Letterdans en letterspel

RP-P-1982-1415

Verscheyde Gefleuroneerde T’Zamen-Gevlogte Naam-Letteren of Chifres, plaat VII, gravure op papier,  plaatrand: h 137 mm × b 188 mm, Amsterdam, door Anthonie de Winter en uitgegeven door Nicolaes Visscher, ca. 1690-1702, Rijksmuseum, inv.nr. RP-P-1982-1415.

Als ik nu door de winkelstraat loop, en overal weer de chocolade letters van Verkade in de rekken zie staan, moet ik denken aan de ontwerper ervan, Gerard Unger. Iets meer dan een week geleden overleed hij. We ontmoetten elkaar bijna tien jaar geleden via het Rijksmuseum, en langzamerhand ontwikkelde zich een vriendschap. Dat ook voor alfabetten een ontwerp diende te worden gemaakt, was iets waar ik nooit zo over had nagedacht.

BK-1963-62-A

Schaal, zilver, 3 × 49,7 × 37,7 cm, Den Haag, 1670, toegeschreven aan Jonas Gutsche, Rijksmuseum, inv.nr. BK-1963-62-A.

Als je de verzamelingen van het Rijksmuseum doorloopt, zie je dat vroeger de vormen van letters ook belangrijk waren. Eén van de leukste is de letterdans: initialen staan in spiegelbeeld tegenover elkaar, en voeren samen een uiterste precieze choreografie uit. Het resultaat noemen wij nu een spiegelmonogram, vroeger heette dat een naamcijfer. Eigenlijk is de laatste term veel beter, omdat het best wel ingewikkeld is om het samenspel van de letters te ontcijferen.

BK-1973-68

Kan, zilver, verguld, 20,0 x 19 × 10,7 cm, Londen?, ca. 1690, toegeschreven aan Daniel Garnier, Rijksmuseum, inv.nr. BK-1973-68.

Omdat zilver precies kan worden gedateerd, kun je de ontwikkeling van vormen en ideeën exact volgen. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw komen verschillende typen monogrammen voor. Een klassieke samenstelling is in 1670 te vinden op het midden van een schaal; de letters T, E, S, A, I, V en B zijn in elkaar geschoven, maar een spiegelmonogram is dit nog niet. Verdubbeld, gespiegeld en in elkaar geschoven zijn de letters EAVB op de onderdelen van een ander, omstreeks 1666 besteld toiletstel. Ze verwijzen in dit geval naar een vooraanstaande hofdame met internationale relaties, Elisabeth van Nassau Beverweerd.

BK-NM-764 (2)

Schotel, glas, 3 × 32,3cm, de diamantgravure door Willem Jacobsz van Heemskerck, 1685, Rijksmuseum, inv.nr. BK-NM-764.

Spiegelmonogrammen moeten al snel de harten van de zeventiende-eeuwers hebben veroverd, en vanaf het midden van de jaren 1680 zijn ze overal; in 1685 op een schotel van de Leidse glasgraveur Willem Jacobsz van Heemskerk (Leiden 1613-1692); omstreeks 1690 op de achterkant van het gouden portretmedaillon van Hendrik Casimir II, vorst van Nassau-Dietz, en ook combinaties met wapens komen dan voor, zoals op de schildpadden met zilver ingelegde juwelendoos van het Amsterdamse echtpaar Gale Galis (Stavoren 1665 – Amsterdam 1707) en Catharina La Clé (Amsterdam 1677 – 1708), die in 1697 waren gehuwd. De plotselinge populariteit van dit gegeven is ook af te lezen aan de handboeken die toen circuleerden; reeksen prenten waarin het samenspel van verschillende letters alvast werd aangeduid. De vroegste verschenen omstreeks 1690, maar zoals de voorbeelden in zilver laten zien was het idee toen al zeker een generatie lang in gebruik.

