Geschilderd goud

1280px-Uppsala_domkyrka_April_2013

Interieur van de kathedraal in Uppsala, Helgo Zetterwall, ca. 1893-1900, Zweden

Voor de zilver-fan lijkt Zweden niet de meest logische bestemming. De musea waar de belangrijkste verzamelingen worden bewaard, het National Museum in Stockholm en het Röhsska museum in Göteborg, staan in de steigers, en er is dus niets te zien. Aan de andere kant zie je in de kerken nu de resultaten van het werk van de Zweedse tegenhanger van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit – de Svenska Kyrkan. Zij proberen om kunstvoorwerpen zoveel mogelijk te tonen op de plek zelf, dus in het kerkgebouw. Niet dat dat ook altijd is aangegeven: dat bijvoorbeeld de in de late negentiende eeuw grondig gerestaureerde kathedraal van Uppsala heel spannend goud en zilver bezit, moet je weten.

P1040066

Kelk, goud, gouddraad, edelstenen, parels en email, h. 24,5 cm, Halle, voor 1513, door Hans Huiuff, Halle, Domkyrkan Uppsala, Zweden.

Voorwerpen van kostbare materialen zijn diefstalgevoelig, en om te voorkomen dat het erfgoed vanzelf de kerk uitloopt, moeten er dus allerlei voorzieningen worden getroffen. In Uppsala hebben ze het opgelost door in één van de torens een schatkamer te bouwen, die alleen toegankelijk is via een lift – en je krijgt een zaklamp mee om de details te kunnen zien. Mijn favoriet is een gouden, met email, parels en enorme edelstenen versierde miskelk. Het stuk is voor 1513 gemaakt voor één van de beroemdste kerkelijke schatkamers uit de zestiende eeuw, het Halle´sche Heiltum. De door de aartsbisschoppen van Sachsen in Halle aangelegde collectie bestond in 1526 uit duizenden relieken, waarvoor 353 gouden en zilveren, met emails en edelstenen versierde reliekhouders waren gemaakt. Hoewel vrijwel niets daarvan bewaard gebleven is – van slechts twintig exemplaren zijn fragmenten bekend – denken we dat we precies weten hoe de stukken er uit hebben gezien omdat ze in 1526 in een geschilderde inventaris zijn afgebeeld.

Kelch_vor_1513

Tekening van de kelk, uit het Halle’sche Heiltumsbuch, Bibliotheek Aschaffenburg, 1526.

Het feit dat één van de voorwerpen integraal bewaard gebleven is, maakt het mogelijk om de versie in het Halle´sche Heiltumsbuch te confronteren met het object zelf. Op de geschilderde versie zijn de edelstenen en de plekken waar ze zijn toegepast heel precies afgebeeld, maar minder aandacht ging er uit naar het ontwerp zelf. De door druiventakken en bladranken benadrukte gotische structuur is duidelijk te zien, en ook de scheiding tussen de belangrijkste onderdelen met panelen in email is getrouw weergegeven. Het stuk is dus zeker herkenbaar, maar wat de schilder niet lukt, is de weergave van het uiterst verfijnde, driedimensionale kleed dat over de kelk, de knoop en de voet is gelegd. Die rare kringeltjes op de tekening zijn in werkelijkheid lagen gouddraad, die als een mat damasten wolk om de hoogglanzende grondvorm zweeft. Evenmin is de schilder er in geslaagd om het samenspel en de variatie in kleur en glans te vangen. Juist door het gebruik van verschillende kleurstenen in verschillende patronen en de toepassing van verschillende variaties in mat en glanzend sprankelt het kunstwerk. Terecht was de maker ervan,  Hans Huiuff uit Halle, zo trots op het eindresultaat dat hij het voluit onder de voet signeerde.

