De kracht van de verzamelaar

BK-NM-7322-B

Drie sierstukken, email pliqué, goud, gouddraad en email, gemiddeld 1,6 cm diameter, Parijs, ca 1300, ex. collectie Lupus, inv. BK-NM-7322.

Nederlandse openbare collecties kunnen niet zonder verzamelaars. Waar instanties niet altijd het belang van bepaalde soorten voorwerpen inzien, investeren zij veel tijd, geld en energie in het bij elkaar brengen van collecties; om te redden wat er nog te redden is van het verleden, of omdat ze meer willen weten van een bepaald aspect daarvan. De basis van de collecties edele metalen in het Rijksmuseum wordt gevormd door de schatten van de Utrechtse kapittelkerken, voorwerpen van opgeheven instanties als de West Indische Compagnie, en natuurlijk de kostbaarheden van het Koninklijk Huis die in 1816 in één van de voorgangers van het Rijksmuseum werden ondergebracht. Al heel snel kwamen daar de eerste particuliere verzamelingen bij.

BK-NM-7323 (3)

Plaquette met het oordeel van Paris, email op koper, 22,8 cm × 20,2 cm, Limoges?, ca. 1530, Rijksmuseum, ex collectie Lupus, inv. BK-NM-7323.

Nu heeft waarschijnlijk niemand ooit gehoord van Joseph-Désiré Wolff (Binche 1766-Brussel 1822), die zichzelf Joseph-Désiré, chevalier primat Lupus noemde. Hij was een kleurrijke figuur die tijdens de beginjaren van de Franse Revolutie in Parijs verbleef, en zich ontfermde over bedreigde kerkelijke goederen uit de Zuidelijke Nederlanden en het Noorden van Frankrijk. Zijn collectie werd in 1817 naar Brussel overgebracht, in zijn geheel aangekocht door de Staat der Nederlanden en ondergebracht in de nationale musea in Den Haag. Wat deze aankoop in retrospectief zo interessant maakt, is de volstrekte afwezigheid van historisch-nationalistische overwegingen. Volgens een Britse toerist was de verzameling in 1818 onder andere belangrijk vanwege de cameeën en intaglio’s uit de oudheid en de renaissance – nu in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden – en de verschillende soorten email. Voorbeelden zijn de drie plaatjes in email pliqué, waarvoor nu alleen parallellen bekend zijn in het Musée Cluny in Parijs. Ze behoren tot de uiterst zeldzame getuigen van de Parijse edelsmeedkunst rond 1300. Daaruit en uit andere voorbeelden blijkt overduidelijk dat het kennelijk om de spullen zelf ging, en dat betekent dat men in Den Haag in de vroege negentiende eeuw kennelijk streefde naar een Europees overzicht in hoogtepunten.

BK-NM-7323 (2)

De dichter Vergilius en zijn muze

Pas sinds kort is het belang duidelijk geworden van een omstreeks 1530 op koper geschilderde geëmailleerde plaquette uit dezelfde verzameling. Ze kan worden verbonden met een unieke serie die nu over allerlei musea wereldwijd is verspreid. De plaquette in het Rijksmuseum laat de eerste scène zien, en bevat de sleutel tot de ontcijfering van de betekenis ervan. Rechts bovenin zit de dichter Vergilius, en de reeks heeft dus kennelijk betrekking op één van zijn boeken. Als in een stripverhaal is hier het begin van de Aeneïs afgebeeld; alle ellende was begonnen met de keuze van de Trojaanse prins Paris voor de godin Venus, die van de Liefde. De door hem afgewezen godinnen Juno – de heerseres – en Minerva – de wijsheid – namen dat zo maar niet, en deden vervolgens alles om de Trojanen dwars te zitten. Zo hadden de schikgodinnen prins Aeneas beloofd dat hij de stad op de achtergrond op de berg -Carthago– zou veroveren, maar Juno stak daar vervolgens een stokje voor. De andere 81 plaquettes laten telkens een ander verhaal uit de omzwervingen van Aeneas zien.

BK-NM-7323 (5)

De schikgodinnen voor de stad Carthago

De serie is de eerste met een wereldlijk onderwerp die waarschijnlijk in het Franse Limoges werd gemaakt, en luidde daar een nieuwe bloeiperiode in. Wat we nog niet weten is hoe dit puzzelstukje past in het verhaal van de Nederlanden, al is uit andere bronnen inmiddels wel bekend dat het patroon veel internationaler was dan de klassiek vaderlands historicus graag zou willen.

