Juwelen centraal

Eén van de aspecten van de verzamelingen van het Rijksmuseum is dat de aandacht zich concentreert op de kunstwerken zelf, en veel minder op het maakproces. Het gevolg daarvan is dat je in de presentaties niet kunt zien hoe de voorwerpen werden gemaakt, en evenmin welke gereedschappen daarvoor nodig waren. In kunstnijverheid gespecialiseerde musea als DIVA in Antwerpen en het Zilvermuseum in Schoonhoven verzamelen wel getuigen van het maakproces, en kunnen dat dus veel beter.
Voordat voorwerpen in productie werden genomen, werden net als voor schilderijen voorstudies en tekeningen gemaakt, en voor heel bijzondere driedimensionale modellen. Dankzij het Decorative Art Fund konden vanaf 2013 tekeningen worden aangekocht, met als idee dat daarmee het creatief proces in beeld kon worden gebracht. Ontwerpen voor juwelen en sieraden zijn op dit moment op verschillende plekken in het museum te zien, telkens gecombineerd met enkele juwelen en sieraden. Het is een voorproefje op het juwelensymposium dat door de samensteller, junior conservator Suzanne van Leeuwen, in november wordt georganiseerd.

RP-T-2014-19

Ontwerp voor een plaque voor een collier de chien, 280 × 221 mm, Parijs, ca. 1901-1903, Rijksmuseum, toegeschreven aan René Lalique, Aankoop met steun van Chris van Otterloo en het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-19

 

 

Nu tekeningen, prenten en juwelen met elkaar worden gecombineerd, wordt duidelijk dat je vragen moet stellen bij de precieze functie van deze kunstwerken op papier. Het meeste weten we over de negentiende eeuw, toen de hervormers in de kunstnijverheid op het standpunt stonden dat aan ieder voorwerp een getekend ontwerp ten grondslag moest liggen. Eerste ideeën werden in schetsen verkend, conclusies uitgewerkt in presentatietekeningen, en vervolgens omgewerkt tot technische tekeningen om het stuk ook te kunnen maken. De laatste -een soort bouwtekening- is onmisbaar bij voorwerpen uit kostbare materialen omdat verschillende specialisten bij de realisatie daarvan betrokken waren. De tekening diende als ijkpunt en communicatiemiddel.
Een voorbeeld daarvan is een tekening van René Lalique, waarschijnlijk een plaque voor een collier de chien op ware grootte. Vergelijking van dit object met nog bekende gerealiseerde varianten laat zien dat het ontwerp door verschillende specialisten werd uitgevoerd. Het raamwerk en het lijnenspel waaruit de abstracte, aan bladeren herinnerende motieven zijn samengesteld, werden door de edelsmid uitgevoerd in metaal. De kleuren door de emailleurs vertaald in een combinatie van doorschijnend en ondoorschijnend glas. De bessen van de maretakken werden tot slot verbeeld door parels, die door de juweliers werden toegevoegd.

 

1900.449-1

Collier de chien, parels, goud en email, het middenstuk ontworpen en gesigneerd door René Lalique, Hamburg, Museum für Kunst und Gewerbe, verworven op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.

 

Dat in een atelier ook hele andere opdrachten werden vergeven, en het creatief proces dus ook veel minder lineair verliep, blijkt uit enkele schetsbladen van de Franse ontwerper Henri Cameré (1830-1894). In het derde kwart van de negentiende eeuw werkte hij onder andere voor het juwelen- en zilverhuis Froment-Meurice in Parijs. Een blad dat op het eerste oog verschillende voorwerpen laat zien die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, blijkt – als je de teksten leest – een voorstudie voor een serie hoedenspelden. De bollen geven de vorm van de knop weer, de ronde tekeningetjes details van hetzelfde object in verschillende variaties. De teksten verwijzen naar een serie modellen voor knopen, waaruit volgt dat niet alle varianten in de tekening waren uitgewerkt. Kennelijk ging het in dit geval dus ook niet zozeer om een eigen idee van Cameré, maar om een omwerking van een door een ander ontwikkelde serie. Het juweliershuis had een reeks hoedenspelden voor ogen die naadloos aansloot bij de knopen die ze al verkochten, en had Cameré de opdracht gegeven om te bedenken hoe dat kon worden gerealiseerd.

