Geschilderd goud

1280px-Uppsala_domkyrka_April_2013

Interieur van de kathedraal in Uppsala, Helgo Zetterwall, ca. 1893-1900, Zweden

Voor de zilver-fan lijkt Zweden niet de meest logische bestemming. De musea waar de belangrijkste verzamelingen worden bewaard, het National Museum in Stockholm en het Röhsska museum in Göteborg, staan in de steigers, en er is dus niets te zien. Aan de andere kant zie je in de kerken nu de resultaten van het werk van de Zweedse tegenhanger van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit – de Svenska Kyrkan. Zij proberen om kunstvoorwerpen zoveel mogelijk te tonen op de plek zelf, dus in het kerkgebouw. Niet dat dat ook altijd is aangegeven: dat bijvoorbeeld de in de late negentiende eeuw grondig gerestaureerde kathedraal van Uppsala heel spannend goud en zilver bezit, moet je weten.

P1040066

Kelk, goud, gouddraad, edelstenen, parels en email, h. 24,5 cm, Halle, voor 1513, door Hans Huiuff, Halle, Domkyrkan Uppsala, Zweden.

Voorwerpen van kostbare materialen zijn diefstalgevoelig, en om te voorkomen dat het erfgoed vanzelf de kerk uitloopt, moeten er dus allerlei voorzieningen worden getroffen. In Uppsala hebben ze het opgelost door in één van de torens een schatkamer te bouwen, die alleen toegankelijk is via een lift – en je krijgt een zaklamp mee om de details te kunnen zien. Mijn favoriet is een gouden, met email, parels en enorme edelstenen versierde miskelk. Het stuk is voor 1513 gemaakt voor één van de beroemdste kerkelijke schatkamers uit de zestiende eeuw, het Halle´sche Heiltum. De door de aartsbisschoppen van Sachsen in Halle aangelegde collectie bestond in 1526 uit duizenden relieken, waarvoor 353 gouden en zilveren, met emails en edelstenen versierde reliekhouders waren gemaakt. Hoewel vrijwel niets daarvan bewaard gebleven is – van slechts twintig exemplaren zijn fragmenten bekend – denken we dat we precies weten hoe de stukken er uit hebben gezien omdat ze in 1526 in een geschilderde inventaris zijn afgebeeld.

Kelch_vor_1513

Tekening van de kelk, uit het Halle’sche Heiltumsbuch, Bibliotheek Aschaffenburg, 1526.

Het feit dat één van de voorwerpen integraal bewaard gebleven is, maakt het mogelijk om de versie in het Halle´sche Heiltumsbuch te confronteren met het object zelf. Op de geschilderde versie zijn de edelstenen en de plekken waar ze zijn toegepast heel precies afgebeeld, maar minder aandacht ging er uit naar het ontwerp zelf. De door druiventakken en bladranken benadrukte gotische structuur is duidelijk te zien, en ook de scheiding tussen de belangrijkste onderdelen met panelen in email is getrouw weergegeven. Het stuk is dus zeker herkenbaar, maar wat de schilder niet lukt, is de weergave van het uiterst verfijnde, driedimensionale kleed dat over de kelk, de knoop en de voet is gelegd. Die rare kringeltjes op de tekening zijn in werkelijkheid lagen gouddraad, die als een mat damasten wolk om de hoogglanzende grondvorm zweeft. Evenmin is de schilder er in geslaagd om het samenspel en de variatie in kleur en glans te vangen. Juist door het gebruik van verschillende kleurstenen in verschillende patronen en de toepassing van verschillende variaties in mat en glanzend sprankelt het kunstwerk. Terecht was de maker ervan,  Hans Huiuff uit Halle, zo trots op het eindresultaat dat hij het voluit onder de voet signeerde.

csm_kathedrale-739_a85eb50c7d

Hoe het voorwerp vervolgens in Zweden terecht gekomen is? Zweedse legers vochten in de zeventiende eeuw in verschillende Duitse vorstendommen voor de Protestante zaak. Onder andere veroverden zij in 1631 Aschaffenburg, waar op dat moment het Halle´sche Heiltum werd bewaard. In 1632 werd de kelk door de jonge koningin Christina van Zweden (1626-1689) aan de kerk in Uppsala geschonken, tot meerdere eer en glorie van God, maar ongetwijfeld ook als herinnering aan de heldendaden van haar in dat jaar overleden vader, Gustav II Adolph (1594-1632). Op andere plekken in Uppsala is meer Duitse kunst te zien, zoals het kunstkabinet met inhoud, waarmee de stad Augsburg in dezelfde periode de plundering van de Zweedse troepen afkocht, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.

Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Sound the trumpet!

NG-NM-561

Natuurtrompet, zilver en passement in zijde en zilverdraad, 63,8 x 11,5 cm diam, London, 1-12-1813/30-3-1814, William Troby in opdracht van William Sandbach, in 1814 geschonken aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden door de lijfwacht te paard van Koning Willem I, Rijksmuseum, inv. NG-NM-561.

De afgelopen weken heeft het Rijksmuseum veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de muziek, die op een bijzondere manier door de bestaande opstelling verweven is. Vroeger speelde ik trompet, en het zal dan ook niemand verbazen dat ik een warm plekje heb voor de zilveren natuurtrompet waarvan de triomfantelijke klanken door de Waterloo zaal klinken.

Zilveren trompetten klinken niet anders dan dezelfde modellen in koper, en werden dus voor een speciaal doel in dat veel kostbaarder materiaal uitgevoerd. Dit exemplaar is een geschenk van Koningin Wilhelmina van Pruissen aan de lijfwacht te paard van Koning Willem I. Bij de ceremoniële intocht ter gelegenheid van de inhuldiging op 30 maart 1814 in Amsterdam omringde de lijfwacht de koets van de koningin.

RP-P-OB-87.095

Intocht van prins Willem Frederik te Amsterdam, 1813, ets, h 151mm × b 196mm, Rijksmuseum inv. RP-P-OB-87.095.

De lijfwacht te paard bestond uit vrijwilligers onder leiding van Jean Charles graaf van Bylandt (1776-1841). Na de aankomst van de prins op 30 november 1813 in Nederland werd daar nog steeds actief oorlog met de Fransen gevoerd, en de lijfwacht te paard zorgde voor de fysieke veiligheid van de koning zolang dat nodig was. In de zomer van 1814 werd het korps ontbonden. In overleg met de Koning werd vervolgens besloten om het ereteken onder te brengen in één van de voorlopers van het Rijksmuseum, het net opgerichte Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden in Den Haag. Als getuigenis van hun dapperheid en trouw, werden de reden van het geschenk en hun namen voluit op de beker van het instrument gegraveerd.

NG-NM-561 (4)

Volgens de krantenberichten had de koningin het stuk speciaal voor de gelegenheid in Engeland laten maken. Anders dan soms wel wordt gedacht, is de maker van het stuk niet de Londense instrumentmaker William Sandbach.  Waarschijnlijk is het instrument bij hem gekocht, en speelde hij in dit geval de rol van bemiddelaar. De opdracht is tussen 1 december 1813 en 30 maart 1814 uitgevoerd door de Londense zilversmid William Troby, die zich in 1812 net had laten inschrijven bij de Goldsmithshall. Het door Sandbach beschikbaar gestelde model in koper, is door Troby in zilver vertaald. Als bewijs dat het instrument aan materiaal minimaal 925/1000 zilver bevatte, en dat de in Engeland daartoe verschuldigde belasting was betaald, zijn alle onderdelen afzonderlijk door de Goldsmithshall gemerkt. Waarschijnlijk heeft de zilversmid ook de gedreven versiering van de mondrand bedacht en uitgevoerd.

Als één van de eerste aanwinsten van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in zilver, geeft het stuk een bijzonder inzicht in de signatuur van de verzameling die men in het begin van de negentiende eeuw voor ogen had. Bijzondere eigentijdse eretekenen werden ingezet als illustratie van de recente geschiedenis. Omdat het stuk al zo vroeg in de collectie is opgenomen, en dus maar enkele maanden is gebruikt, zijn zowel het instrument als het zilverpassement en de kwasten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Hoe zo’n pronkstuk klinkt kun je nu voor het eerst sinds 1814 weer horen:  Sound the Trumpet!