BK-NM-7596

Medaillon, goud en email, 7 x 5 cm, Nederland, ca. 1690, Rijksmuseum, inv.nr. BK-NM-7596

Het letterspel en de letterdans kunnen we tot diep in de negentiende eeuw volgen, maar wie de ontwerpers ervan waren weten we helaas niet omdat dit lang niet als een interessant onderdeel van ons erfgoed is beschouwd. Gerard verkende dit rijke verleden en raakte er door geïnspireerd en ontwikkelde op basis daarvan zijn Alverata. Zijn bijdrage aan de geschiedenis van de typografie is gelukkig goed gedocumenteerd, en met recht stond boven zijn In Memoriam dan ook: zijn letters leven voort.

Opnamedatum: 2018-02-19

Doos, schildpad en gegraveerd zilver, 11 × 23,5 × 16 cm, Amsterdam, ca. 1697, Legaat van Henriëtte Adriana van Heukelom, 1894, aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, van wie sinds 1958 in bruikleen, Rijksmuseum, inv.nr. BK-KOG-1932.

 

Advertenties

Zilver voor alledag

In de eerste decennia dat het Rijksmuseum bestond, stond nog niet gelijk vast wat de focus van de nieuwe instituut zou zijn. Zou het museum kiezen voor een breed cultuurhistorisch perspectief dat met relatief weinig middelen kon worden gerealiseerd, of zich uitsluitend concentreren op kostbare hoogtepunten? Een belangrijke drijvende kracht op de achtergrond was de politicus Victor de Stuers (1843-1916). In Holland op zijn smalst had hij zich in 1873 vooral sterk gemaakt voor het behoud van absolute hoogtepunten, en je zou dus verwachten dat onder zijn leiding vooral die voor het museum zouden worden aangeschaft.

BK-NM-4680

Band om een 19de-eeuwse bijbel, de band segrijnleer en zilver, 17 x 11 cm, Nederland, ca. 1740-1760, aankoop 1879, Rijksmuseum, inv.nr. BK-NM-4680.

Dat De Stuers daarnaast ook oog had voor de teloorgang van het gewone, de getuigen in zilver die ons juist veel vertellen over de rol van zilver in het leven van alledag, blijkt uit de aankoop van een groep boeksloten in 1881. De Stuers had ze bij zijn vroegere hospes, de zilversmid Johannes Stoute (Leiden 1833-1897) in de Janvossensteeg in Leiden ontdekt, en voorgesteld als belangrijke getuigen van een inmiddels bedreigd, ooit wijd verspreid gebruik. Nieuwe bijbels en missalen werden niet meer met zilveren sloten versierd, met als gevolg dat de oude in rap tempo werden omgesmolten en hergebruikt. Het museum diende er voorbeelden van te verzamelen, en snel, voordat alles in de smeltkroes verdwenen was.

BK-NM-5233

Boekslot, zilver, 06 x 2,3 x 9,2 cm, Haarlem, 1753, door Carel Koekebakker, aankoop 1881, via V.E.L. de Stuers, Rijksmuseum, inv. BK-NM-5233.

De Stuers was daarin zeker voorbarig, omdat bijbels met zilveren beslagen nog decennia lang werden geproduceerd, verkocht en gedragen, en zeker als je naar de optimistische dateringen van deze stukken kijkt – alles werd toen in de zeventiende eeuw gedateerd, hoewel in werkelijkheid nog geen eeuw oud – is vrijwel zeker dat deze aankoop nu de toets van de kritiek niet zou kunnen doorstaan.

Het idee zelf is voor mij nog steeds een belangrijk uitgangspunt voor de verzameling, vanwege het verhaal dat er in besloten is. Zilveren voorwerpen waren ooit een heel gewoon onderdeel van het dagelijks leven in Nederland, en juist dat was zo uitzonderlijk dat een Engelse ambassadeur al in de zeventiende eeuw het nodig vond om dat aspect te benadrukken. In de Republiek heeft het gewone volk meer zilver, dan in Frankrijk of in Engeland koper…

Paar boeksloten met de verrijzenis van Jezus en de verrijzenis van Maria, zilver, ieder totale lengte 10 cm, Enkhuizen (keurkamer Hoorn) 1810-1813, door Willem Nicolaas Ernes, aankoop 1881, via V.E.L. de Stuers, Rijksmuseum, inv. BK-NM-5226, BK-NM-5227.