Maar dat is niet de enige reden waarom ik het verhaal van Lupus wilde vertellen. Anders dan gevestigde musea hebben verzamelaars geen verzamelplan, en kunnen zij het zich dus veroorloven om te experimenteren. Zo heeft Annelies Krekel-Aalberse als één van de eersten de twintigste eeuw in zilver verkend, en gebruikte zij haar eigen verzameling als bron voor haar onderzoek en publicaties. Dankzij de inspanningen van Annelies, de Vereniging Rembrandt en de Mondriaan Stichting hebben de vier Nederlandse musea voor wie de kunstnijverheid van de twintigste eeuw een belangrijk zwaartepunt is – het Gemeentemuseum in Den Haag, Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Drents Museum in Assen en het Zilvermuseum in Schoonhoven – een belangrijk deel daarvan verworven en veilig gesteld voor ons allemaal. Maar het begint met de verzamelaar…

Advertenties

Een moment van hoop

Hanau doos in foedraal

Snuifdoos met gezichten op de Oude en de Nieuwe Beurs in Amsterdam, goud, 1.2 x 7.5 x 4.8 cm, Hanau, ca. 1845, Rijksmuseum Amsterdam, geschenk van de heren G. en W. Heijbroek, 2016, inv.nr. BK-2016-16.

Je zou het Nederlandse verhaal van het midden van de negentiende eeuw kunnen schetsen in de donkere en grauwe tinten van een decemberdag. Met andere woorden, je zou je kunnen laten leiden door de schoonheid van het verval, zoals wij die wij nu herkennen in de Britse en Amerikaanse industriesteden; verlaten terreinen en vervallen gebouwen getuigen van een volkomen vergane grandeur, en zijn plaatsen geworden waar alleen de kansarmen achtergebleven zijn. Dat gevoel van malaise tekent op allerlei manieren het Nederlandse beeld van de negentiende eeuw; het bepaalt de eigen verhouding tot de Gouden Eeuw, de verhouding tot het buitenland, en de verhoudingen tussen de steden onderling: jaloers keek de Amsterdammer bijvoorbeeld naar het jongere broertje Rotterdam, waar de grachten nog geen modderige stinksloten waren, en de Beurs nog niet tot een ruïne vervallen was.

RP-P-1905-441

Oude Beurs, gezien vanaf het Rokin, Jacob Folkema naar Jan de Beijer, ca. 1767, (RMA, RP-P-1905-441).

20161124_143725 (2)

De Oude Beurs gezien vanaf het Rokin op de doos,

Maar ik denk ook dat – net als nu – het verval relatief was. Ondanks alle schreeuwerij van moderne populisten, behoort Nederland nog steeds tot de grootste economieën ter wereld, en de basis daarvoor werd in de negentiende eeuw gelegd. Alle energie was toen gericht op herstel en wederopbouw. Waar de afbraak van de zeventiende-eeuwse Beurs van Hendrik de Keyser in 1835 het dieptepunt van het verval voor Amsterdam markeerde, was de opening van de nieuwe Beurs van Zocher in 1845 een teken van nieuwe hoop. Amsterdam had het keerpunt bereikt, en al zou de stad nooit meer de allesoverheersende positie bereiken die zij in de zeventiende eeuw had ingenomen, het ergste was voorbij.

ddd_010972653_mpeg21_p001_image

Het Nieuwe Beursgebouw te Amsterdam (Algemeen Handelsblad, 8-9-1845)

 

snuifdoos RMA boven (2)

Gezicht op de Nieuwe Beurs, met gefantaseerd beeld van Amsterdam, ca. 1845.

Eén van de voorwerpen die daarvan getuigen is een recent aan het Rijksmuseum geschonken gouden snuifdoos met topografische voorstellingen. Op de onderkant is het verleden weergegeven, de oude Beurs van Hendrik de Keyser gezien vanaf het Rokin. Op de belangrijkste plek, het deksel, staat de toekomst, de nieuwe Beurs die in september 1845 werd geopend. Dat er een direct verband was, valt af te leiden uit de beschrijving van de openingsceremonie van de Beurs in de Nederlandse kranten. De burgemeester van Amsterdam, Adriaan van der Hoop, schonk aan de architect van het beursgebouw een uiterst fraai gegraveerde gouden snuifdoos, waarop het nieuwe beursgebouw was afgebeeld.