 

Opnamedatum 2016-01-19

Schetsblad met ontwerpen voor een reeks hoedenspelden, 156 x 119 cm, Parijs, gesigneerd door Henri Cameré, ca. 1880-1890, Aankoop met steun van het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-18-27.

 

 

Advertenties

Geschilderd goud

1280px-Uppsala_domkyrka_April_2013

Interieur van de kathedraal in Uppsala, Helgo Zetterwall, ca. 1893-1900, Zweden

Voor de zilver-fan lijkt Zweden niet de meest logische bestemming. De musea waar de belangrijkste verzamelingen worden bewaard, het National Museum in Stockholm en het Röhsska museum in Göteborg, staan in de steigers, en er is dus niets te zien. Aan de andere kant zie je in de kerken nu de resultaten van het werk van de Zweedse tegenhanger van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit – de Svenska Kyrkan. Zij proberen om kunstvoorwerpen zoveel mogelijk te tonen op de plek zelf, dus in het kerkgebouw. Niet dat dat ook altijd is aangegeven: dat bijvoorbeeld de in de late negentiende eeuw grondig gerestaureerde kathedraal van Uppsala heel spannend goud en zilver bezit, moet je weten.

P1040066

Kelk, goud, gouddraad, edelstenen, parels en email, h. 24,5 cm, Halle, voor 1513, door Hans Huiuff, Halle, Domkyrkan Uppsala, Zweden.

Voorwerpen van kostbare materialen zijn diefstalgevoelig, en om te voorkomen dat het erfgoed vanzelf de kerk uitloopt, moeten er dus allerlei voorzieningen worden getroffen. In Uppsala hebben ze het opgelost door in één van de torens een schatkamer te bouwen, die alleen toegankelijk is via een lift – en je krijgt een zaklamp mee om de details te kunnen zien. Mijn favoriet is een gouden, met email, parels en enorme edelstenen versierde miskelk. Het stuk is voor 1513 gemaakt voor één van de beroemdste kerkelijke schatkamers uit de zestiende eeuw, het Halle´sche Heiltum. De door de aartsbisschoppen van Sachsen in Halle aangelegde collectie bestond in 1526 uit duizenden relieken, waarvoor 353 gouden en zilveren, met emails en edelstenen versierde reliekhouders waren gemaakt. Hoewel vrijwel niets daarvan bewaard gebleven is – van slechts twintig exemplaren zijn fragmenten bekend – denken we dat we precies weten hoe de stukken er uit hebben gezien omdat ze in 1526 in een geschilderde inventaris zijn afgebeeld.

Kelch_vor_1513

Tekening van de kelk, uit het Halle’sche Heiltumsbuch, Bibliotheek Aschaffenburg, 1526.

Het feit dat één van de voorwerpen integraal bewaard gebleven is, maakt het mogelijk om de versie in het Halle´sche Heiltumsbuch te confronteren met het object zelf. Op de geschilderde versie zijn de edelstenen en de plekken waar ze zijn toegepast heel precies afgebeeld, maar minder aandacht ging er uit naar het ontwerp zelf. De door druiventakken en bladranken benadrukte gotische structuur is duidelijk te zien, en ook de scheiding tussen de belangrijkste onderdelen met panelen in email is getrouw weergegeven. Het stuk is dus zeker herkenbaar, maar wat de schilder niet lukt, is de weergave van het uiterst verfijnde, driedimensionale kleed dat over de kelk, de knoop en de voet is gelegd. Die rare kringeltjes op de tekening zijn in werkelijkheid lagen gouddraad, die als een mat damasten wolk om de hoogglanzende grondvorm zweeft. Evenmin is de schilder er in geslaagd om het samenspel en de variatie in kleur en glans te vangen. Juist door het gebruik van verschillende kleurstenen in verschillende patronen en de toepassing van verschillende variaties in mat en glanzend sprankelt het kunstwerk. Terecht was de maker ervan,  Hans Huiuff uit Halle, zo trots op het eindresultaat dat hij het voluit onder de voet signeerde.

csm_kathedrale-739_a85eb50c7d

Hoe het voorwerp vervolgens in Zweden terecht gekomen is? Zweedse legers vochten in de zeventiende eeuw in verschillende Duitse vorstendommen voor de Protestante zaak. Onder andere veroverden zij in 1631 Aschaffenburg, waar op dat moment het Halle´sche Heiltum werd bewaard. In 1632 werd de kelk door de jonge koningin Christina van Zweden (1626-1689) aan de kerk in Uppsala geschonken, tot meerdere eer en glorie van God, maar ongetwijfeld ook als herinnering aan de heldendaden van haar in dat jaar overleden vader, Gustav II Adolph (1594-1632). Op andere plekken in Uppsala is meer Duitse kunst te zien, zoals het kunstkabinet met inhoud, waarmee de stad Augsburg in dezelfde periode de plundering van de Zweedse troepen afkocht, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

