Jewellery Matters

BK-NM-7459

Hanger in de vorm van een haan, goud, gedeeltelijk geëmailleerd, parel, diamant en robijn, 7,5 x 4,5 cm, Duitsland, ca. 1600-1625, Rijksmuseum, schenking van Koning Willem I aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, 1814, BK-NM-7459.

Tien jaar geleden wisten maar heel weinig mensen dat het Rijksmuseum ook een interessante verzameling juwelen bezat. Natuurlijk, in de overzichtsboeken werd wel aandacht besteed aan de creaties uit de Renaissance en het Art Nouveau, maar omdat maar een klein deel van de verzameling voor de sluiting van het museum in 2003 tentoon werd gesteld, en bovendien over verschillende zalen was verdeeld, keek je er makkelijk over heen. De verzameling, waarvan de eerste delen al in de vroege negentiende eeuw binnen waren gekomen, sliep voor een belangrijk deel in een warm bedje, de lange droomloze slaap van het depot.Marjan

In 2009 kwam Marjan Unger naar het museum met de vraag of er in het Rijksmuseum mogelijkheden waren om haar verzameling voor de toekomst te bewaren. Ik was daar direct enthousiast over. De verzameling van Marjan is bijzonder omdat deze is verzameld om inzicht te krijgen in een aspect van de Nederlandse kunstgeschiedenis waar nauwelijks iets over geschreven is (en wat dus in de Collectie Nederland grotendeels ontbreekt), en Marjan had de verzameling ook gepubliceerd. Op basis daarvan had zij de eerste brede beschouwing geschreven over het sieraad, Het Nederlandse sieraad in de 20ste eeuw. Juist het Rijksmuseum was daarvoor de beste plek, omdat die collectie ook vanuit verschillende perspectieven is samengesteld. Ruwweg zijn er drie categorieën; kunsthistorische hoogtepunten, waarbij het ontwerp voorop staat; cultuurhistorische hoogtepunten, die samen een beeld geven van de voornaamste trends; en tot slot historische hoogtepunten, die nauw met belangrijke personen verbonden zijn. In de afgelopen jaren heb ik daar op verschillende momenten iets over verteld. Alle verhaaltjes vindt je onder het trefwoord juwelen in het keuzemenu.

rijksmuseum_amsterdam_11

Broche à double usage, goud, maansteen en diamant, 6 x 3,2 cm, Den Haag, ca. 1935, door Walter Röhrig (geb. Den Haag 1891-), Rijksmuseum, Collectie Marjan en Gerard Unger, 2010, inv. BK-2010-2-174.

Met de ruim 500 juwelen en sieraden die in 2010 in één keer konden worden toegevoegd, werd de verzameling bijna twee keer zo groot en werd ook een nieuw terrein betreden, de twintigste eeuw. De toevoeging vormde het uitgangspunt voor de nieuwe opstelling die ik in 2013 voor de juwelen en sieraden heb ontwikkeld, een chronologische ontwikkeling van het juweel in de Special Collections. Verschillende schenkers volgden het voorbeeld van Marjan, en er werd ook een speciaal Juwelenfonds gesticht. Al deze initiatieven samen zorgden ervoor dat de verzameling langzaam tot leven kwam; ze groeide en groeit gestadig door. Daardoor kan het Rijksmuseum uiteindelijk een uniek beeld tonen van de geschiedenis van het Nederlandse sieraad in Europese context vanaf de vroege Middeleeuwen tot aan onze eigen tijd.

Tiffany Gallery

De Tiffany Foundation Jewellery Gallery in het Rijksmuseum

Wat de meeste mensen niet zullen beseffen, is dat de belangrijkste kosten voor zoiets niet zitten in het verwerven van collectie, maar in datgene wat je uiteindelijk met die verzameling wilt doen. Omdat een belangrijk deel al heel lang niet te zien was geweest, en de voorwerpen dus onder eeuwen stof en vuil schuilgingen, konden ze niet zomaar worden gepresenteerd. Daarvoor werden speciaal twee restauratoren aangenomen, Ellen van Bork en Tamar Davidowitz. Zij gebruikten de gelegenheid om materiaal-technisch onderzoek te doen naar de juwelen, zodat een beter beeld ontstond van de geschiedenis van ieder object. Mijn wens om de voorwerpen zwevend te tonen, impliceerde tot slot dat voor ieder object een unieke steun moest worden gemaakt, een opdracht die door Raf Snippe prachtig is uitgevoerd.

rijksmuseum_amsterdam_15

Parure, bestaande in een collier, twee oorbellen, twee armbanden, een broche en twee spelden, goud, gouddraad en Oeral-amethist, Amsterdam, 1824-1829, door Jean Baptiste Bonnard, Rijksmuseum, Legaat J.G. de Groot – Jamin, 1921, BK-NM-12886.