De doos in het Rijksmuseum maakt onderdeel uit van een serie met dezelfde voorstellingen, en is niet alleen belangrijk omdat zij een voor Amsterdam belangrijk moment memoreert. Zij biedt ook inzicht in de nieuwe Nederlandse markt voor gouden snuifdozen en andere soorten grote bijouterie in de negentiende eeuw. Dat aspect heb ik uitgewerkt in een artikel, Een gouden doos uit Hanau voor de Nederlandse markt, dat net in het Jaarboek van de Stavelij verschenen is. Bestellen kan hier

De liefde en de eeuwigheid

KK_1128_1

Kan, verguld zilver, h. 63 cm, Neurenberg, door Christoph Jamnitzer, ca. 1601-voor 1607, Wien, Kunsthistorisches Museum, Kunstkammer, inv.nr. 1128.

 

KK_1104_8502.tif

Schaal, verguld zilver, 7 x 64,5 x 52,3 cm, Neurenberg, door Christoph Jamnitzer, ca. 1601-voor 1607, Wien, Kunsthistorisches Museum, Kunstkammer, inv.nr. 1104.

Al in een eerder blog heb ik iets verteld over de beroemdste Nederlandse zilversmid aller tijden, Paulus van Vianen (ca. 1570-1613). Vandaag wil ik laten zien onder welke bijzondere omstandigheden zijn kunst kon ontstaan. Kunstkamers bestonden al lang, maar die in Praag kende een eigen accent. Voor het eerst werden zilveren voorwerpen toegevoegd die niet met edelstenen en email waren verrijkt. De keizer koos voor zelfstandige kunstwerken in zilver, zoals het Trionfi-ensemble dat voor 1607 door de Neurenbergse goudsmid Christoph Jamnitzer (1563-1618) werd geleverd. Om de kunstwerken van Paulus van Vianen te begrijpen, moet je weten dat deze behoorden tot die nieuwe categorie, die zich onderscheidde door oorspronkelijkheid in vorm, versiering en beeldtaal, en door een uitzonderlijke virtuositeit in de uitvoering.

BK-16089-B (3)

Kan en schaal, zilver, de kan 33 × 15  × 8 cm, de schaal 6 × 50 × 40 cm, Praag, 1613, door Paulus van Vianen, Rijksmuseum, inv. BK-16089.

Op verschillende manieren is die nieuwe status aan Paulus’ kan en schaal in het Rijksmuseum af te lezen. Net zo min als de schepping van Christoph Jamnitzer kunnen ze worden gebruikt; het is niet mogelijk om de kan uit te schenken en evenmin is het bekken geschikt om het vuile water op te vangen. Dat het ook geen gewone pronkstukken zijn, maar kunstwerken die uitsluitend zijn bedoeld om door hun creativiteit en virtuositeit te verwonderen en te verbazen, blijkt als je probeert te doorgronden wat precies wordt verteld. Als je alles hebt overwogen, ontvouwt zich een verhaal vol dubbele bodems en onverwachte vergezichten. Jamnitzer doet dat in zijn Trionfi-ensemble ook; hij bezingt in het bekken Amor en in de kan Aeternitas door verschillende gedichten van de Italiaanse renaissance-dichter Petrarca te verbeelden.

BK-16089-A (2)

Op zaal vertellen we het verhaal op de schaal, dat van de onfortuinlijke prins Actaon die niets vermoedend op jacht is gegaan. Onderweg blundert hij tegen een grot aan, en stuit daar op de godin Diana die net met haar nimfen een bad neemt. Omdat Actaon zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan heiligschennis, wordt hij in een hert veranderd. Op de voorkant van de schaal is de verandering net begonnen, de achterkant toont zijn droevig einde. Onherkenbaar voor zijn eigen jachtgezelschap, wordt Actaon genadeloos door zijn eigen knechten en honden verscheurd. Een gewone man die zich waagt in een vrouwenwereld en raakt aan hun eer, ook al is het per ongeluk, kan niet ontkomen aan de wraak van de godin. Hij sterft een oneervolle dood, want pas dan is – zoals Ovidius het vertelt – de wrok van Diana gesmoord.Vianen achterkant (2)

