Nederlandse schatten voor Engeland

2-Yarmouth-Collection-cropped

The Paston Treasure , ca. 1663, olieverf op doek, 246 x 165 cm, Norwich Castle Museum & Art Gallery, Norwich, UK.

Natuurlijk was het verhaal van de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, maar dat betekent niet dat er geen banden waren met de wereld daarom heen. Zoals de tentoonstelling High Society in het Rijksmuseum overtuigend laat zien, was men in Nederland op de hoogte van de belangrijkste internationale ontwikkelingen in de portretkunst, en maakte men zelfbewust onderdeel uit van de Europese ontwikkeling. Dat patroon komt nog sterker naar voren in de Nederlandse edelsmeedkunst. Ook al zijn betrouwbare getuigen schaars, steeds meer gegevens wijzen er op dat al in de tijd zelf Nederlandse zilversmeden met hun kunstwerken ook buitenlandse opdrachtgevers wisten te boeien.

1024x1024

Nautilusbokaal, verguld zilver, nautilusschelp en glas, 26,5 × 19,6 × 9,9 cm, Delft, 1570, ongeïdentificeerd meesterteken, Museum Prinsenhof Delft, inv. PDZ3.

BK-1960-17 (2)

Nautilusbokaal, verguld zilver en nautilusschelp, 36 × 19 × 13,5cm, Amsterdam?, ca. 1630-1660, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1960-17.

Eén van de meest veelzeggende bronnen is een groot schilderij dat sinds 1946 in het Norwich Castle Museum wordt bewaard ; waarschijnlijk moet het worden begrepen als een geschilderde inventaris van de belangrijkste kunstwerken van de Paston familie. Zowel Robert (1631 – 1683) als zijn vader William (ca. 1610-1663) reisden veel, en verzamelden op grote schaal. Verschillende van de voorwerpen op het schilderij kunnen worden geïdentificeerd ; twee van de twaalf kunstwerken in zilver zijn zeker in Nederland gemaakt. Eén nautilusbeker, nu in de verzameling van Museum het Prinsenhof in Delft, is omstreeks 1570 in het atelier van een onbekende Delftse edelsmid vervaardigd, het exemplaar in de verzameling van het Rijksmuseum is niet gemerkt, maar waarschijnlijk in het midden van de zeventiende eeuw in Amsterdam ontstaan.

BK-1960-17 (4)

In de laatste wordt een scène uit een verhaal weergegeven. De prinses Andromeda, gekluisterd aan een rotsblok, wacht vol spanning af of het zeemonster er eerder zal zijn dan haar redder. In opdracht van de zeegod diende zij te worden geofferd omdat haar moeder had gezegd dat zij veel mooier was dan diens dochters. De kijker kan hier zelf zien of dat inderdaad zo was ; de Nereïden, gevangen in kwabmotieven, vormen de voet van het rotsblok waarop Andromeda staat. De spanning wordt verder opgevoerd in het eigenlijke montuur ; samen met de meermannen kijken we toe. Waar blijft het monster ? Zal de held er eerder zijn ?

BK-1960-17 (5)

BK-1960-17 (3)

Het feit dat dit – en andere Nederlandse zilveren voorwerpen – op dit schilderij zijn afgebeeld, geeft aan dat in de zeventiende eeuw in Engeland een markt voor modern, goed ontworpen Nederlands zilver bestond. Hoe internationaal die wereld was, toont de tentoonstelling die rond dit schilderij is georganiseerd. Nu in de Yale Center of British Art (New Haven, Connecticut), vanaf later dit jaar in Norwich (UK).

Advertenties

Een snoer vol herinneringen

4438411705_a040879c7a_z

Mies Bouwman in 1962 tijdens de actie “Open het Dorp”

Net als ik keek ruim een miljoen mensen afgelopen week naar de uitzendingen ter gelegenheid van het overlijden van Mies Bouwman, een Nederlandse tv-coryfee. Wat opvallend is als je nu een uitzending uit 1972 terugziet, is hoeveel huiselijker het mediabeeld toen was. Wie toen naar Eén van de Acht keek, zag zijn eigen buurman. Het gewone had voorrang boven het bijzondere, en datzelfde zie je ook aan de cadeaus die werden weggegeven ; gouden manchetknopen voor de mannelijke kandidaten, gouden armbanden voor de vrouwelijke.