De presentatie was dus in orde, maar er ontbrak nog een essentieel element. Om aan de buitenwereld te laten weten dat de verzameling er was, en ervoor te zorgen dat deze een rol kon gaan spelen in het internationale debat was een algemene publicatie voor een breed publiek nodig. Marjan en ik kwamen uit op een juwelenboek, waarin zij haar ideeën over het sieraad verder kon uitwerken. Door voorbeelden uit de collectie van het Rijksmuseum te gebruiken, zou tegelijkertijd een belangrijk deel van de verzameling met de juiste basisgegevens kunnen worden gepubliceerd. Voor de enorme hoeveelheden werk die daarvoor binnen de muren van het Rijksmuseum diende te worden verzet, werd de afdeling in 2015 versterkt door de junior conservator en restaurator juwelen, Suzanne van Leeuwen. Het eindresultaat ligt nu voor me, en het is precies geworden wat ik had gehoopt. Een vlot geschreven oorspronkelijk verhaal met onverwachte combinaties, dat voor het eerst uitgebreid gebruik maakt van de reikwijdte van de verzamelingen van het Rijksmuseum. Het kost 39,95 en bestellen kan hier:

foto01

Daarmee is het verhaal natuurlijk niet klaar. We staan niet aan het eindpunt van een ontwikkeling, maar aan het begin daarvan. De oplettende lezer van dit blog zal inmiddels met heel andere vragen zitten. Ik hoor jullie al hardop rekenen: zoveel nieuwe mensen en een op maat gemaakte presentatie voor honderden voorwerpen; waar doet het Rijksmuseum dat allemaal van? Misschien dat mensen denken dat het geld in het Rijksmuseum tegen de plinten klotst, en dus alles mogelijk is, maar dat valt in de werkelijkheid nogal tegen. Het antwoord op het Oud-Vaderlandsche refrein: “wie zal dat betalen?” is dat achter de schermen een heel leger particulieren en fondsen actief is geweest. Bij het bereiken van een nieuwe mijlpaal wil ik hen daarom bedanken. Speciaal onze grootste sponsor, de Tiffany Foundation in New York, wiens naam de Jewellery Gallery terecht draagt. Therefore, in English: at the reach of a new milestone: Thanks to the Tiffany Foundation, for its trust and the continuation of support in building an unique jewellery collection in the National Museum of The Netherlands.

image001

Marjan Unger ontvangt het eerste exemplaar van Jewellery Matters (foto Rebecca Roskam)

 

Advertenties

Betrouwbare getuigen

Anders dan je misschien zou denken als je het merendeel van de Nederlandse kranten leest, is de tentoonstelling Johannes Maelwael in het Rijksmuseum geen oeuvre-overzicht van een al dan niet terecht vergeten kunstschilder, zoals die in de Nederlandse musea vrijwel aan de lopende band wordt georganiseerd. Door kunstwerken in verschillende media te contrasteren en te combineren roept de tentoonstelling een beeld op van de wereld van een Nederlandse kunstenaar uit de Middeleeuwen, in de fragmenten waarin deze tot ons gekomen is.

20171002_143649 (3)

De reuk, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, voor 1459, Domschatzkammer Osnabrück.

Daardoor ontstaan soms onverwachte inkijkjes. Voor mij de bijzonderste is nog geen vijf centimeter groot. De broche vertegenwoordigt een type dat in het eerste kwart van de vijftiende eeuw werd gebruikt als sluiting van de lange mantels die toen werden gedragen. Het gaat om een betrouwbare getuige; omdat het voorwerp al in 1459 aan een reliekschrijn in Osnabrück geschonken werd, weten we zeker dat het toen al moet hebben bestaan. Voor anderen is de herkomst minder zeker, met als gevolg dat die veel moeilijker te dateren en te plaatsen zijn.