Maar wat nu als een vrouw de vijand onbedoeld binnenhaalt? Onder het gevolg van Diana bevond zich een prinses, Callisto, die het ongeluk had om de aandacht te trekken van de oppergod Jupiter. Op de voorkant van de kan is te zien hoe Jupiter, vermomd als Diana, de nimf verkrachtte. Ook hier toonde de godin zich onverbiddelijk; zij verstootte de inmiddels zwangere Callisto uit haar gevolg, en tot overmaat van ramp werd de prinses door een andere godin ook nog in een levensgrote beer omgetoverd. De ellende lijkt compleet als zij 15 jaar later oog in oog komt te staan met haar eigen zoon; hij is op berenjacht…. Die confrontatie is afgebeeld op de achterkant van de kan, en wie het verhaal kent, kan het in gedachten zelf aanvullen. Anders dan Actaon, sterft Callisto uiteindelijk geen oneervolle dood. Zij verwerft de onsterfelijkheid; de goden plaatsen haar als het sterrenbeeld Grote Beer aan het firmament.BK-16089-B - kopie (3)

Net als Jamnitzer verbeeldt Van Vianen hier dus het strijdperk van de liefde en het zicht op de eeuwigheid, maar is wel een belangrijk verschil. Paulus neemt de literatuur uit de oudheid zelf als uitgangspunt, en concentreert zich op enkele specifieke scènes. Aanleiding en ultieme straf worden op beide voorwerpen verbeeld, en de uit botten en andere beenderstructuren samengestelde omlijstingen onderstrepen nog eens het onvermijdelijke lot van degenen die bezwijken. Maar dan wel met een belangrijk verschil: degene die de vrouw in haar eer aantast, de voyeur Actaon, wordt genadeloos afgestraft; het slachtoffer Callisto uiteindelijk met de onsterfelijkheid beloond.

Jewellery Matters

BK-NM-7459

Hanger in de vorm van een haan, goud, gedeeltelijk geëmailleerd, parel, diamant en robijn, 7,5 x 4,5 cm, Duitsland, ca. 1600-1625, Rijksmuseum, schenking van Koning Willem I aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, 1814, BK-NM-7459.

Tien jaar geleden wisten maar heel weinig mensen dat het Rijksmuseum ook een interessante verzameling juwelen bezat. Natuurlijk, in de overzichtsboeken werd wel aandacht besteed aan de creaties uit de Renaissance en het Art Nouveau, maar omdat maar een klein deel van de verzameling voor de sluiting van het museum in 2003 tentoon werd gesteld, en bovendien over verschillende zalen was verdeeld, keek je er makkelijk over heen. De verzameling, waarvan de eerste delen al in de vroege negentiende eeuw binnen waren gekomen, sliep voor een belangrijk deel in een warm bedje, de lange droomloze slaap van het depot.Marjan

In 2009 kwam Marjan Unger naar het museum met de vraag of er in het Rijksmuseum mogelijkheden waren om haar verzameling voor de toekomst te bewaren. Ik was daar direct enthousiast over. De verzameling van Marjan is bijzonder omdat deze is verzameld om inzicht te krijgen in een aspect van de Nederlandse kunstgeschiedenis waar nauwelijks iets over geschreven is (en wat dus in de Collectie Nederland grotendeels ontbreekt), en Marjan had de verzameling ook gepubliceerd. Op basis daarvan had zij de eerste brede beschouwing geschreven over het sieraad, Het Nederlandse sieraad in de 20ste eeuw. Juist het Rijksmuseum was daarvoor de beste plek, omdat die collectie ook vanuit verschillende perspectieven is samengesteld. Ruwweg zijn er drie categorieën; kunsthistorische hoogtepunten, waarbij het ontwerp voorop staat; cultuurhistorische hoogtepunten, die samen een beeld geven van de voornaamste trends; en tot slot historische hoogtepunten, die nauw met belangrijke personen verbonden zijn. In de afgelopen jaren heb ik daar op verschillende momenten iets over verteld. Alle verhaaltjes vindt je onder het trefwoord juwelen in het keuzemenu.

rijksmuseum_amsterdam_11

Broche à double usage, goud, maansteen en diamant, 6 x 3,2 cm, Den Haag, ca. 1935, door Walter Röhrig (geb. Den Haag 1891-), Rijksmuseum, Collectie Marjan en Gerard Unger, 2010, inv. BK-2010-2-174.

Met de ruim 500 juwelen en sieraden die in 2010 in één keer konden worden toegevoegd, werd de verzameling bijna twee keer zo groot en werd ook een nieuw terrein betreden, de twintigste eeuw. De toevoeging vormde het uitgangspunt voor de nieuwe opstelling die ik in 2013 voor de juwelen en sieraden heb ontwikkeld, een chronologische ontwikkeling van het juweel in de Special Collections. Verschillende schenkers volgden het voorbeeld van Marjan, en er werd ook een speciaal Juwelenfonds gesticht. Al deze initiatieven samen zorgden ervoor dat de verzameling langzaam tot leven kwam; ze groeide en groeit gestadig door. Daardoor kan het Rijksmuseum uiteindelijk een uniek beeld tonen van de geschiedenis van het Nederlandse sieraad in Europese context vanaf de vroege Middeleeuwen tot aan onze eigen tijd.