Opnamedatum: 2017-03-17

Bedelarmband, zilver, 18 × 2,5 cm, Nederland ?, Rijksmuseum inv. BK-2010-2-372, geschenk van Marjan en Gerard Unger  2009

Dat Nederlandse tv-programma’s toen een heel directe impact hadden, kun je ook aan deze armband zien. Eén van de voorwerpjes die er aan hangen is een directe verwijzing naar “Open het Dorp”, een inzamelingsactie uit 1962 om een volwaardige leefgemeenschap te creëren voor gehandicapten. De door Mies Bouwman gepresenteerde tv-uitzending is legendarisch geworden, als de eerste succesvolle van een reeks inzamelingsacties op tv.

Opnamedatum: 2017-03-17

bedelarmband, detail

ddd_010616403_mpeg21_p005_image

Krantenbericht uit de Leeuwarder Courant, 27-11-1962, via delpher.nl

De sleutel was het logo, ontworpen door de edelsmid Frits Jaritz uit Doorn, en in zilver op grote schaal in productie genomen door de N.V. Koninklijke Begeer in Voorschoten. Dat de oplage groot geweest moet zijn, valt af te leiden uit de omvang van de in de Leeuwarder Courant genoemde distributiekanalen; 500.000 leden van de Federatie van Vrouwelijke Vrijwillige Hulpverlening werden op 27 november 1962 de boer op gestuurd met broches en steekspelden; de bedeltjes werden verkocht via een netwerk van 1500 juweliers en waren iets duurder : 1 gulden en 75 cent.

De schaal waarop deze bedeltjes werden geproduceerd, laat zien dat dit type sieraad in het begin van de jaren 1960 ook in Nederland heel algemeen moet zijn geweest. Net als elders werden bedelarmbanden vooral door jonge vrouwen gedragen. Filmsterren als Elizabeth Taylor hadden na de Tweede Wereldoorlog het idee nieuw leven in geblazen, en zij werd daarin op grote schaal door jongeren nagevolgd. Sommige van de bedeltjes die zij op de foto draagt, zoals de poedel, zitten ook aan de Nederlandse band. De eindeloze verscheidenheid in voorstellingen en figuren maakte het mogelijk om individuele armbanden samen te stellen. Omdat het gebruikelijk was dat bij bijzondere gelegenheden aan de armband een bedel werd toegevoegd, kon zo langzamerhand een snoer vol herinneringen ontstaan.

42eYDEF9Fmz-_E_272StcCvYXDFpw_lN_MKJ6Q-6XmkEGMt1lEXskk6WCsLTTMQK_cbIoztiU08mmdAWihDnL25cGz2JZvTIb0RaWI-9sGyACi5Xp6uRiNHxq32obUSY0vz01R0

Liz Taylor met een bedelarmband, 1947

Suikerstrooiers

In verschillende opzichten vormde de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, onder andere omdat de elite hier veel groter was dan elders. Boedelinventarissen geven bijvoorbeeld aan dat al in het begin van de achttiende eeuw thee door ruim de helft van alle Nederlanders gedronken werd, en het gebruik hiervan dus niet tot een kleine groep beperkt bleef. Datzelfde geldt voor suiker, een andere relatief kostbare smaakstof die in Nederland op veel meer tafels dan elders verscheen.

BK-NM-2751

Strooilepel, zilver, 16,2 × 4,6 × d 4,9 cm, Leiden, 1786?, ongeïdentificeerd meesterteken, BK-NM-2751

Voor Nederlandse zilversmeden betekende dat dat er een veel grotere markt was voor hun waren dan elders. Dat zilveren strooilepels – met gaatjes doorboorde lepels die werden gebruikt om klein gestampte kandijsuiker gelijkmatig over de toen bij het dessert gebruikelijke gerechten te verdelen – relatief gewoon moeten zijn geweest, is uit allerlei gegevens af te leiden. Als in de jaren 1740 door de verschillende gilden in Haarlem wordt gesproken over het merken van kleine keur zilver – de goedkoopste categorie – worden suikerlepels specifiek genoemd als de grootste typen die bij uitzondering in dit lagere gehalte mochten worden uitgevoerd. Kennelijk was het type dus heel gewoon, en de markt groot.