Gevouwen in een bloemblad is een vrouw weergegeven, met uitstaande stijve krullen en wapperende gewaden. Zij komt aangerend met een bloemboeket, waarvan de stammen door stijve draden en de bloemen door parels en edelstenen worden gevormd. De voorstelling doet denken aan misschien wel de beroemdste tapijtenserie die ons uit de late Middeleeuwen is overgeleverd, een reeks van zes uit omstreeks 1500, die nu in Museum Cluny in Parijs te bewonderen is. In een tuin waar het altijd zomer is, en dieren uit verschillende continenten samen in vrede leven, zijn jonge vrouwen afgebeeld. Hoewel de beeldtaal nog niet helemaal is ontcijferd, zijn de meeste onderzoekers het er wel over eens dat vijf ervan de zintuigen verbeelden. De vrouw met bloemen in haar hand naar alle waarschijnlijkheid de reuk.

The_Lady_and_the_unicorn_Smell

De reuk, 311 x 290 cm, wandtapijt, het ontwerp Parijs, de uitvoering Brussel of Brugge, omstreeks 1500, Musée de Cluny, Paris, inv. Cl. 10834

Het ontwerp voor de tapijtenserie is waarschijnlijk van de hand van een in Parijs werkzame kunstenaar, maar voor de uitvoering wordt al heel lang gedacht aan één van de vele ateliers die toen in Brabant en Vlaanderen actief waren, onder andere in Brugge en Brussel. Het juweel getuigt op een andere manier van de verwerking van Parijse ideeën. De gebruikte technieken sluiten aan bij een kleine groep gouden sieraden in email en ronde bosse, die op een andere manier zijn geconstrueerd dan de hoofse hoogtepunten. Het belangrijkste verschil is het gebruik van gouddraad in allerlei vormen, als onderdeel van de constructie, maar ook en vooral als essentieel element in de detaillering. Zonder de constructie van stevige draden is het bloemboeket hier ondenkbaar, maar puur esthetisch is de keuze om ook de uitstaande krullen van de dame in opgerold gouddraad te realiseren. Veelzeggend is ook dat het voor de Parijse productie kenmerkende doorschijnende rood – een complexe, en daardoor kostbare kleur waarvan het geheim angstvallig werd bewaard –  ontbreekt. De hoofdrol is hier weggelegd voor het witte ondoorschijnende email, dat op het reliëf is toegepast. Tenminste vanaf 1431 was deze techniek in Brugge bekend.

Weltliche_Schatzkammer_Wien_(211)

Twee minnaars onder een boom, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Weltlichen Schatzkammer, Wien, inv. Pl 130.

1200px-Fürspan_mit_Falknerin_KGM_K1364

Valkenierster, goud, parels en email, ca. 5 cm, diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Kunstgewerbe Museum Berlin, inv. K1364

Als je de verschillende kunstwerken op je in laat werken, en de tour de force van het Rijksmuseum goed tot je door laat dringen, laat de wereld van Johannes Maelwael je zien dat de interactie tussen het Parijse hof en de productiecentra in de Nederlanden in de veertiende en de vijftiende eeuw veel complexer was dan we nu misschien geneigd zijn te veronderstellen. Om een nieuw verhaal te kunnen vertellen zonder uitsluitend te hoeven vertrouwen op het tweesnijdend zwaard van de stilistische interpretatie, moeten we op zoek naar betrouwbare getuigen. Dat ik niet de enige ben die zo over juwelen denkt, kun je op 16 en 17 november horen op het symposium Jewellery Matters. Er zijn nog plaatsen vrij, dus als je geïnspireerd bent, voel je vrij (en schrijf je snel in).

Juwelen centraal

Eén van de aspecten van de verzamelingen van het Rijksmuseum is dat de aandacht zich concentreert op de kunstwerken zelf, en veel minder op het maakproces. Het gevolg daarvan is dat je in de presentaties niet kunt zien hoe de voorwerpen werden gemaakt, en evenmin welke gereedschappen daarvoor nodig waren. In kunstnijverheid gespecialiseerde musea als DIVA in Antwerpen en het Zilvermuseum in Schoonhoven verzamelen wel getuigen van het maakproces, en kunnen dat dus veel beter.
Voordat voorwerpen in productie werden genomen, werden net als voor schilderijen voorstudies en tekeningen gemaakt, en voor heel bijzondere driedimensionale modellen. Dankzij het Decorative Art Fund konden vanaf 2013 tekeningen worden aangekocht, met als idee dat daarmee het creatief proces in beeld kon worden gebracht. Ontwerpen voor juwelen en sieraden zijn op dit moment op verschillende plekken in het museum te zien, telkens gecombineerd met enkele juwelen en sieraden. Het is een voorproefje op het juwelensymposium dat door de samensteller, junior conservator Suzanne van Leeuwen, in november wordt georganiseerd.