Op zoek naar diamantjuwelen

Opnamedatum: 2012-05-30

Bloemranken, diamant gezet in zilver en goud, Amsterdam?, ca 1850

De tentoonstelling “Amsterdamsche kerkschatten”, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog in Museum Amstelkring werd geopend, werd in de pers uitgebreid besproken. Vooral positief waren de kranten over het feit dat de getoonde monstransen speciaal voor de gelegenheid waren ‘uitgekleed’; ontdaan van de vrachten juwelen en sieraden die daar in het verleden aan waren toegevoegd. De overweging was een esthetische: zonder de “juweelen, halskettingen, broches, snoeren van paarlen en al die dergelijke fraaijigheden, die door welgestelde katholieken in de loop van de tijd voor den monstrans geschonken werden, meer uit goede bedoelingen dan met goede smaak”, kwamen vormen en verhoudingen beter tot hun recht.

Opnamedatum: 2012-05-30

Monstrans, goud, verguld zilver, glas en diamant,  69 x 32,5 cm, Antwerpen?, ca. 1675-1700, Rijksmuseum, inv. BK-1968-31

Ook de monstrans uit de Amsterdamse huiskerk ‘het stadhuis van Hoorn’ onderging die behandeling, en werd van haar sieradenkleed beroofd. Het waarschijnlijk in het Antwerpse atelier van Jan Moermans (1625-1703) of diens opvolger Philippus II Moermans (1660-1721) gemaakte stuk, was in 1752 door de dominicaan Jacobus Janssens aan de kerk geschonken. Deze pater was vanaf 1733 tot aan zijn dood in januari 1766 in de statie actief, en stak veel energie in de verfraaiing en modernisering van zijn kerk. De aanschaf van een hoogtepunt van de Antwerpse edelsmeedkunst past in dat patroon. Omdat het ontwerp voornamelijk uit sculpturale elementen bestaat, en ornament dus een terughoudende rol speelt, kon het oude pronkstuk eenvoudig in een moderne omgeving worden ingepast. De los gegroepeerde, in zilver en goud gevatte diamanten bloemranken zijn later toegevoegd, en waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw speciaal voor deze monstrans gemaakt.

monstrans-chaam-2

Diamanten sieraden, voor 1908 toegevoegd aan een monstrans voor de H. Anthonius van Padua te Chaam (Noord-Brabant), foto RCE, Zeist, 1908

Als je deze monstrans vergelijkt met het door oorlogsgeweld in 1944 verloren gegane exemplaar uit Chaam, is pas goed te zien wat een verschil een juwelenharnas maakt. Rondom het midden zijn verschillende diamanten colliers en armbanden gedrapeerd, en ook de peervormige oorhangers zijn duidelijk herkenbaar. Omdat voor zover ik weet in 1940 zelfs geen foto’s zijn gemaakt van de Amsterdamse monstransen met hun juwelenkleed, is toen een belangrijke bron voor juwelenhistorici verloren gegaan. Dankzij de groepen juwelen en sieraden die in het verleden aan Spaanse en Portugese kloosters en kerken zijn geschonken, kan daar een afgewogen beeld van de ontwikkeling van het juweel worden geschetst. In Nederland blijft het in eerste instantie bij incidenten.

bk-1967-2-2

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver, 4,6 x 3 cm, Nederland, 1785-1800, Rijksmuseum inv. BK-1967-2.

Een diamanten hanger in de vorm van een gekroond hart, door mevrouw Goslin geschonken aan de zilveren monstrans van de Willibrordus in Den Haag, is zo’n uitzondering. In de negentiende eeuw speelden juwelen van dit type in de Zuidelijke Nederlanden en in het Pays-de-Calais een belangrijke rol in de volksdevotie; gekroonde harten werden op 15 augustus, Maria ten Hemelopneming, door kinderen aan hun moeder geschonken.

vlaams-hart-diva

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver op goud, 6 cm, Mechelen, 1832-1869, J.R.L. de Backer & D.J. Suerinckx, Antwerpen, DIVA (Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant), inv. S75/181

 

Getuige de talloze bewaard gebleven exemplaren, moet het gebruik in het midden van de negentiende eeuw breed gedragen zijn, al zijn ze op portretten zelden afgebeeld. Het exemplaar uit de Haagse Willibrordus moet op een ander moment en voor een andere draagster zijn gemaakt. In vergelijk tot de streeksieraden van dit type is de compositie veel compacter, en omdat de diamanten ook veel groter en veel helderder zijn, moet dit in vergelijk een uiterst kostbaar juweel zijn geweest.