BK-NM-2461

Strooilepel, tin, 15 x 6 x 3,5 cm, Nederlanden, 18de eeuw, Rijksmuseum, BK-NM-2461.

De vorm en de versiering van dit Leidse exemplaar laat zien dat een brede markt ook in andere opzichten andere eisen stelde. In plaats van de toen gebruikelijke vormentaal van het neoclassicisme toont de lepel heel andere esthetische voorkeuren. De steel met het vogeltje is een traditioneel element dat sinds de zeventiende eeuw in het Nederlandse zilver aanwijsbaar is, de vorm en de versiering van de bak sluiten aan bij het Frans georiënteerde barok dat in de jaren 1740 toonaangevend was. Heel grappig is het morenhoofdje op de onderkant van de steel; dit element verwijst naar de herkomst van de suiker uit exotische werelddelen. Dezelfde wat hybride vormentaal kom je ook tegen bij andere voorwerpen voor een breed publiek. Vergelijk hem maar eens met een tinnen strooilepel, door het materiaal een veel goedkoper alternatief.

BK-1973-181

Strooilepel, zilver, 17,0 × 6,1 cm, Oss, 1848, door Johannes Lambertus Kroymans, Rijksmuseum, inv. BK-1973-181

In de negentiende eeuw lijken nieuwe ideeën zich in een veel sneller tempo te hebben verbreid, en juist in voorwerpen voor een brede markt zijn de nieuwe verhoudingen snel zichtbaar. Eén van mijn favorieten is het neogotische exemplaar dat in 1848 door Johannes Lambertus Kroijmans (Den Bosch 1808 – Schijndel 1881) werd gemaakt in het Brabantse Oss. Het voorwerp is één van de vroegste Nederlandse voorbeelden van het historisme in zilver, en bovendien één van de weinige wereldlijke voorwerpen waarvoor de gotiek als inspiratiebron werd gebruikt. Zeker als je bedenkt dat voor 1800 Oss een centrum was waar slechts enkele edelsmeden met moeite het hoofd boven water konden houden, en dus nieuwe ideeën maar langzaam ingang vonden, zegt het feit alleen al dat dit voorwerp daar kon ontstaan, veel over de hernieuwde vitaliteit van Brabant in de negentiende eeuw.

Voor mij als Hollander is niet eenvoudig invoelbaar waarom een Brabantse museumdirecteur nu de behoefte heeft om het belang van zijn museum te onderstrepen door een beroep te doen op beroemde kunstenaars die in die regio geboren zijn. Waarom zou je willen bewijzen dat Brabant er toe doet door dezelfde retoriek te gebruiken als Randstedelijke musea, zeker als de kunstenaars waarnaar wordt verwezen elders werkten en dus ook in andere musea in Nederland en daarbuiten veel beter zijn vertegenwoordigd? Wie het provincialisme achter zich wil laten, moet vertrouwen op de kracht van het eigen verhaal, en dan heb je alle getuigen van het verleden hard nodig. Ook suikerstrooiers…

Email uit de Gouden Eeuw

Ons beeld van de Nederlandse edelsmeedkunst in de zeventiende eeuw wordt in grote lijnen bepaald door datgene wat nu nog als zodanig herkenbaar is. Dat klinkt als een open deur (en dat is het ook) totdat je bedenkt wat de consequenties daarvan zijn. Omdat alleen grote voorwerpen in eerste gehalte zilver en goud volgens de toenmalige regels met stadskeur, jaarletter en meesterteken dienden te worden gemerkt, staan deze op de voorgrond. Andere soorten waarvan niet direct bewijsbaar is dat ze in Nederland zijn gemaakt, worden dan makkelijk vergeten.

NG-NM-9659 (2)

De tocht naar Chatham, email op goud, Den Haag? 1667

Grote gouden voorwerpen met onderdelen in geschilderd email als de Chathambeker uit 1667 nemen nu een geïsoleerde positie in, en worden dus als uitzondering beschreven. Dat in werkelijkheid volledig geëmailleerde gouden voorwerpen in Holland vanaf de jaren 1630 in grote aantallen werden gemaakt, weten we omdat de techniek vanaf dat moment continue in de archiefbronnen besproken wordt. De Hollandse gilden maakten zich zorgen omdat de stukken niet konden worden gemerkt zonder de objecten te beschadigen. Daardoor werd de deur opengezet voor allerlei typen vervalsingen – met als belangrijkste met email overdekte sieraden en medaillons die als 23 ¼ karaat goud werden verkocht, maar in werkelijkheid van een veel lager gehalte bleken te zijn.