RP-T-2014-19

Ontwerp voor een plaque voor een collier de chien, 280 × 221 mm, Parijs, ca. 1901-1903, Rijksmuseum, toegeschreven aan René Lalique, Aankoop met steun van Chris van Otterloo en het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-19

 

 

Nu tekeningen, prenten en juwelen met elkaar worden gecombineerd, wordt duidelijk dat je vragen moet stellen bij de precieze functie van deze kunstwerken op papier. Het meeste weten we over de negentiende eeuw, toen de hervormers in de kunstnijverheid op het standpunt stonden dat aan ieder voorwerp een getekend ontwerp ten grondslag moest liggen. Eerste ideeën werden in schetsen verkend, conclusies uitgewerkt in presentatietekeningen, en vervolgens omgewerkt tot technische tekeningen om het stuk ook te kunnen maken. De laatste -een soort bouwtekening- is onmisbaar bij voorwerpen uit kostbare materialen omdat verschillende specialisten bij de realisatie daarvan betrokken waren. De tekening diende als ijkpunt en communicatiemiddel.
Een voorbeeld daarvan is een tekening van René Lalique, waarschijnlijk een plaque voor een collier de chien op ware grootte. Vergelijking van dit object met nog bekende gerealiseerde varianten laat zien dat het ontwerp door verschillende specialisten werd uitgevoerd. Het raamwerk en het lijnenspel waaruit de abstracte, aan bladeren herinnerende motieven zijn samengesteld, werden door de edelsmid uitgevoerd in metaal. De kleuren door de emailleurs vertaald in een combinatie van doorschijnend en ondoorschijnend glas. De bessen van de maretakken werden tot slot verbeeld door parels, die door de juweliers werden toegevoegd.

 

1900.449-1

Collier de chien, parels, goud en email, het middenstuk ontworpen en gesigneerd door René Lalique, Hamburg, Museum für Kunst und Gewerbe, verworven op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.

 

Dat in een atelier ook hele andere opdrachten werden vergeven, en het creatief proces dus ook veel minder lineair verliep, blijkt uit enkele schetsbladen van de Franse ontwerper Henri Cameré (1830-1894). In het derde kwart van de negentiende eeuw werkte hij onder andere voor het juwelen- en zilverhuis Froment-Meurice in Parijs. Een blad dat op het eerste oog verschillende voorwerpen laat zien die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, blijkt – als je de teksten leest – een voorstudie voor een serie hoedenspelden. De bollen geven de vorm van de knop weer, de ronde tekeningetjes details van hetzelfde object in verschillende variaties. De teksten verwijzen naar een serie modellen voor knopen, waaruit volgt dat niet alle varianten in de tekening waren uitgewerkt. Kennelijk ging het in dit geval dus ook niet zozeer om een eigen idee van Cameré, maar om een omwerking van een door een ander ontwikkelde serie. Het juweliershuis had een reeks hoedenspelden voor ogen die naadloos aansloot bij de knopen die ze al verkochten, en had Cameré de opdracht gegeven om te bedenken hoe dat kon worden gerealiseerd.

 

Opnamedatum 2016-01-19

Schetsblad met ontwerpen voor een reeks hoedenspelden, 156 x 119 cm, Parijs, gesigneerd door Henri Cameré, ca. 1880-1890, Aankoop met steun van het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-18-27.

 

 

Geschilderd goud

1280px-Uppsala_domkyrka_April_2013

Interieur van de kathedraal in Uppsala, Helgo Zetterwall, ca. 1893-1900, Zweden

Voor de zilver-fan lijkt Zweden niet de meest logische bestemming. De musea waar de belangrijkste verzamelingen worden bewaard, het National Museum in Stockholm en het Röhsska museum in Göteborg, staan in de steigers, en er is dus niets te zien. Aan de andere kant zie je in de kerken nu de resultaten van het werk van de Zweedse tegenhanger van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit – de Svenska Kyrkan. Zij proberen om kunstvoorwerpen zoveel mogelijk te tonen op de plek zelf, dus in het kerkgebouw. Niet dat dat ook altijd is aangegeven: dat bijvoorbeeld de in de late negentiende eeuw grondig gerestaureerde kathedraal van Uppsala heel spannend goud en zilver bezit, moet je weten.