Tiffany Gallery

De Tiffany Foundation Jewellery Gallery in het Rijksmuseum

Wat de meeste mensen niet zullen beseffen, is dat de belangrijkste kosten voor zoiets niet zitten in het verwerven van collectie, maar in datgene wat je uiteindelijk met die verzameling wilt doen. Omdat een belangrijk deel al heel lang niet te zien was geweest, en de voorwerpen dus onder eeuwen stof en vuil schuilgingen, konden ze niet zomaar worden gepresenteerd. Daarvoor werden speciaal twee restauratoren aangenomen, Ellen van Bork en Tamar Davidowitz. Zij gebruikten de gelegenheid om materiaal-technisch onderzoek te doen naar de juwelen, zodat een beter beeld ontstond van de geschiedenis van ieder object. Mijn wens om de voorwerpen zwevend te tonen, impliceerde tot slot dat voor ieder object een unieke steun moest worden gemaakt, een opdracht die door Raf Snippe prachtig is uitgevoerd.

rijksmuseum_amsterdam_15

Parure, bestaande in een collier, twee oorbellen, twee armbanden, een broche en twee spelden, goud, gouddraad en Oeral-amethist, Amsterdam, 1824-1829, door Jean Baptiste Bonnard, Rijksmuseum, Legaat J.G. de Groot – Jamin, 1921, BK-NM-12886.

De presentatie was dus in orde, maar er ontbrak nog een essentieel element. Om aan de buitenwereld te laten weten dat de verzameling er was, en ervoor te zorgen dat deze een rol kon gaan spelen in het internationale debat was een algemene publicatie voor een breed publiek nodig. Marjan en ik kwamen uit op een juwelenboek, waarin zij haar ideeën over het sieraad verder kon uitwerken. Door voorbeelden uit de collectie van het Rijksmuseum te gebruiken, zou tegelijkertijd een belangrijk deel van de verzameling met de juiste basisgegevens kunnen worden gepubliceerd. Voor de enorme hoeveelheden werk die daarvoor binnen de muren van het Rijksmuseum diende te worden verzet, werd de afdeling in 2015 versterkt door de junior conservator en restaurator juwelen, Suzanne van Leeuwen. Het eindresultaat ligt nu voor me, en het is precies geworden wat ik had gehoopt. Een vlot geschreven oorspronkelijk verhaal met onverwachte combinaties, dat voor het eerst uitgebreid gebruik maakt van de reikwijdte van de verzamelingen van het Rijksmuseum. Het kost 39,95 en bestellen kan hier:

foto01

Daarmee is het verhaal natuurlijk niet klaar. We staan niet aan het eindpunt van een ontwikkeling, maar aan het begin daarvan. De oplettende lezer van dit blog zal inmiddels met heel andere vragen zitten. Ik hoor jullie al hardop rekenen: zoveel nieuwe mensen en een op maat gemaakte presentatie voor honderden voorwerpen; waar doet het Rijksmuseum dat allemaal van? Misschien dat mensen denken dat het geld in het Rijksmuseum tegen de plinten klotst, en dus alles mogelijk is, maar dat valt in de werkelijkheid nogal tegen. Het antwoord op het Oud-Vaderlandsche refrein: “wie zal dat betalen?” is dat achter de schermen een heel leger particulieren en fondsen actief is geweest. Bij het bereiken van een nieuwe mijlpaal wil ik hen daarom bedanken. Speciaal onze grootste sponsor, de Tiffany Foundation in New York, wiens naam de Jewellery Gallery terecht draagt. Therefore, in English: at the reach of a new milestone: Thanks to the Tiffany Foundation, for its trust and the continuation of support in building an unique jewellery collection in the National Museum of The Netherlands.

image001

Marjan Unger ontvangt het eerste exemplaar van Jewellery Matters (foto Rebecca Roskam)

 

Betrouwbare getuigen

Anders dan je misschien zou denken als je het merendeel van de Nederlandse kranten leest, is de tentoonstelling Johannes Maelwael in het Rijksmuseum geen oeuvre-overzicht van een al dan niet terecht vergeten kunstschilder, zoals die in de Nederlandse musea vrijwel aan de lopende band wordt georganiseerd. Door kunstwerken in verschillende media te contrasteren en te combineren roept de tentoonstelling een beeld op van de wereld van een Nederlandse kunstenaar uit de Middeleeuwen, in de fragmenten waarin deze tot ons gekomen is.