Het verhaal kent nog vele open vragen, omdat belangrijke bouwstenen nu nog ontbreken. Kennen jullie misschien foto’s van de Amsterdamse monstransen, bedolven onder hun juwelenkleed? Is er meer bekend over de monstransen van de Willibrordus in Den Haag?  Of weten jullie misschien wie mevrouw Goslin was? Ik hou me aanbevolen!

Wanneer draag je diamant?

 

BK-2013-8-1

Broche à double usage, goud, zilver en diamant, 7 x 5 cm, Amsterdam, door de firma Benten & Zonen, 1857-1862, Rijksmuseum, BK-2013-8, schenking van mevrouw A. van Haersma Buma-Meuser Bourgognion, Den Haag.

Eén van de nieuwe hoogtepunten in het Rijksmuseum is een diamanten broche, die op twee manieren kan worden gebruikt. De grote centrale steen kan met een bijgeleverde schroevendraaier worden overgezet in een ring.

BK-2013-8-3

Omdat merken vaak ontbreken of weggesleten zijn, is het vaak niet mogelijk om zeker te weten wanneer en waar een diamantjuweel is gemaakt. In dit geval geeft het meesterteken zekerheid: deze broche is in het midden van de negentiende eeuw gemaakt in de werkplaatsen van de Amsterdamse firma Benten & Zonen. Dat is interessant omdat dit bedrijf in 1857 diamantspecialist Fürstenhaupt en Dammerval had overgenomen. Uit tentoonstellingsverslagen en andere bronnen is bekend dat Furstenhaupt & Dammerval high-end juwelen maakte, maar de broche is het eerste mij bekende voorbeeld dat een indruk geeft van de kwaliteit. De stenen zijn groot en helder, en door het slijpsel en de eenvoudige classicistische zetting komen ze heel mooi uit.

Omdat er niet veel bewaard gebleven is, of als Nederlands geïdentificeerd, wordt de geschiedenis van het Nederlandse sieraad vaak geschreven aan de hand van geschilderde portretten.

SK-A-2541

Mevrouw Alida Johanna Schmidt-Keiser met haar broer en haar zoontje, olieverf op doek, 143,5 × 115 cm, door Jacob Spoel, 1858, Rijksmuseum, SK-A-2541, schenking van J.A. Schmidt en J.J. Schmidt.

De Rotterdamse Alida Johanna Keijser (1810-1872), sinds 1849 weduwe van de schilder Willem Hendrik Schmidt, is op verschillende manieren als weduwe herkenbaar. De zwarte jurk met kanten kraag, kap en manchetten passen bij haar weduwenstaat en de persoonlijke juwelen die zij daarbij draagt completeren het geheel; de broche met het hondje verwijst naar trouw, en de ring met een enkele steen zou heel goed haar huwelijksring kunnen zijn. Hij lijkt wel een beetje op de ring met de enkele diamant.

SK-A-2541 (2)

BK-2013-8-2 (2)

De broche van het Rijksmuseum is oud familiebezit, en de dame die deze in 2013 aan het Rijksmuseum geschonken heeft, deed dat omdat zij zelf geen gelegenheden meer had om het pronkstuk te dragen. Toen ze rondkeek op de middag dat de akte werd ondertekend, vertelde ze dat iedereen nu juwelen overdag draagt, terwijl vroeger de eerste sieraden pas in de middag voor de dag kwamen. Al naar de gelegenheid werd er in kostbaarheid en kwaliteit gevarieerd. Het verklaart iets over het juweel zelf, dat bij bijzondere gelegenheden als broche, en op minder officiële momenten als ring kon functioneren. Het zegt ook dat er in de afgelopen vijftig jaar heel veel is veranderd.