P1040066

Kelk, goud, gouddraad, edelstenen, parels en email, h. 24,5 cm, Halle, voor 1513, door Hans Huiuff, Halle, Domkyrkan Uppsala, Zweden.

Voorwerpen van kostbare materialen zijn diefstalgevoelig, en om te voorkomen dat het erfgoed vanzelf de kerk uitloopt, moeten er dus allerlei voorzieningen worden getroffen. In Uppsala hebben ze het opgelost door in één van de torens een schatkamer te bouwen, die alleen toegankelijk is via een lift – en je krijgt een zaklamp mee om de details te kunnen zien. Mijn favoriet is een gouden, met email, parels en enorme edelstenen versierde miskelk. Het stuk is voor 1513 gemaakt voor één van de beroemdste kerkelijke schatkamers uit de zestiende eeuw, het Halle´sche Heiltum. De door de aartsbisschoppen van Sachsen in Halle aangelegde collectie bestond in 1526 uit duizenden relieken, waarvoor 353 gouden en zilveren, met emails en edelstenen versierde reliekhouders waren gemaakt. Hoewel vrijwel niets daarvan bewaard gebleven is – van slechts twintig exemplaren zijn fragmenten bekend – denken we dat we precies weten hoe de stukken er uit hebben gezien omdat ze in 1526 in een geschilderde inventaris zijn afgebeeld.

Kelch_vor_1513

Tekening van de kelk, uit het Halle’sche Heiltumsbuch, Bibliotheek Aschaffenburg, 1526.

Het feit dat één van de voorwerpen integraal bewaard gebleven is, maakt het mogelijk om de versie in het Halle´sche Heiltumsbuch te confronteren met het object zelf. Op de geschilderde versie zijn de edelstenen en de plekken waar ze zijn toegepast heel precies afgebeeld, maar minder aandacht ging er uit naar het ontwerp zelf. De door druiventakken en bladranken benadrukte gotische structuur is duidelijk te zien, en ook de scheiding tussen de belangrijkste onderdelen met panelen in email is getrouw weergegeven. Het stuk is dus zeker herkenbaar, maar wat de schilder niet lukt, is de weergave van het uiterst verfijnde, driedimensionale kleed dat over de kelk, de knoop en de voet is gelegd. Die rare kringeltjes op de tekening zijn in werkelijkheid lagen gouddraad, die als een mat damasten wolk om de hoogglanzende grondvorm zweeft. Evenmin is de schilder er in geslaagd om het samenspel en de variatie in kleur en glans te vangen. Juist door het gebruik van verschillende kleurstenen in verschillende patronen en de toepassing van verschillende variaties in mat en glanzend sprankelt het kunstwerk. Terecht was de maker ervan,  Hans Huiuff uit Halle, zo trots op het eindresultaat dat hij het voluit onder de voet signeerde.

csm_kathedrale-739_a85eb50c7d

Hoe het voorwerp vervolgens in Zweden terecht gekomen is? Zweedse legers vochten in de zeventiende eeuw in verschillende Duitse vorstendommen voor de Protestante zaak. Onder andere veroverden zij in 1631 Aschaffenburg, waar op dat moment het Halle´sche Heiltum werd bewaard. In 1632 werd de kelk door de jonge koningin Christina van Zweden (1626-1689) aan de kerk in Uppsala geschonken, tot meerdere eer en glorie van God, maar ongetwijfeld ook als herinnering aan de heldendaden van haar in dat jaar overleden vader, Gustav II Adolph (1594-1632). Op andere plekken in Uppsala is meer Duitse kunst te zien, zoals het kunstkabinet met inhoud, waarmee de stad Augsburg in dezelfde periode de plundering van de Zweedse troepen afkocht, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

Op zoek naar diamantjuwelen

Opnamedatum: 2012-05-30

Bloemranken, diamant gezet in zilver en goud, Amsterdam?, ca 1850

De tentoonstelling “Amsterdamsche kerkschatten”, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog in Museum Amstelkring werd geopend, werd in de pers uitgebreid besproken. Vooral positief waren de kranten over het feit dat de getoonde monstransen speciaal voor de gelegenheid waren ‘uitgekleed’; ontdaan van de vrachten juwelen en sieraden die daar in het verleden aan waren toegevoegd. De overweging was een esthetische: zonder de “juweelen, halskettingen, broches, snoeren van paarlen en al die dergelijke fraaijigheden, die door welgestelde katholieken in de loop van de tijd voor den monstrans geschonken werden, meer uit goede bedoelingen dan met goede smaak”, kwamen vormen en verhoudingen beter tot hun recht.