20171002_143649 (3)

De reuk, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, voor 1459, Domschatzkammer Osnabrück.

Daardoor ontstaan soms onverwachte inkijkjes. Voor mij de bijzonderste is nog geen vijf centimeter groot. De broche vertegenwoordigt een type dat in het eerste kwart van de vijftiende eeuw werd gebruikt als sluiting van de lange mantels die toen werden gedragen. Het gaat om een betrouwbare getuige; omdat het voorwerp al in 1459 aan een reliekschrijn in Osnabrück geschonken werd, weten we zeker dat het toen al moet hebben bestaan. Voor anderen is de herkomst minder zeker, met als gevolg dat die veel moeilijker te dateren en te plaatsen zijn.

Gevouwen in een bloemblad is een vrouw weergegeven, met uitstaande stijve krullen en wapperende gewaden. Zij komt aangerend met een bloemboeket, waarvan de stammen door stijve draden en de bloemen door parels en edelstenen worden gevormd. De voorstelling doet denken aan misschien wel de beroemdste tapijtenserie die ons uit de late Middeleeuwen is overgeleverd, een reeks van zes uit omstreeks 1500, die nu in Museum Cluny in Parijs te bewonderen is. In een tuin waar het altijd zomer is, en dieren uit verschillende continenten samen in vrede leven, zijn jonge vrouwen afgebeeld. Hoewel de beeldtaal nog niet helemaal is ontcijferd, zijn de meeste onderzoekers het er wel over eens dat vijf ervan de zintuigen verbeelden. De vrouw met bloemen in haar hand naar alle waarschijnlijkheid de reuk.

The_Lady_and_the_unicorn_Smell

De reuk, 311 x 290 cm, wandtapijt, het ontwerp Parijs, de uitvoering Brussel of Brugge, omstreeks 1500, Musée de Cluny, Paris, inv. Cl. 10834

Het ontwerp voor de tapijtenserie is waarschijnlijk van de hand van een in Parijs werkzame kunstenaar, maar voor de uitvoering wordt al heel lang gedacht aan één van de vele ateliers die toen in Brabant en Vlaanderen actief waren, onder andere in Brugge en Brussel. Het juweel getuigt op een andere manier van de verwerking van Parijse ideeën. De gebruikte technieken sluiten aan bij een kleine groep gouden sieraden in email en ronde bosse, die op een andere manier zijn geconstrueerd dan de hoofse hoogtepunten. Het belangrijkste verschil is het gebruik van gouddraad in allerlei vormen, als onderdeel van de constructie, maar ook en vooral als essentieel element in de detaillering. Zonder de constructie van stevige draden is het bloemboeket hier ondenkbaar, maar puur esthetisch is de keuze om ook de uitstaande krullen van de dame in opgerold gouddraad te realiseren. Veelzeggend is ook dat het voor de Parijse productie kenmerkende doorschijnende rood – een complexe, en daardoor kostbare kleur waarvan het geheim angstvallig werd bewaard –  ontbreekt. De hoofdrol is hier weggelegd voor het witte ondoorschijnende email, dat op het reliëf is toegepast. Tenminste vanaf 1431 was deze techniek in Brugge bekend.

Weltliche_Schatzkammer_Wien_(211)

Twee minnaars onder een boom, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Weltlichen Schatzkammer, Wien, inv. Pl 130.

1200px-Fürspan_mit_Falknerin_KGM_K1364

Valkenierster, goud, parels en email, ca. 5 cm, diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Kunstgewerbe Museum Berlin, inv. K1364

Als je de verschillende kunstwerken op je in laat werken, en de tour de force van het Rijksmuseum goed tot je door laat dringen, laat de wereld van Johannes Maelwael je zien dat de interactie tussen het Parijse hof en de productiecentra in de Nederlanden in de veertiende en de vijftiende eeuw veel complexer was dan we nu misschien geneigd zijn te veronderstellen. Om een nieuw verhaal te kunnen vertellen zonder uitsluitend te hoeven vertrouwen op het tweesnijdend zwaard van de stilistische interpretatie, moeten we op zoek naar betrouwbare getuigen. Dat ik niet de enige ben die zo over juwelen denkt, kun je op 16 en 17 november horen op het symposium Jewellery Matters. Er zijn nog plaatsen vrij, dus als je geïnspireerd bent, voel je vrij (en schrijf je snel in).