Voor mij is het interessant omdat het vertelt hoe een sieraad toen werd benaderd, met andere woorden dat pronkstukken als deze vroeger alleen in bepaalde gezelschappen op specifieke momenten werden gedragen. Ook het schilderen van een portret was aan conventies gebonden, en je moet dus heel voorzichtig zijn bij het interpreteren daarvan. Catharina Theodora Baud (1820-1899) was in 1842 getrouwd met Jan Jacob van Braam, en draagt op de omstreeks 1850 genomen foto een vol uitgaanstenue. Daarbij horen de dubbele armbanden, de grote diamanten oorhangers en de bijpassende broche in het decolleté. Maar zo liet je je niet schilderen. Op haar geschilderde portret, waarvan een foto zich bevindt in de verzameling van het RKD, is haar jurk modieus, maar spelen sieraden een uiterst beperkte rol. Rijkdom laat je dus uitsluitend zien onder gelijkgestemden, niet in je eigen woonkamer, voor iedere bezoeker te pronk…

RP-F-F02768 (2)

Mevrouw Catharina Theodora van Braam-Baud, reproductie van een daguerreotypie, albuminedruk, 88 × 58 mm Woodbury & Page, 1850-1856, Rijksmuseum, RP-F-F02768.

 

Kekke schoenen

rembrandtsoolmans

Portret van Maerten Soolmans (1613-1641), Amsterdam, 1634, door Rembrandt van Rijn, 210 x 135 cm, Rijksmuseum Amsterdam.

Eén van de meest opvallende elementen van het portret van Maerten Soolmans is de uitbundige versiering van zijn kleding. Vooral spannend zijn de schoenen, die aan de voorkant met een grote rozet van zilverkant zijn versierd. Dergelijke schoengespen waren op dat moment niet nieuw, en ook niet typisch Nederlands. Een Dordrechts bedrijf, de firma Hellinckx en Carpentier, produceerde goud en zilverdraad op rol, waarvan in verschillende Nederlandse steden en elders tot in de jaren twintig hoedbanden (karkanten) en gespen werden gemaakt.

BK-NM-1973-B

Twee sandalen van geborduurde ripszijde, ca. 1735-1755, ieder 20 cm × 7 cm, Rijksmuseum, BK-NM-1973

Schoengespen waren algemeen in gebruik. Tot diep in de negentiende eeuw werden schoenen gewoonlijk met gespen gesloten. De beugels aan de achterkant werden in het leer of de stof gehaakt. De lip van de andere kant werd door de ring aan de voorkant gehaald en vervolgens met de tong gesloten. Een bijzonder voorbeeld in de collectie van het Rijksmuseum zijn de geborduurde schoenen, waarop de gespen -in dit geval van onedel metaal- nog aanwezig zijn.

BK-NM-7958

Schoengesp, Middelburg, 1783, toegeschreven aan Toussaint Brunel, zilver, 7,5 cm × b 6,3 cm, Rijksmuseum BK-NM-7958

In het echt zijn gouden en zilveren exemplaren nauwelijks bewaard. Uit kasboeken weten we dat bijvoorbeeld de Utrechtse zusters Martens in de achttiende eeuw ieder jaar op de kermis nieuwe zilveren schoengespen kochten, en deze deels betaalden door de oude in te leveren. Met recht kun je hier dus spreken van verbruikszilver… Schoengespen behoorden tot de standaard-productie van een specifieke groep zilversmeden, de kleinwerkers en de draadwerkers. In de verzameling van het Rijksmuseum zijn er voorbeelden vanaf de achttiende eeuw, vanaf heel simpel en glad tot in een uiterst modieus rococo.

RP-P-2009-1675A

Pagina uit: Magasin des Modes Nouvelles Françaises et Anglaises, 30 octobre 1788, 3e Année, 35e cahier, Pl. 1, 2 et 3, A.B. Duhamel, naar Defraine, 1788, gravure, 163mm × 295mm, RP-P-2009-1675A

Vormen en versieringen werden toen verspreid door middel van modeprenten, zodat je zeker wist wat op dat moment de nieuwste variant was, en ze moeten er dus heel veel zijn geweest. Op portretten zie je ze zelden afgebeeld. Logisch, want een portret was voor de eeuwigheid en niet iedereen wilde als modieuze fat de geschiedenis in. Het echtpaar Soolmans had daar kennelijk geen problemen mee…

BK-NM-9820

Paar schoengespen, zilver met strass, ca. 1775 – ca. 1800, ieder 7,8cm × 4,5cm, BK-NM-9820