SK-A-4371

Portret van Frederik Hendrik, email op goud, 4,3 x 3,4 cm, Parijs, toegeschreven aan Henri Toutin, ca. 1647, de kast Nederland?, ca. 1650, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4371.

Allerlei losse gegevens die ik in de afgelopen jaren heb verzameld, laten zien dat volledig geëmailleerde voorwerpen van hoge kwaliteit niet alleen in Nederland werden gemaakt, maar ook werden geïmporteerd; toen bijvoorbeeld een neef van de Amsterdamse burgemeesterszoon Pieter de Graeff in 1660 een bezoek aan Parijs bracht, reisde hij in opdracht van de familie thuis nog even door naar Blois omdat daar de mooiste geëmailleerde horloges te krijgen waren. Het stadhouderlijk hof bestelde in de late jaren 1640 vanuit Den Haag portretten in email in Parijs, bij de belangrijkste kunstenaars in dit materiaal van dat moment, Henri Toutin (1614-1683) en Jean I Petitot (1607-1691). Veelzeggend detail – de Oranjes reisden niet zelf af om te poseren voor de schilder in email, maar stuurden door Gerard van Honthorst geschilderde portretten die vervolgens in email werden gekopieerd.

kastFH

Kast om het portret van Fredrik Hendrik, achterzijde.

Met een medaillon om een portret in email van Frederik Hendrik is iets bijzonders aan de hand. Als je de kast vergelijkt met degenen die door de Parijse emailleurs gewoonlijk werden afgeleverd, is deze duidelijk afwijkend. Waar het medaillon om het portret van de Engelse koning Karel I in een feestelijke omlijsting met allerlei kleurrijke patronen is geplaatst, is degene om dat van Fredrik Hendrik veel eenvoudiger; op een zwart fond is een krans oranjetakken met viooltjes geplaatst. Het monogram HAVO op de achterkant combineert de initialen van Hendrik met die van zijn echtgenote, Amalia. In een tweede kast in de Koninklijke Verzamelingen die op precies dezelfde manier is versierd zit een portret van hun zoon, stadhouder Willem II. Het monogram op die kast combineert de initialen van vader en zoon.

SK-A-4370

Portret van Karel I, koning van Engeland, email op goud, met kast 6,5 x 5,5 cm, Parijs, gedateerd en gesigneerd Henri Toutin 1636, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4370.

De monogrammen laten zien voor wie de kasten zijn gemaakt, en wat de intentie daarvan was; alle lijnen komen samen in de echtgenote en de moeder van de voorgestelden, Amalia van Solms. Kennelijk heeft zij de Parijse kasten laten vervangen door veel eenvoudiger versies in zwart, als uitdrukking van haar rouw. In 1647 was haar echtgenoot overleden, in 1650 haar zoon. In combinatie met de vermelding dat er in Den Haag en elders in Holland op dat moment emailleurs actief waren, rechtvaardigen deze gegevens de veronderstelling dat ze niet in Parijs, maar op een later moment -bijvoorbeeld in Den Haag- kunnen zijn gemaakt.

Wat nou: pronk?

Opnamedatum: 2014-09-12

Theepot, zilver, 12,1 x 21 x 11,7 cm diameter, Amsterdam 1696, toegeschreven aan Hendrik Daniëlsz van Pruyssen, Rijksmuseum, BK-1967-1.

Van bezoekers krijg ik bijna altijd dezelfde vragen: waar dient het voor, hoe is het gemaakt, en wat kost dat nou? Sec beschouwd zijn het geen vragen waar ik iets mee kan, omdat de antwoorden te generiek zijn. Zo kan ik bij deze zilveren theepot volstaan met te vertellen dat hij werd gebruikt om thee uit te schenken, en dat hij zo klein is omdat men toen op een andere manier thee zette dan wij nu. Het eerste probleem dat ik met dit type verhalen heb, is dat je ditzelfde bij iedere theepot kan vertellen, en dat je de bezoeker dus geen handvatten geeft om te kunnen genieten van dit zilveren exemplaar.