20170531_130559

Kracht en Voorzichtigheid

BK-1958-72

Bokaal van het kapiteinschap van Jan Berewout, zilver, gedeeltelijk verguld en geëmailleerd, H. 54,5 cm, diam. 17,4 cm, Amsterdam 1705, het corpus toegeschreven aan Jacobus van den Bergh II, de modellen door Jan Lanckhorst, Rijksmuseum, geschenk van de kunsthandel Rosenberg & Stiebel, New York, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Rijksmuseum, inv. BK-1958-72.

 

In de late Gouden Eeuw kende het Nederlandse zilver een grote verscheidenheid. Naast nauwelijks versierde volledig gladde voorwerpen, kenmerkend voor het strakke classicisme, ontstonden er ook veel complexere kunstwerken met een veel uitgesprokener versiering. Een heel team werd ingeschakeld: voordat het voorwerp kon worden gemaakt, werden ontwerp- en presentatietekeningen besteld, en soms ook driedimensionale modellen voor sculpturale onderdelen. Ook de realisatie van het object kon in handen zijn van verschillende specialisten; in dit geval werkte de zilversmid samen met gieters, drijvers, graveurs en emailleurs.

 

 

Opnamedatum: 2012-06-22

Zo’n hoogtepunt is de bokaal van het Groene Regiment van de Amsterdamse schutterij, geschonken door de officieren ter ere van hun meerdere, Jan Berewout (1666-1726). De sculpturen op het deksel en de voet zijn gemodelleerd door de beeldhouwer Jan Lanckhorst (1668-1744), en hij werkte ook aan de drie reliëfs op de bekerwand. De zilversmid, mogelijk Jacobus van den Bergh, was in eerste instantie coördinator, maar had ook een actieve rol. Hij maakte de gladde onderdelen, de sierranden, en zorgde ervoor dat de sculpturale onderdelen werden gegoten en afgewerkt. En ook daarvoor werd een beroep gedaan op een heel leger aan specialisten: ciseleurs, vergulders, emailleurs en graveurs. Doordat de zilversmid alle inspanningen coördineerde en controleerde kon een uitzonderlijke kwaliteit worden bereikt.

Opnamedatum: 2012-06-22

Monumentale Gesamt-kunstwerken uit de Gouden eeuw, zoals de paleizen van de stadhouders en de grote burgerij kwamen op dezelfde manier tot stand. Ook daar werkte een heel team kunstenaars aan één project, onder aanvoering van een coördinator. Toch is er ook een groot verschil; waar een sculptuur, schilderij of interieur voor een breed publiek was bedoeld, opent een zilveren kunstwerk zich alleen in klein comité. Alleen bij bijzondere gelegenheden kwam het stuk op tafel, en had dan automatisch de hoofdrol. Verzekerd van de volle aandacht van de kijker, konden zo complexe verhalen met meerdere lagen worden verteld.

De vrijstaande sculpturen verbeelden Kracht en Voorzichtigheid, begrippen die in de Republiek werden gebruikt als leidraad voor de militaire politiek. Als je investeert in een sterk leger, schrik je de vijand af, en kun je fysieke oorlog vermijden. Voorzichtigheid is de andere leidraad; misschien kom je er met praten ook wel uit en is het niet direct nodig om naar de wapens te grijpen. De voorstellingen op de wand breiden het verhaal uit; verhalen uit de klassieke oudheid worden ingezet als waarschuwing tegen broedertwist en als leidraad voor het bewaren van de harmonie, waardoor de overwinning binnen handbereik ligt. Daardoor wordt de bokaal een uitdrukking van de identiteit van de officieren van de Amsterdamse schutterij.