 

Samenwerken

BK-1981-51

Bokaal met deksel, vervaardigd voor het echtpaar Johan van Borssele van der Hoge en Anna Margaretha Elisabeth Coninck, goud, 25,5 x 9,9 cm diameter, Amsterdam 1754, door Louis en Philippe Metayer, Rijksmuseum, inv. BK-1981-51

We weten dat in het tweede kwart van de achttiende eeuw in Amsterdam een aanzienlijke groep goudsmeden werkte, en hoewel maar weinig van hun werk bewaard gebleven is, is duidelijk dat zij onderdeel uitmaakten van een internationaal netwerk dat zich tot in Londen en Parijs uitstrekte. Tot de belangrijkste kunstenaars behoorden de in Rouen geboren gebroeders Metayer, de drijver Philippe (in Amsterdam 1725-1763) en de goudsmid Louis (in Amsterdam 1730-1774), die ook het hoogtepunt in rococo van het Rijksmuseum vervaardigden; de familiebokaal van het Zeeuwse echtpaar Van Borssele-Coninck uit 1754. Soms bestelde Philippe ontwerpen bij de schilder/tekenaar Lucien Fabritius Dubourg (Amsterdam 1693-1775), maar het is zelden mogelijk om een ontwerp overtuigend met een realisatie daarvan in goud te verbinden.

20180806_214034

Repetitiehorloge, goud, diameter 5,8 cm, het werk door Andries Vermeulen, de binnenkast Amsterdam 1734, toegeschreven aan Pierre Daniël Bellanger, de overkast 1735, door Louis en Philippe Metayer, Rijksmuseum, geschenk van mevrouw  E.H. Slothouwer-de Graaff, inv. BK-2016-100

opnamedatum: 2017-02-14

Esther voor Ahasveros, inkt op papier, 11,7 x 11,7 cm, Louis Fabritius Dubourg, Amsterdam 1733, Rijksmuseum, RP-T-1983-351

Dit horloge is een uitzondering op die regel omdat de voorstelling, Esther voor Ahasveros, direct kan worden verbonden met een ontwerptekening in de collectie van het Rijksmuseum. Dubourg werd op 2 september 1733 voor deze tekening door Philippe Metayer betaald, en de realisatie van het ontwerp in goud is niet lang daarna, tussen 30 november 1733 en 30 november 1734, door het atelier van de gebroeders Metayer gerealiseerd. De verhouding tussen de schilder en de drijver blijkt uit de wijzigingen die de laatste doorvoerde; waar de figuren en de onderlinge interactie exact zijn gebaseerd op het ontwerp van Dubourg, verving Metayer de stijf classicistische architectuur van de schilder voor een veel modernere en beweeglijkere versie van eigen vinding.

De uurwerkmaker die de werkzaamheden van de verschillende kunstenaars coördineerde, was Andries Vermeulen (1680-1752). Hij was één van de belangrijkste horlogemakers van Amsterdam, en het is bekend dat hij bijzondere aandacht besteedde aan de kasten van de uurwerken die hij verkocht. Eén van de hoogtepunten is het staande horloge met de schildpad en metaal versierde kast in het Rijksmuseum. Daarnaast zijn er enkele horloges met gedreven scènes in goud bekend, waarvan dit exemplaar één van de allermooiste is.
Voor klassieke kunsthistorici, gespecialiseerd en getraind in de beeldende kunsten, is het misschien moeilijk aanvaardbaar dat op andere vakgebieden het idee van de autonome kunstenaar meestal niet relevant is. In de edelsmeedkunst gaat het juist om het samenspel van de verschillende specialisten dat bij hoge uitzondering hier precies te volgen is.