csm_kathedrale-739_a85eb50c7d

Hoe het voorwerp vervolgens in Zweden terecht gekomen is? Zweedse legers vochten in de zeventiende eeuw in verschillende Duitse vorstendommen voor de Protestante zaak. Onder andere veroverden zij in 1631 Aschaffenburg, waar op dat moment het Halle´sche Heiltum werd bewaard. In 1632 werd de kelk door de jonge koningin Christina van Zweden (1626-1689) aan de kerk in Uppsala geschonken, tot meerdere eer en glorie van God, maar ongetwijfeld ook als herinnering aan de heldendaden van haar in dat jaar overleden vader, Gustav II Adolph (1594-1632). Op andere plekken in Uppsala is meer Duitse kunst te zien, zoals het kunstkabinet met inhoud, waarmee de stad Augsburg in dezelfde periode de plundering van de Zweedse troepen afkocht, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.

Advertenties

Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Goud voor de Grootvorst

sk-c-203

De prinses van Oranje ontvangt Alexander II (1818-1881), grootvorst en troonopvolger van Rusland, in het Czaar Peterhuisje te Zaandam, 17 april 1839, Christiaan Julius Lodewijk Portman, 1839 – 1840, olieverf op doek, h 118,5cm × b 144cm, Rijksmuseum SK-C-203, in bruikleen van de stad Amsterdam.

In 1839 verbleef de Russische kroonprins Alexander enkele weken in Nederland, en werd er ontvangen door de in Rusland geboren Nederlandse kroonprinses Anna Paulowna. Eén van de hoogtepunten was het bezoek aan het dorp Zaandam, in het huisje waar in de late zeventiende eeuw hun voorvader Peter de Grote als timmerman had geleefd. We weten precies hoe de grootvorst werd ontvangen; de prinses zelf bood de gast naar Oud Russische gewoonte het brood en het zout aan. Het moment is weergegeven door de toen zeer gewaardeerde schilder Christiaan Julius Lodewijk Portman in opdracht van de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop.

sk-c-203-2

Het gouden bord en het zoutvat dat bij die gelegenheid werd gebruikt, en vervolgens aan de Russische grootvorst cadeau werd gedaan, is in het midden van het schilderij afgebeeld. Hoe het er uitzag weten we omdat het in de kranten precies werd omschreven. De rand van het bord, dat groter was dan een gewoon tafelbord, was versierd met een inscriptie in het Russisch waarin het bezoek werd gememoreerd. Op het plat was een oorlogsschip afgebeeld, met de naam Frederik Hendrik , naneef van Peter den Grooten. Het belangrijkste stuk was de zeskantige vaas die als zoutvat werd gebruikt. De voorkant was versierd met het portret van Peter de Grote in email, de zijden met grote halfedelstenen, een dieppaarse Russische amethist en een helderrode granaat, en op de achterkant was het Alziend Oog gegraveerd.

Portman zal precies hebben geweten hoe het stuk er uit zag. Het was gemaakt en ontworpen door de Amsterdamse goudsmid en juwelier Friedrich August Fürstenhaupt, de actieve firmant van het bedrijf Fürstenhaupt en Dammerval op de Oude Turfmarkt. Net als Portman was ook Fürstenhaupt lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae, en de juwelier kan hem dus heel goed de ontwerpen hebben laten zien. Voor ons beeld van de negentiende eeuw is het gegeven belangrijk omdat het duidelijk maakt dat ook in een periode van economische krimp nog steeds belangrijke grote gouden werken in Amsterdam konden worden gemaakt, en dat ook ambitieuze scheppingen in email tot de mogelijkheden behoorden. De voorwerpen zelf zijn voor zover bekend niet bewaard, maar dankzij de krant en het schilderij bestaat er toch een indruk van.

Romantisch goud voor Amsterdam

Opnamedatum: 2012-12-05

Zakhorloge, goud en email, diameter 5,3 cm, Frères Lurasco à Amsterdam, uitgevoerd in Genève, ca. 1790-1810, Rijksmuseum Amsterdam, legaat Maurits Elzas, 1937, BK-15011 

Eén van mijn favorieten in de verzameling horloges van het Rijksmuseum heeft alles wat omstreeks 1800 belangrijk werd gevonden. In eerste instantie gaat de aandacht uit naar de voorstelling, bijzonder omdat het romantische beeld van een meisje dat twee duiven in veiligheid brengt voor een loerende kat ideeën uit de contemporaine schilderkunst weerspiegelt. Toen het uurwerk in 1921 werd aangeschaft, werd zelfs een direct verband gelegd met een portret van de Britse pastellist John Russell (1745-1806) uit 1792. De terughoudende omlijsting sluit aan bij het geabstraheerde classicisme dat in de jaren 1790 de laatste mode was.