Opnamedatum: 2012-06-22

 

Een ideaal museum

RMA-SSA-F-00313-1

Westelijke binnenplaats voor de verbouwing, daglichtcollodiumzilverdruk, 11 x 8 cm, 1927, door A.S. Schmidt Degener, RMA-SSA-F-00313-2

Net als alle andere musea kan ook het Rijksmuseum lang niet alles tonen wat ze heeft. Wat je toont en wanneer hangt af van het verhaal dat je aan het publiek wilt vertellen, en natuurlijk van de hoeveelheid ruimte die je voor dat verhaal beschikbaar hebt. Sommige thema’s komen zelden aan bod, maar dat betekent niet dat de voorwerpen oninteressant en dus overbodig zijn. Zo bezat het museum ooit een omvangrijke verzameling driedimensionale reproducties van kunstvoorwerpen in gips en metaal, waarvan nu nog maar een heel klein deel bewaard gebleven is. Van de ruim 1600 voorwerpen die in 1915 in een catalogus zijn beschreven – en waarvan een deel hier op de foto te zien is – bleven alleen de ruim 70 reproducties in metaal bewaard. De rest is letterlijk weggegooid, omdat ze in de twintigste eeuw als waardeloze kopieën werden beschouwd.

BK-NM-5298

Galvanoplastische reproductie van een deel van de Popta-schat, verzilverd koper, 1881, Firma Elkington & Co, Birmingham, Rijksmuseum, inv.nrs. BK-NM-5298 – BK-NM-5305.

Daarmee verdween ook een belangrijk deel van de geschiedenis van het Rijksmuseum. Beter dan foto’s of tekeningen geven driedimensionale reproducties een idee van maat, vorm en uitwerking, en ze werden dan ook in eerste instantie benut als een driedimensionaal beeldarchief van voorwerpen die onbereikbaar waren voor het Rijksmuseum omdat ze te kostbaar waren of inmiddels verloren waren gegaan. Daarnaast werden reproducties gebruikt als model in het tekenonderwijs van de verschillende onderwijsinstellingen die in de gebouwen van het Rijksmuseum waren gevestigd, de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Grote buitenlandse musea hebben deze deelverzamelingen al lang geleden nieuw leven in geblazen. Zo zijn de galvanoplastische reproducties van het Victoria & Albert Museum in Londen sinds 1995 opgenomen in de Silver Galleries, als pregnante voorbeelden van de nieuwe technische mogelijkheden die in de negentiende eeuw beschikbaar waren. Het Metropolitan Museum in New York stelde in 2011 hun verzameling reproducties centraal om te laten zien hoe onze waardering is veranderd. Als je kijkt naar de keuzes die in de negentiende eeuw werden gemaakt, blijkt immers precies wat toen belangrijk werd gevonden, of met andere woorden, wat toen de canon was.

Jamnitzer-cup

Akeleibokaal, zilver, h 69 cm, Neurenberg, ca. 1550-1575, het ontwerp toegeschreven aan Wenzel Jamnitzer, Victoria & Albert Museum, London, inv. M-150-1872.

Hoewel nog heel veel onderzoek nodig is, is nu al duidelijk dat de hoogtepunten van de edelsmeedkunst van mijn voorgangers in het Rijksmuseum voor een deel ook de onze zijn; de Poptaschat in het Fries Museum is nog steeds één van de belangrijkste ensembles van het Nederlandse zilver en het is dus direct te begrijpen waarom de moeite werd genomen om daarvan een kopie voor de verzameling in Amsterdam te laten maken. Verrassender is dat men toen ook al het Nederlandse zilver plaatste in een internationaal kader, en dus ook kopieën bestelde van verschillende hoogtepunten van de Europese edelsmeedkunst. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de door Wenzel Jamnitzer ontworpen meesterproef van het Neurenbergse goudsmedengilde. Voor het Rijksmuseum waren de originelen toen zeker onbereikbaar omdat de fondsen ontbraken om zulke grote aankopen te kunnen doen. Met kopieën kon een voorschot daarop worden genomen, en een ideaal museum worden samengesteld. Honderddertig jaar later kan worden vastgesteld dat de dromen uit 1881 inmiddels grotendeels zijn gerealiseerd, maar dat er ook nog heel veel te wensen overblijft.

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.