AK-RBK-16309-B

Theepot, porselein, 9 x 17 x 12 cm diameter, China, ca. 1700-1724, Rijksmuseum, inv. AK-RBK-16309-B, legaat J. Drucker Fraser, 1949

Dat een zilveren theepot duurder was dan een van porselein kan je op je klompen aanvoelen, maar het wordt interessanter als je weet hoe groot het verschil was. Op de porseleinveilingen van de VOC leverde een Chinees porseleinen theepot met een schildering in blauw rond 1700 90 cent op. Deze zilveren theepot kostte alleen al aan materiaal ruim veertig keer zoveel, en met arbeidsloon kon dat oplopen tot meer dan het dubbele daarvan. In New York is nu een hele tentoonstelling rond dat gegeven te zien, waarbij de contemporaine waarde van alle kunstwerken is uitgedrukt in hun tegenwaarde in koeien. Voor een zilveren theepot kocht je bijna vier melkkoeien, tegen een halve achterpoot voor haar equivalent in Chinees porselein.

In beide gevallen gaat het om voorwerpen die in hun eigen tijd relatief kostbaar waren, en het lijkt wel of moderne (kunst-)historici daar geen weg meer mee weten. Met een zeer geleerd gezicht worden alle soorten weggezet onder de noemer ‘luxe-industrie’, of afgedaan met een ‘dat is allemaal voor de pronk’. Niet alleen zijn beide termen inhoudsloos, maar ook suggestief: luxe impliceert immers dat het om overbodige voorwerpen gaat, en met ‘pronk’ zet je zowel de toenmalige opdrachtgever als de bezoeker (die wel in dit voorwerp is geïnteresseerd) weg als opschepper, al dan niet in commissie.

BK-1989-28 (2)

Theebus, zilver, verguld, 8,8 × 7,5 cm, Amsterdam 1677, onleesbaar meesterteken, Rijksmuseum, inv. BK-1989-28, schenking van mevrouw J.E. van Schendel-Reesink, Amsterdam.

Dit type (kunst-)historicus doet mij denken aan kolonialen op reis in donker Afrika : zo overtuigd van eigen morele superioriteit dat er geen enkele ruimte meer is voor de werkelijkheid van het gebied en de cultuur van de mensen die daar wonen. Voor een ieder van ons is het verleden een vreemd land met eigen gewoonten en waarden, en als je je dan laat verblinden door moderne morele veroordelingen ontgaat de werkelijkheid je totaal. Wil je weten wat er echt aan de hand was, dan moet je open vragen stellen. Bijvoorbeeld: Waarom werd vroeger zoveel meer tijd, geld en energie aan de theetafel besteed dan nu? Een deel van het antwoord is dat het drinken van thee vroeger een belangrijk ontvangstmoment voor vrouwen was, waarop zij haar vriendinnen kon laten zien wie zij was. Het gaat dus niet om zomaar een gebruiksvoorwerp, maar om een bijzonder object voor een bijzonder moment.

Opnamedatum: 2014-09-12

Dat zie je ook aan deze theepot, een voorbeeld van een nieuw type lichtspel dat vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw in Amsterdams zilver aanwijsbaar is. Op allerlei manieren werd gestreefd naar contrasten, waarvoor alles uit de kast werd gehaald. Om de scherpe overgangen tussen het gegraveerde patroon en de geruwde achtergrond te realiseren werden de patronen eerst uitgezaagd in een plaatje zilver en vervolgens op de achtergrond gesoldeerd. Dit is geen pronk, of duurdoenerij, maar een nu uiterst zeldzame getuigenis van een heel verfijnde en persoonlijke smaak.

De kracht van de verzamelaar

BK-NM-7322-B

Drie sierstukken, email pliqué, goud, gouddraad en email, gemiddeld 1,6 cm diameter, Parijs, ca 1300, ex. collectie Lupus, inv. BK-NM-7322.

Nederlandse openbare collecties kunnen niet zonder verzamelaars. Waar instanties niet altijd het belang van bepaalde soorten voorwerpen inzien, investeren zij veel tijd, geld en energie in het bij elkaar brengen van collecties; om te redden wat er nog te redden is van het verleden, of omdat ze meer willen weten van een bepaald aspect daarvan. De basis van de collecties edele metalen in het Rijksmuseum wordt gevormd door de schatten van de Utrechtse kapittelkerken, voorwerpen van opgeheven instanties als de West Indische Compagnie, en natuurlijk de kostbaarheden van het Koninklijk Huis die in 1816 in één van de voorgangers van het Rijksmuseum werden ondergebracht. Al heel snel kwamen daar de eerste particuliere verzamelingen bij.