 

De namen die op de wijzerplaat en het uurwerk zijn aangebracht, laten zien dat dit horloge bedoeld was voor de Nederlandse markt. Het adres is dat van de gebroeders Carlo en Lucas Lurasco, die in maart 1797 het bedrijf van hun vader Lucas hadden overgenomen, en vanaf juni 1797 over twee winkels konden beschikken; één in het hart van de stad op de Nieuwendijk en één in de meest vooraanstaande winkelstraat van Amsterdam, de Kalverstraat. Onder de naam gebroeders Lurasco zou het bedrijf tot 1867 blijven bestaan; vanaf 1835 werd het gevoerd door een kleinzoon van de oprichters, Carel Pieter Lurasco (1812-1871), en was de nadruk verschoven naar sculpturaal brons.

De gebroeders behoorden tot een kleine groep Italiaanse handelaren die zich in de loop van de achttiende eeuw in Amsterdam hadden gevestigd. Hun vader Lucas was gespecialiseerd in wetenschappelijke instrumenten als barometers en thermometers, en zij breidden het assortiment in de late achttiende eeuw met klokken, horloges en verschillende soorten kleine gouden geëmailleerde werken uit. Deze categorie werd niet in Amsterdam gemaakt, maar uit Zwitserland geïmporteerd. Daar was in de achttiende eeuw in Genève een grote industrie op dit terrein ontstaan, die vanwege het lagere gehalte en de schaal van de productie langzamerhand de Europese markt veroverde. Eén van de belangrijkste was de firma Chevalier & Cie, die onder andere horloges maakte met scènes naar Fragonard.

h3116-l105411452

Hoe belangrijk de buitenlandse productie voor Nederland was, blijkt uit de regelgeving die in 1751 door de Staten Generaal werd vastgelegd, en waarin zij bepaalden dat de handel in gemonteerd buitenlands goud van 18 karaat was toegestaan, zo lang deze maar niet als Nederlands goud van 22 karaat werden verkocht. Het resultaat daarvan was onder andere dat het in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds minder lonend werd om gouden horlogekasten in Nederland te laten maken. Als je naar het hoogst modieuze en verfijnd uitgewerkte Zwitserse horloge van het Rijksmuseum kijkt, begrijp je precies waarom.

Opnamedatum: 2012-12-05

Paraderende pauwen en bezadigde heren

SK-A-816

Portret van Gerard Cornelis van Riebeeck, Mattheus van der Heyden, 1755, olieverf op doek, h 206 cm × b 122 cm, SK-A-816, Schenking van jhr. J.H.F.K. van Swinderen, Groningen, 1884.

Aan de kleren van de man viel in de achttiende eeuw veel te beleven. De bonte kleuren, kostbare stoffen en uitbundige borduursels springen je op de Catwalk in het Rijksmuseum in het oog. Op sommige portretten is te zien hoe zo’n modieus ensemble gedragen werd. Het goud lakense vest van de Delftse stadssecretaris Gerard Cornelis van Riebeeck (1722-1759) met de geborduurde bloemen steelt de show, des te meer omdat zijn broek en overjas in stemmig grijs zijn gehouden. In het geweld gaan zijn sieraden bijna onder, alleen als je heel goed kijkt vallen de gouden knopen en het sierdegen met de gouden greep op.

SK-A-3954

Portret van een heer, Jan Maurits Quickhardt, 1744, olieverf op koper, h 34 cm × b 26,5 cm, SK-A-3954, Legaat van F.G.S. baron van Brakell tot den Brakell, Arnhem, 1878.