BK-1981-51 (2)

Hoe de liefde het geweld overwon

20180608_095318

Vijf plaquettes gemonteerd op een kist, de plaquettes zilver, Genua, gesigneerd en gedateerd Mathias Melin Belga 1636, Rijksmuseum, BK-NM-603/607. Opstelling in 2018

Omdat voor de ornament-tentoonstelling KWAB grote en beeldbepalende kunstwerken als de kan en schaal van Paulus van Vianen nodig zijn, is er eindelijk ruimte voor één van de zeldzame Italiaanse stukken die het Rijksmuseum rijk is: een serie van vijf plaquettes, gemaakt in 1636 in Genua door de in Antwerpen geboren drijver Mattheus Melijn/Matthias Melin (Antwerpen 1588 -1653). In Genua maakte hij onderdeel uit van een kleine maar hechte gemeenschap uit de Nederlanden, en ontwikkelde zich daar tot de belangrijkste kunstenaar in zilver. In deze reliëfs zocht hij de grenzen van de rekbaarheid van zijn materiaal op; de belangrijkste figuren komen bijna los van de ondergrond, maar zijn daar nog wel mee verbonden. Zijn werk is zeldzaam, en nu over de hele wereld verspreid.

HA-0012341

Dezelfde plaquettes, gemonteerd op een wand. Opstelling ca. 1953

De serie werd in 1822 aangekocht door het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, en was enkele decennia eerder, in 1775, in Italië ontdekt door de verzamelaar Arnout Vosmaer (1720-1799). Toen waren het al losse platen en zo zijn ze ook altijd in het Rijksmuseum opgesteld. Niet tot mijn tevredenheid: de onderlinge samenhang gaat verloren als ze naast elkaar op een wand worden gemonteerd. Je weet niet waar je naar kijkt als je niet weet dat ze ooit in de wanden en het deksel van een ebbenhouten kist waren opgenomen. Nu ze voor het eerst in ruim twee eeuwen weer op een doos zijn bevestigd, wordt weer duidelijk wat de bedoeling was. Het licht speelt weer over de reliëfs, benadrukt het sculpturale karakter en brengt ze tot leven.

 

BK-NM-605

Ambrogio Spinola voor de stad Gulik,  H 23 x 54,5 cm

BK-NM-604

Ambrogio Spinola voor Casale Monferrato, H 23 x 56 cm,

Nu de voorstellingen in de juiste volgorde te lezen zijn, blijkt dat een heel ander verhaal wordt verteld dan vroeger gedacht. Ooit was het idee dat de platen hulde brachten aan een beroemde veldheer in Spaanse dienst, Ambrogio Spinola (Genua 1569 – Castelnuova Scrivia 1630). Maar twee van de platen gaan ook echt over hem. Aan één kant is het beleg voor de stad Gulik in het hertogdom Gulik /Berg/Kleef (1619-1622) tegen de Nederlanders te zien, aan de andere een veldslag tegen de Fransen om het hertogdom van Mantua (1628-1631). In beide gevallen is niet het dramatische hoogtepunt, maar de scène daar net voor afgebeeld. Dat betekent dat de kijker het verhaal zelf diende aan te vullen, en er werd dus vanuit gegaan dat deze de geschiedenissen kende. De eerste gevechtshandeling eindigde in een klinkende overwinning, de tweede in een diepe nederlaag. Tijdens de laatste campagne stierf Ambrogio, ziek en berooid.

BK-NM-603

De intocht van Giambattista Spinola en Maria Spinola in San Pietro in Galatina (Sicilië) in 1616, H. 27 x 64,5 cm.