BK-NM-7323 (3)

Plaquette met het oordeel van Paris, email op koper, 22,8 cm × 20,2 cm, Limoges?, ca. 1530, Rijksmuseum, ex collectie Lupus, inv. BK-NM-7323.

Nu heeft waarschijnlijk niemand ooit gehoord van Joseph-Désiré Wolff (Binche 1766-Brussel 1822), die zichzelf Joseph-Désiré, chevalier primat Lupus noemde. Hij was een kleurrijke figuur die tijdens de beginjaren van de Franse Revolutie in Parijs verbleef, en zich ontfermde over bedreigde kerkelijke goederen uit de Zuidelijke Nederlanden en het Noorden van Frankrijk. Zijn collectie werd in 1817 naar Brussel overgebracht, in zijn geheel aangekocht door de Staat der Nederlanden en ondergebracht in de nationale musea in Den Haag. Wat deze aankoop in retrospectief zo interessant maakt, is de volstrekte afwezigheid van historisch-nationalistische overwegingen. Volgens een Britse toerist was de verzameling in 1818 onder andere belangrijk vanwege de cameeën en intaglio’s uit de oudheid en de renaissance – nu in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden – en de verschillende soorten email. Voorbeelden zijn de drie plaatjes in email pliqué, waarvoor nu alleen parallellen bekend zijn in het Musée Cluny in Parijs. Ze behoren tot de uiterst zeldzame getuigen van de Parijse edelsmeedkunst rond 1300. Daaruit en uit andere voorbeelden blijkt overduidelijk dat het kennelijk om de spullen zelf ging, en dat betekent dat men in Den Haag in de vroege negentiende eeuw kennelijk streefde naar een Europees overzicht in hoogtepunten.

BK-NM-7323 (2)

De dichter Vergilius en zijn muze

Pas sinds kort is het belang duidelijk geworden van een omstreeks 1530 op koper geschilderde geëmailleerde plaquette uit dezelfde verzameling. Ze kan worden verbonden met een unieke serie die nu over allerlei musea wereldwijd is verspreid. De plaquette in het Rijksmuseum laat de eerste scène zien, en bevat de sleutel tot de ontcijfering van de betekenis ervan. Rechts bovenin zit de dichter Vergilius, en de reeks heeft dus kennelijk betrekking op één van zijn boeken. Als in een stripverhaal is hier het begin van de Aeneïs afgebeeld; alle ellende was begonnen met de keuze van de Trojaanse prins Paris voor de godin Venus, die van de Liefde. De door hem afgewezen godinnen Juno – de heerseres – en Minerva – de wijsheid – namen dat zo maar niet, en deden vervolgens alles om de Trojanen dwars te zitten. Zo hadden de schikgodinnen prins Aeneas beloofd dat hij de stad op de achtergrond op de berg -Carthago– zou veroveren, maar Juno stak daar vervolgens een stokje voor. De andere 81 plaquettes laten telkens een ander verhaal uit de omzwervingen van Aeneas zien.

BK-NM-7323 (5)

De schikgodinnen voor de stad Carthago

De serie is de eerste met een wereldlijk onderwerp die waarschijnlijk in het Franse Limoges werd gemaakt, en luidde daar een nieuwe bloeiperiode in. Wat we nog niet weten is hoe dit puzzelstukje past in het verhaal van de Nederlanden, al is uit andere bronnen inmiddels wel bekend dat het patroon veel internationaler was dan de klassiek vaderlands historicus graag zou willen.