Schilderende goudsmeden?

Als je naar kunstwerken uit de Middeleeuwen kijkt, moet je je realiseren dat de kunstwereld toen heel anders was georganiseerd als nu. Ambachten waren in gilden ondergebracht, en de scheiding daartussen was voor veel vakgebieden strikt. Zo mocht een meubelmaker bijvoorbeeld alleen met ornament versierde meubelen maken, en diende hij het snijwerk en het schilderwerk over te laten aan anderen, professionele beeldsnijders en schilders. Als vanuit dat perspectief naar de edelsmeden wordt gekeken, lijkt het landschap daar heel anders. Door de hertog van Gelre werd Johannes Maelwael (Nijmegen ca. 1365 – Dijon 1415) niet alleen betaald voor schilderijen, maar ook voor werken in goud en zilver, en zijn neven, de Gebroeders van Limburg, werden opgeleid in het atelier van een edelsmid. Aan de andere kant zijn ook edelsmeden bekend, zoals de Utrechters Elyas Scerpswert (Utrecht ca. 1325-1387) en zijn zoon Willem (actief Utrecht 1383-1391, Parijs 1393-1407?) waarvan de eerste werd ingeschakeld om de kwaliteit van het werk van kunstschilders te beoordelen, en waarvan de tweede een voorblad voor een missaal schilderde. Deze kunstenaars passen dus niet in de veronderstelde vakjes. Of het zouden allemaal schilderende goudsmeden, of goudsmedende schilders moeten zijn.

louvre-grande-pieta-ronde

Imagino Piètatis, olieverf en bladgoud op paneel, 64 cm diameter, France, ca. 1400, toegeschreven aan Jean Malouel/Johannes Maelwael, Louvre, inv. M.I. 692.

Je kunt natuurlijk kijken naar visuele overeenkomsten. De compositie van de grote Pièta, het belangrijkste geschilderde werk dat ons van Johannes Maelwael rest, lijkt heel erg op die van een medaillon in geëmailleerd goud uit dezelfde periode, en zo zijn er nog wel meer parallellen te trekken op de tentoonstelling in het Rijksmuseum. Het probleem daarvan is dat die overeenkomsten op zich weinig zeggen; ze kunnen ook op een heel andere manier worden verklaard. Omdat maar heel weinig gouden en zilveren kunstwerken bewaard gebleven zijn, en datgene wat ons resteert bovendien veel minder precies is onderzocht dan bijvoorbeeld de schilder- en de beeldhouwkunst, weten we niet in hoeverre de Scerpswerts uitzonderingen waren. Dat voorbeeld geeft wel aan dat het negentiende-eeuwse idee van de ontwerpende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman toen voor hen niet opging, maar vertelt niets over de gewone verhoudingen.

DT225921

Imagino Piètatis, goud en email, het centrale plaatje diameter 5 cm, Parijs, 1390-1420,
New York, The Metropolitan Museum of Art, Geschonken door J. Pierpont Morgan, 1917, Metropolitan Museum of Art, New York, inv. 17.190.913.

Als je wilt weten hoe de relatie tussen de goudsmeden en de schilders was, kun je ook kijken naar de regelingen van de Bourgondische hertogen uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw. Die wetgeving oversteeg de gildepraktijk die in de stedelijke voorschriften was vastgelegd, en de toezichthouders in eerste aanleg, de gildebesturen, werden door hen als staatsdienaren beschouwd. Tot hun competentie vielen niet alleen de volwaardige goud- en zilversmeden in hun gebied, maar ook allen die goud en zilver verwerkten. Omdat de achtergrond van de grote Pièta en de miniaturen van de gebroeders van Limburg uitvoerig met bladgoud zijn versierd, is direct duidelijk waarom zij tot de laatste categorie zouden worden gerekend. Er was dus een directe relatie tussen de schilders en de edelsmeden via het gebruikte materiaal.

chocques

Reliekhouder in de vorm van een vleugelaltaar, Parijs, c. 1400-1410, goud en email (keerzijde) 12.5 × 12.7 × 7 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-17045.