De belangrijkste plek – bovenop de kist – wordt ingenomen door de triomf van zijn zus Maria (Genua ca. 1570 – 1642). De inscriptie rechtsboven vertelt hoe zij en haar echtgenoot Giambattista Spinola (Genua 1575-1625) door de bevolking van het hertogdom San Pietro in Galatina (Sicilië) in 1616 als de nieuwe heersers werden ingehaald. Dat betekent dat niet het leven van Ambrogio, maar dat van Maria centraal staat. Het huwelijk dat op de korte zijde wordt gesloten, is het hare. De weergaven zijn portretten in zilver, afgeleid van degenen in fresco op de muren van hun nog bestaande paleis. Op de tegenhanger recht daar tegenover is te zien hoe haar echtgenoot de sleutels van de stad San Pietro in Galatina worden overhandigd.

BK-NM-607

Het huwelijk van Maria Spinola en Giambattista Spinola in 1596, H 22,7 x 37 cm.

BK-NM-606

Giambattista Spinola ontvangt de sleutels van San Pietro, H 23,3 x 38 cm.

 

In 1636 was Maria de enige van de voorgestelden die nog in leven was, en zij is dan ook waarschijnlijk degene die de opdracht voor dit pronkstuk gegeven heeft. Als oudere vrouw keek zij terug op haar leven, en nam zelfbewust haar plaats in. Aan het nageslacht liet zij weten dat ook zij een hertogdom had veroverd, niet door de inzet van geweld, maar door middel van de liefde. Tegenover de wisselvallige resultaten van haar broer, plaatste zij een bestendige overwinning en benadrukte zo haar superioriteit.

“En zag men de heldendaden van het oude Rome leven”

Anders dan je misschien zou denken als je door de zalen van het Rijksmuseum dwaalt, is het werk van de Utrechtse kunstenaar in zilver Adam van Vianen veel zeldzamer dan dat van een schilder als Rembrandt. Omdat het werk van Van Vianen net zo iconisch is voor het verhaal van Nederland in de zeventiende eeuw, verzamelt het Rijksmuseum zijn werk al heel lang stelselmatig; net zo lang totdat alle aspecten van zijn kunst zijn vertegenwoordigd. Het blijft natuurlijk altijd de vraag hoever je daarmee moet gaan. Als het grootste gedeelte van de hoogtepunten in diens oeuvre al in het Rijksmuseum is, wat voeg je dan nog toe? Eigenlijk is het net als met Rembrandt. Marten en Oopje zijn een belangrijke toevoeging omdat ze een heel nieuw aspect tonen van diens werk. Samen met de Nachtwacht, de Joodse bruid en het kleine zelfportret geven deze monumentale portretten een idee van de reikwijdte van de kunstenaar. Hetzelfde principe geldt ook voor Adam van Vianen ; alleen als het voorwerp me echt iets nieuws over deze kunstenaar te vertellen heeft, is het onmisbaar. Een tweede Nachtwacht? Is dat nodig?

2018_NYR_16114_0021_001(an_exceptional_dutch_silver_ewer_by_adam_van_vianen_utrecht_1619) (2)

Marcus Curtius kan, zilver, h. 23 cm, door Adam van Vianen, 1619, Metropolitan Museum New York, aankoop via Christie’s New York 2018.

Afgelopen week werd een kan geveild waarop in verschillende reliëfs het verhaal van de heldhaftige soldaat Marcus Curtius wordt verteld. Op de vraag van de goden om het kostbaarste van Rome te offeren om de stad te redden van de ondergang, ontstak een chaotische discussie over wat dat dan wel niet was. Curtius ried het antwoord : de wapenen en de onverschrokkenheid van zijn soldaten. Hij trok daaruit de logische consequentie, offerde zichzelf en verloste Rome daardoor van haar demonische belagers. 2018_NYR_16114_0021_011(an_exceptional_dutch_silver_ewer_by_adam_van_vianen_utrecht_1619)

Het verhaal is veel vaker afgebeeld; de genialiteit van Adam openbaart zich in de rest van de kan. De in gedachten verzonken oude man op de hals droomt van Curtius heldendaden. De wezens die de doeken rond de buik aanhalen, verbeelden de monsters die de stad in hun greep houden; de grijnzende boeren de bevolking die niet weet waar zij het zoeken moet. Alle elementen worden hier gebruikt om het verhaal te verbeelden, met als gevolg dat een integraal en zelfstandig kunstwerk ontstaat.