Op het eerste gezicht lijkt de heer uit de familie Van den Brakell tot den Brakell veel eenvoudiger gekleed. Het beeld wordt in zijn geval bepaald door stemmig zwart. Alle aandacht gaat daardoor naar een wandelstok met een gedetailleerd versierde gouden knop. De schilder heeft het lichtspel op het goud mooi gevangen, maar jammer genoeg zijn de voorstellingen op de knop onleesbaar.

BK-VBR-395

Wandelstokknop, Amsterdam, 1750, door Louis Metayer, goud, 6,6 x 3,8 cm, BK-VBR-395, Legaat van F.G.S. baron van Brakell tot den Brakell, Arnhem, 1878.

Gouden wandelstokknoppen met complexe versieringen werden in de achttiende eeuw wel ingezet om te laten zien hoe je over voor jou belangrijke zaken dacht. Een van de mooiste in het Rijksmuseum is overal versierd met spelende kindertjes, die door de voorwerpen in hun handen kunnen worden geïdentificeerd als verbeeldingen van de kunsten, de muziek, de schilderkunst en de beeldhouwkunst. Daaruit valt in ieder geval af te leiden dat de eigenaar een liefhebber van de kunsten moet zijn geweest, maar er is veel meer aan de hand. Doordat de belangrijkste plaats -bovenop- wordt ingenomen door de wetenschap, worden de kunsten in dat perspectief geplaatst. Voor de achttiende-eeuwer zal duidelijk zijn geweest dat de eigenaar daarmee een duidelijk standpunt innam in het toen levendige debat tussen de voorstanders en tegenstanders van de klassieke regels van de kunst. Voor de eigenaar waren de wetenschappen en de kunsten met elkaar verbonden, en hij onderstreepte hier dan ook dat hij tot de classicistische stroming behoorde.

 

 

Blingbling masters

Mensen kijken het liefste naar andere mensen, en beoordelen elkaar in een fractie van een seconde op het uiterlijk. Vandaar dat er veel aandacht aan wordt besteed, en dat dat niet iets van onze tijd is, kun je op dit moment zien op de Catwalk van het Rijksmuseum.

BK-1959-19

Snuifdoos met ruïnes, Amsterdam, 1739, toegeschreven aan Jean Saint, goud, 3,1 x 7,6 × 5,7 cm, BK-1959-19.

Net zo belangrijk als de kleren en het kapsel waren de gadgets die je bij je hebt. In de achttiende eeuw ging in het elegante Europa niemand de deur uit zonder gouden snuif- of tabaksdoos. Sommigen bezaten zelfs hele collecties, voor ieder jaargetijde, en voor elke gelegenheid één. Zo bezat Carl Anselm, fürst von Thurn und Taxis (1733-1805) er maar liefst 67, waarvan het grootste gedeelte zich nu in het Bayerisches National Museum in München bevindt.

BK-17151

Snuifdoos met bloemboeketten, Parijs, ca. 1752, toegeschreven aan Lazare Antoine Clérin, goud en email, 3,4 × 7,3 × 5,2cm, BK-17151.

In het Rijksmuseum kun je zien hoe groot de Europese verscheidenheid was. Er zijn gouden dozen met versieringen in reliëf, bezaaid met diamanten, of versierd met schilderingen in email. Anderen bestaan uit geslepen panelen van een halfedelsteen, zoals degene met vlechtwerk uit band-agaat en kornalijn.

BK-17162.jpg

Snuifdoos, Dresden, ca. 1770, toegeschreven aan Johann Christian Neuber, goud, bandagaat, kornalijn, diamant en robijn, 3,4 × 6,4 × 5,2cm, BK-17162.

Ongetwijfeld werden ze ook door Nederlandse regenten gekocht en besteld. Uit dagboeken en brieven weten we dat op de elegante salons in de steden het snuiven van tabak omgeven was met een heel ritueel. Als een man zijn snuifdoos aanbood aan een vrouw, of bijzondere aandacht besteedde aan de samenstelling van haar snuif, spitsten de huwelijksmakelaars hun oren en slepen hun pennen…
Als ik om me heen kijk, is er niet zo heel veel veranderd. Waarom zou je anders zoveel aandacht besteden aan het hoesje van je telefoon?