Maar dat is niet de enige reden waarom ik het verhaal van Lupus wilde vertellen. Anders dan gevestigde musea hebben verzamelaars geen verzamelplan, en kunnen zij het zich dus veroorloven om te experimenteren. Zo heeft Annelies Krekel-Aalberse als één van de eersten de twintigste eeuw in zilver verkend, en gebruikte zij haar eigen verzameling als bron voor haar onderzoek en publicaties. Dankzij de inspanningen van Annelies, de Vereniging Rembrandt en de Mondriaan Stichting hebben de vier Nederlandse musea voor wie de kunstnijverheid van de twintigste eeuw een belangrijk zwaartepunt is – het Gemeentemuseum in Den Haag, Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Drents Museum in Assen en het Zilvermuseum in Schoonhoven – een belangrijk deel daarvan verworven en veilig gesteld voor ons allemaal. Maar het begint met de verzamelaar…

Een moment van hoop

Hanau doos in foedraal

Snuifdoos met gezichten op de Oude en de Nieuwe Beurs in Amsterdam, goud, 1.2 x 7.5 x 4.8 cm, Hanau, ca. 1845, Rijksmuseum Amsterdam, geschenk van de heren G. en W. Heijbroek, 2016, inv.nr. BK-2016-16.

Je zou het Nederlandse verhaal van het midden van de negentiende eeuw kunnen schetsen in de donkere en grauwe tinten van een decemberdag. Met andere woorden, je zou je kunnen laten leiden door de schoonheid van het verval, zoals wij die wij nu herkennen in de Britse en Amerikaanse industriesteden; verlaten terreinen en vervallen gebouwen getuigen van een volkomen vergane grandeur, en zijn plaatsen geworden waar alleen de kansarmen achtergebleven zijn. Dat gevoel van malaise tekent op allerlei manieren het Nederlandse beeld van de negentiende eeuw; het bepaalt de eigen verhouding tot de Gouden Eeuw, de verhouding tot het buitenland, en de verhoudingen tussen de steden onderling: jaloers keek de Amsterdammer bijvoorbeeld naar het jongere broertje Rotterdam, waar de grachten nog geen modderige stinksloten waren, en de Beurs nog niet tot een ruïne vervallen was.

RP-P-1905-441

Oude Beurs, gezien vanaf het Rokin, Jacob Folkema naar Jan de Beijer, ca. 1767, (RMA, RP-P-1905-441).

20161124_143725 (2)

De Oude Beurs gezien vanaf het Rokin op de doos,

Maar ik denk ook dat – net als nu – het verval relatief was. Ondanks alle schreeuwerij van moderne populisten, behoort Nederland nog steeds tot de grootste economieën ter wereld, en de basis daarvoor werd in de negentiende eeuw gelegd. Alle energie was toen gericht op herstel en wederopbouw. Waar de afbraak van de zeventiende-eeuwse Beurs van Hendrik de Keyser in 1835 het dieptepunt van het verval voor Amsterdam markeerde, was de opening van de nieuwe Beurs van Zocher in 1845 een teken van nieuwe hoop. Amsterdam had het keerpunt bereikt, en al zou de stad nooit meer de allesoverheersende positie bereiken die zij in de zeventiende eeuw had ingenomen, het ergste was voorbij.

ddd_010972653_mpeg21_p001_image

Het Nieuwe Beursgebouw te Amsterdam (Algemeen Handelsblad, 8-9-1845)

 

snuifdoos RMA boven (2)

Gezicht op de Nieuwe Beurs, met gefantaseerd beeld van Amsterdam, ca. 1845.

Eén van de voorwerpen die daarvan getuigen is een recent aan het Rijksmuseum geschonken gouden snuifdoos met topografische voorstellingen. Op de onderkant is het verleden weergegeven, de oude Beurs van Hendrik de Keyser gezien vanaf het Rokin. Op de belangrijkste plek, het deksel, staat de toekomst, de nieuwe Beurs die in september 1845 werd geopend. Dat er een direct verband was, valt af te leiden uit de beschrijving van de openingsceremonie van de Beurs in de Nederlandse kranten. De burgemeester van Amsterdam, Adriaan van der Hoop, schonk aan de architect van het beursgebouw een uiterst fraai gegraveerde gouden snuifdoos, waarop het nieuwe beursgebouw was afgebeeld.

De doos in het Rijksmuseum maakt onderdeel uit van een serie met dezelfde voorstellingen, en is niet alleen belangrijk omdat zij een voor Amsterdam belangrijk moment memoreert. Zij biedt ook inzicht in de nieuwe Nederlandse markt voor gouden snuifdozen en andere soorten grote bijouterie in de negentiende eeuw. Dat aspect heb ik uitgewerkt in een artikel, Een gouden doos uit Hanau voor de Nederlandse markt, dat net in het Jaarboek van de Stavelij verschenen is. Bestellen kan hier