Deze schepping van Adam van Vianen staat niet op zichzelf. Op dezelfde manier, en met dezelfde middelen, wordt het martiale Oude Rome gevierd in een iets grotere kan in het Rijksmuseum. De reliëfs rond het lichaam vertellen hier niet één, maar verschillende aan Livius’ Ab urbe Condita ontleende verhalen die ieder de deugd, de opofferingsgezindheid en de onverschrokkenheid van haar soldaten onderstrepen. Net als op de kan in New York wordt het verhaal verder uitgewerkt in de rest van de compositie, al is de oude dromer hier in een jongen getransformeerd, en is het accent verschoven van de vijanden naar de Romeinse onoverwinnelijkheid. Samen met de reliëfs geven de gevleugelde Victoriën aan dat het Romeinse leger overwon dankzij deze karaktertrekken, ongeacht de overmacht van de tegenstander.

20180424_125244

Kan met Romeinse historieën, zilver, 30,4 × 16,5 × 13,9 cm, door Adam van Vianen, ca. 1620, Rijksmuseum, BK-NM-11402, aankoop 1899.

Adam van Vianen schaart zich hier onder de geleerde kunstenaars, de dichters, de schilders en de beeldhouwers die in staat zijn om hun kennis van de geschiedenis van de Oudheid zo te verbeelden dat de daarin besloten diepere boodschap voor de beschouwer direct duidelijk wordt. Maar er is meer aan de hand. Zijn medium biedt andere mogelijkheden dan de beeldende kunsten, en door daar optimaal gebruik van te maken verdedigt hij tegelijkertijd de edelsmeedkunst als zelfstandige kunstvorm. Het kan eigenlijk niet anders of hij heeft geweten dat daarvoor in de Oudheid een heel belangrijke parallel bestond ; het schild dat de god Vulcanus voor de held Achilles had gemaakt, waarop volgens Vondel de heldendaden van het Oude Rome tot leven kwamen.  Opnamedatum: 2012-09-21

Vanuit zijn huis in Amsterdam wenst Adams kan met de Romeinse historieën in het Rijksmuseum zijn collega aan de andere kant van de oceaan veel succes in zijn nieuwe huis. Dat hij in het Metropolitan Museum in New York de bezoekers mag verbazen en verwonderen, en nieuwsgierig mag maken naar de andere kunstwerken in zilver uit de Nederlandse Gouden Eeuw.

Nederlandse schatten voor Engeland

2-Yarmouth-Collection-cropped

The Paston Treasure , ca. 1663, olieverf op doek, 246 x 165 cm, Norwich Castle Museum & Art Gallery, Norwich, UK.

Natuurlijk was het verhaal van de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, maar dat betekent niet dat er geen banden waren met de wereld daarom heen. Zoals de tentoonstelling High Society in het Rijksmuseum overtuigend laat zien, was men in Nederland op de hoogte van de belangrijkste internationale ontwikkelingen in de portretkunst, en maakte men zelfbewust onderdeel uit van de Europese ontwikkeling. Dat patroon komt nog sterker naar voren in de Nederlandse edelsmeedkunst. Ook al zijn betrouwbare getuigen schaars, steeds meer gegevens wijzen er op dat al in de tijd zelf Nederlandse zilversmeden met hun kunstwerken ook buitenlandse opdrachtgevers wisten te boeien.