BK-17142

Snuifdoos, Parijs, ca. 1758-1760, door Jean Ducrollay, goud en email, 3,6 × 7,1 × 5,6 cm, BK-17142.

Tot eer van de vrouwen

BK-KOG-2654

Parure van goud, bestaande in een collier, een armband, een broche, een paar oorhangers en een paar knopen, goud en email, 1854-ca. 1858, J. M van Kempen, Utrecht, Rijksmuseum, in bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, BK-KOG-2654

In één van de vitrines in de negentiende eeuw  ligt een serie bij elkaar horende sieraden met portretten van verschillende vrouwen; op de armband Amalia van Solms, op het collier Maria van Reigersberch, op de broche Maria van Utrecht en op de oorhangers en de knopen respectievelijk Maria van Bourgondië, Jacoba van Beieren, Anna en Maria Tesselschade.

Allen hebben een belangrijke rol gespeeld in de Nederlandse geschiedenis. Jacoba van Beieren (1401-1436), de laatste gravin van Holland, en Maria van Bourgondië (1457-1482), de erfgename van de Bourgondische landen, traden beiden als zelfstandige staatsvrouwen op. Aan de laatste danken de Staten Generaal het Groot Privilege uit 1477, waarmee deze vertegenwoordiging meer en nieuwe bevoegdheden kreeg, maar ook de positie van de afzonderlijke provincies werden gewaarborgd.

Maria van Utrecht (1551-1629), de echtgenote van Johan van Oldenbarneveld, en Maria van Reigersberch (1589-1653), de echtgenote van Hugo de Groot, steunden hun mannen op allerlei manieren in hun  politieke lot.  Ook voor de kunsten is een rol weggelegd. De dichteressen  Anna (1583-1651) en Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649) maakten deel uit van de Muiderkring. Amalia van Solms (1602-1675) wordt tot slot geëerd als de vorstelijke opdrachtgeefster, die na de dood van Frederik Hendrik de bouw en decoratie van de Oranjezaal mogelijk had gemaakt.

BK-KOG-2654-A

Collier met medaillon

Waarom juist deze vrouwen op deze gouden set zijn afgebeeld? In de negentiende eeuw brak de negentiende-eeuwse dichter Everhardus Johannes Potgieter (1808-1875) op verschillende momenten een lans voor de ‘Vrouwen, welker wedergade de wereld buiten Holland niet had!’ In vervoering raakte hij van de portretten van Maria van Utrecht en Maria van Reigersbergen: ‘Blikt ons de bitter beproefde Maria van Utrecht, Oldenbarneveldt’s weduwe, niet aan? Bewondert ge met mij de beminnelijke Maria van Reigersbergen niet?’

 

BK-KOG-2654-A-03

binnenzijde van het medaillon, met een foto van Potgieter en een lok van diens haar.

Zelf was Potgieter niet getrouwd, maar woonde samen met zijn tante Wilhelmina van Ulsen, die hem stimuleerde en uit depressies trok. In de herinneringen van een vriend, J.C. van Zilcken, wordt de rol van tante specifiek in de herinnering gebracht, maar worden ook de speciaal voor haar gemaakte sieraden genoemd, ‘bestaande in medaillons met de beeltenissen van de beroemdste hollandsche vrouwen’ .

 

Voor mij zijn deze gegevens essentieel, omdat je pas als je de achtergrond kent, kunt achterhalen wat er precies wordt verteld. Potgieters lofzangen op historische vrouwen, die een belangrijke kleur aan het Nederland van de middeleeuwen en Gouden Eeuw hadden gegeven, zouden op iedere Hollandse vrouw van toepassing kunnen zijn, maar juist doordat hij deze serie heeft laten maken voor zijn eigen steun en toeverlaat verandert deze van betekenis. Het wordt een blijk van waardering in de trant van : achter iedere sterke man, staat een sterke vrouw!