Opnamedatum: 2012-05-30

Monstrans, goud, verguld zilver, glas en diamant,  69 x 32,5 cm, Antwerpen?, ca. 1675-1700, Rijksmuseum, inv. BK-1968-31

Ook de monstrans uit de Amsterdamse huiskerk ‘het stadhuis van Hoorn’ onderging die behandeling, en werd van haar sieradenkleed beroofd. Het waarschijnlijk in het Antwerpse atelier van Jan Moermans (1625-1703) of diens opvolger Philippus II Moermans (1660-1721) gemaakte stuk, was in 1752 door de dominicaan Jacobus Janssens aan de kerk geschonken. Deze pater was vanaf 1733 tot aan zijn dood in januari 1766 in de statie actief, en stak veel energie in de verfraaiing en modernisering van zijn kerk. De aanschaf van een hoogtepunt van de Antwerpse edelsmeedkunst past in dat patroon. Omdat het ontwerp voornamelijk uit sculpturale elementen bestaat, en ornament dus een terughoudende rol speelt, kon het oude pronkstuk eenvoudig in een moderne omgeving worden ingepast. De los gegroepeerde, in zilver en goud gevatte diamanten bloemranken zijn later toegevoegd, en waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw speciaal voor deze monstrans gemaakt.

monstrans-chaam-2

Diamanten sieraden, voor 1908 toegevoegd aan een monstrans voor de H. Anthonius van Padua te Chaam (Noord-Brabant), foto RCE, Zeist, 1908

Als je deze monstrans vergelijkt met het door oorlogsgeweld in 1944 verloren gegane exemplaar uit Chaam, is pas goed te zien wat een verschil een juwelenharnas maakt. Rondom het midden zijn verschillende diamanten colliers en armbanden gedrapeerd, en ook de peervormige oorhangers zijn duidelijk herkenbaar. Omdat voor zover ik weet in 1940 zelfs geen foto’s zijn gemaakt van de Amsterdamse monstransen met hun juwelenkleed, is toen een belangrijke bron voor juwelenhistorici verloren gegaan. Dankzij de groepen juwelen en sieraden die in het verleden aan Spaanse en Portugese kloosters en kerken zijn geschonken, kan daar een afgewogen beeld van de ontwikkeling van het juweel worden geschetst. In Nederland blijft het in eerste instantie bij incidenten.

bk-1967-2-2

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver, 4,6 x 3 cm, Nederland, 1785-1800, Rijksmuseum inv. BK-1967-2.

Een diamanten hanger in de vorm van een gekroond hart, door mevrouw Goslin geschonken aan de zilveren monstrans van de Willibrordus in Den Haag, is zo’n uitzondering. In de negentiende eeuw speelden juwelen van dit type in de Zuidelijke Nederlanden en in het Pays-de-Calais een belangrijke rol in de volksdevotie; gekroonde harten werden op 15 augustus, Maria ten Hemelopneming, door kinderen aan hun moeder geschonken.

vlaams-hart-diva

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver op goud, 6 cm, Mechelen, 1832-1869, J.R.L. de Backer & D.J. Suerinckx, Antwerpen, DIVA (Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant), inv. S75/181

 

Getuige de talloze bewaard gebleven exemplaren, moet het gebruik in het midden van de negentiende eeuw breed gedragen zijn, al zijn ze op portretten zelden afgebeeld. Het exemplaar uit de Haagse Willibrordus moet op een ander moment en voor een andere draagster zijn gemaakt. In vergelijk tot de streeksieraden van dit type is de compositie veel compacter, en omdat de diamanten ook veel groter en veel helderder zijn, moet dit in vergelijk een uiterst kostbaar juweel zijn geweest.

Het verhaal kent nog vele open vragen, omdat belangrijke bouwstenen nu nog ontbreken. Kennen jullie misschien foto’s van de Amsterdamse monstransen, bedolven onder hun juwelenkleed? Is er meer bekend over de monstransen van de Willibrordus in Den Haag?  Of weten jullie misschien wie mevrouw Goslin was? Ik hou me aanbevolen!