van de penning heeft gemaakt, toont het omschrift: “Heeft Bemme Neerlands nood door drijfkonst hier verbeeld”. Daarmee werd gedoeld op de toen 71-jarige Rotterdamse goud en zilverdrijver Adriaan Bemme Jansz (Delft 1753 – Rotterdam 1831), die in datzelfde jaar in Haarlem verschillende proeven van zijn kunst toonde. De genoemde onderwerpen geven aan dat hij zich op de zeventiende-eeuwse Hollandse genreschilderkunst baseerde, in dat geval de herberginterieurs van Adriaen van Ostade (1610-1685). De andere kant werd gemaakt door zijn zoon, de penningsnijder Anthonie Bemme Azn (Rotterdam 5-12-1779 – Rotterdam 15-5-1836): “zijn zoon grift hier met staal wat deze rampspoed heelt”. Het samenwerkingsverband tussen vader en zoon werd mogelijk gemaakt door een penningkundige en verzamelaar, de Amsterdamse koopman Hendrik Westerhoff (Amsterdam 1774-1848). In zijn In Memoriam werd aangegeven dat hij voor nieuwe penningen als schakel functioneerde, en hij zal dan ook de Amsterdamse apotheker George Frederik Sartorius (Amsterdam 1799-1851) hebben gevraagd om een tekening te leveren.

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, keerzijde, Anthonie Bemme Azn (keerzijde), Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Als kunstwerk is het stuk interessant omdat het laat zien dat in de vroege negentiende eeuw de penningkunst van de Gouden eeuw werd gewaardeerd en tot uitgangspunt werd genomen voor nieuwe scheppingen. Die trend is ook bekend uit de Nederlandse schilder en tekenkunst, maar de penning is één van de zeldzame voorbeelden daarvan in zilver. Dat hij ook in de tijd zelf als iets bijzonders werd gewaardeerd, blijkt uit het feit dat hij is opgenomen in de klassieke kunstenaarshandboeken van Immerzeel en Kramm, en we kennen zelfs zijn portret in prent.

 

RP-P-1940-450-00

Portret van Adriaan Bemme, ets, 158 x 115 mm, Rotterdam, ca. 1790, Rijksmuseum, RP-P-1940-450

 

Maar daarmee houdt het verhaal niet op. De penning is ook een uitzondering omdat deze niet alleen één van de grootste en meest verwoestende rampen in Nederland memoreerde, maar ook en vooral omdat deze particuliere initiatieven in het zonnetje zette. De in 1824 opgerichte Noord en Zuid Hollandse Redding Maatschappij en het in 1822 gestichte College Zeemanshoop hadden een grote rol, kapiteins voeren uit om de slachtoffers te redden, de instituten regelden de opvang van de vluchtelingen en ook de verspreiding van hulpgoederen in het getroffen gebied. De penning memoreert dus in eerste instantie de liefdadigheid, en er zijn dan ook maar drie exemplaren gemaakt, twee voor instituten en één voor de initiatiefnemer Westhoff. nu in de collectie van het Rijksmuseum.

In 1825 werd een recordbedrag van 13 miljoen gulden ingezameld voor de wederopbouw van de geteisterde delen van Nederland. Zouden we dat nog steeds kunnen, en helpen we nu het Rode Kruis helpen in het Caraïbisch gebied en Bangladesh?