Goudsmeden en schilders beheersten verschillende technieken. De Parijse goudsmeden rond 1400 bewaakten de geheimen van het wit en het doorschijnend rood email, en de toepassing daarvan op een rond vlak, met gevaar voor eigen leven, en het bleef dan ook decennia hun specialisme. Een andere techniek die op de gouden en zilveren kunstwerken toen een belangrijke rol speelde, was het stippelgraveerwerk. Met metalen stiftjes werden patronen aangebracht. Het damastachtige effect in verschillende nuances tussen mat en glanzend werd ook nagestreefd door de schilders, Maelwael bijvoorbeeld in de stralenkrans rond het hoofd van zijn Christus. Om die techniek te leren hoefde hij niet naar Parijs. Kijk maar naar de binnenkant van de mijter op het belangrijkste bewaard gebleven werk van Elyas Scerpswert, die veertig jaar eerder is gerealiseerd.

BK-NM-11450-05 (2)

Borstbeeld van de Heilige Frederik (detail), Utrecht, Elyas Scerpswert, 1362, verguld zilver, 45.2 × 24.2 × 17.5 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-NM-11450.

 

Pork, pork, pork, taart eet je met…

 

SK-A-4646

Stilleven met kalkoenpastei, olieverf op paneel, 75 × 132 cm, gesigneerd en gedateerd Pieter Claesz, 1627, Rijksmuseum Amsterdam, inv. SK-A-4646.

Als de bakkoorts in Nederland weer nieuwe hoogtepunten bereikt, loop je met nieuwe ogen over de zalen van het Rijksmuseum. Ik bleef wat langer hangen bij één van mijn favorieten, een stilleven uit 1627 van de Amsterdamse schilder Pieter Claesz. In het midden van de tafel staat een aangebroken taart, met bovenop een lepel. Het duurt even voordat tot je doordringt dat alle attributen die wij nu gebruiken ontbreken. Geen taartschep, geen vorkjes, maar een mes en een lepel.

SK-A-4646 (2)

Zou dat iets te maken hebben met het soort taart? De eerste Nederlandse boeken over dit onderwerp verschijnen veel later in de zeventiende eeuw, en op het eerste gezicht zou je dus denken dat je daar geen gegevens aan zou kunnen ontlenen. In de Verstandige kok uit 1669 – niet lang geleden opnieuw uitgegeven door Marleen Willebrands – worden reeksen taarten genoemd, waarvan er verschillende in aanmerking zouden kunnen komen. Wand, bodem en deksel zijn opgebouwd uit een gezoet korstdeeg, de vulling bestaat uit in wijn gekookte pruimen, rozijnen en allerlei specerijen. Ook voor de vorm van de taart, en de manier waarop deze is aangesneden zijn parallellen te vinden in de literatuur uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. In de Voorsnijdinghe uit 1664 wordt het een pastey genoemd; op de afbeelding is dezelfde kartelrand te zien, en dezelfde verdeling van het deksel in zes punten. De wanden van de taart werden kennelijk niet aangesneden, maar apart gegeten.

Het kookboek, het boek over de kunst van het voorsnijden en het schilderij zijn alle drie belangrijke ijkpunten, en vertellen in samenhang je echt iets over de Nederlandse kookcultuur. Dat een in 1627 afgebeelde taart pas veertig jaar later voor het eerst in een kookboek verscheen, laat zien dat de zeventiende eeuw ook al klassiekers kende, en dat ontwikkelingen veel minder abrupt verliepen dan wij nu wel eens denken.

BK-15731

lepel, zilver, 17 x 5,7 cm, Hoorn, voor 1663, toegeschreven aan Reynier Bel, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-15731

Datzelfde verhaal strekt zich ook uit tot de voorwerpen die op de tafel zijn afgebeeld. In het Rijksmuseum is er een lepel die lijkt op het afgebeelde exemplaar, maar minstens twintig jaar later is gemaakt. Omdat de jaarletterreeksen voor Hoorn nog niet helemaal duidelijk zijn, kan hij nog niet precies worden gedateerd. Omdat de Hollandse leeuw ontbreekt, staat vast dat de lepel voor 1663 moet zijn gemaakt. Omdat er andere voorbeelden uit hele land bekend zijn, staat ook vast dat het om een heel gangbaar model moet zijn geweest.  Ze werden zelfs als set uitgevoerd; in de inventaris van het Amsterdamse bankiersechtpaar Guillelmo Bartolotti van den Heuvel (1602-1658) en Jacoba van Erp (1608-1664) wordt in 1664 een set van zes lepels en vorken omschreven, waarvan de stelen met “doorne stockjens” waren versierd.