1024x1024

Nautilusbokaal, verguld zilver, nautilusschelp en glas, 26,5 × 19,6 × 9,9 cm, Delft, 1570, ongeïdentificeerd meesterteken, Museum Prinsenhof Delft, inv. PDZ3.

BK-1960-17 (2)

Nautilusbokaal, verguld zilver en nautilusschelp, 36 × 19 × 13,5cm, Amsterdam?, ca. 1630-1660, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1960-17.

Eén van de meest veelzeggende bronnen is een groot schilderij dat sinds 1946 in het Norwich Castle Museum wordt bewaard ; waarschijnlijk moet het worden begrepen als een geschilderde inventaris van de belangrijkste kunstwerken van de Paston familie. Zowel Robert (1631 – 1683) als zijn vader William (ca. 1610-1663) reisden veel, en verzamelden op grote schaal. Verschillende van de voorwerpen op het schilderij kunnen worden geïdentificeerd ; twee van de twaalf kunstwerken in zilver zijn zeker in Nederland gemaakt. Eén nautilusbeker, nu in de verzameling van Museum het Prinsenhof in Delft, is omstreeks 1570 in het atelier van een onbekende Delftse edelsmid vervaardigd, het exemplaar in de verzameling van het Rijksmuseum is niet gemerkt, maar waarschijnlijk in het midden van de zeventiende eeuw in Amsterdam ontstaan.

BK-1960-17 (4)

In de laatste wordt een scène uit een verhaal weergegeven. De prinses Andromeda, gekluisterd aan een rotsblok, wacht vol spanning af of het zeemonster er eerder zal zijn dan haar redder. In opdracht van de zeegod diende zij te worden geofferd omdat haar moeder had gezegd dat zij veel mooier was dan diens dochters. De kijker kan hier zelf zien of dat inderdaad zo was ; de Nereïden, gevangen in kwabmotieven, vormen de voet van het rotsblok waarop Andromeda staat. De spanning wordt verder opgevoerd in het eigenlijke montuur ; samen met de meermannen kijken we toe. Waar blijft het monster ? Zal de held er eerder zijn ?

BK-1960-17 (5)

BK-1960-17 (3)

Het feit dat dit – en andere Nederlandse zilveren voorwerpen – op dit schilderij zijn afgebeeld, geeft aan dat in de zeventiende eeuw in Engeland een markt voor modern, goed ontworpen Nederlands zilver bestond. Hoe internationaal die wereld was, toont de tentoonstelling die rond dit schilderij is georganiseerd. Nu in de Yale Center of British Art (New Haven, Connecticut), vanaf later dit jaar in Norwich (UK).

Suikerstrooiers

In verschillende opzichten vormde de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, onder andere omdat de elite hier veel groter was dan elders. Boedelinventarissen geven bijvoorbeeld aan dat al in het begin van de achttiende eeuw thee door ruim de helft van alle Nederlanders gedronken werd, en het gebruik hiervan dus niet tot een kleine groep beperkt bleef. Datzelfde geldt voor suiker, een andere relatief kostbare smaakstof die in Nederland op veel meer tafels dan elders verscheen.

BK-NM-2751

Strooilepel, zilver, 16,2 × 4,6 × d 4,9 cm, Leiden, 1786?, ongeïdentificeerd meesterteken, BK-NM-2751

Voor Nederlandse zilversmeden betekende dat dat er een veel grotere markt was voor hun waren dan elders. Dat zilveren strooilepels – met gaatjes doorboorde lepels die werden gebruikt om klein gestampte kandijsuiker gelijkmatig over de toen bij het dessert gebruikelijke gerechten te verdelen – relatief gewoon moeten zijn geweest, is uit allerlei gegevens af te leiden. Als in de jaren 1740 door de verschillende gilden in Haarlem wordt gesproken over het merken van kleine keur zilver – de goedkoopste categorie – worden suikerlepels specifiek genoemd als de grootste typen die bij uitzondering in dit lagere gehalte mochten worden uitgevoerd. Kennelijk was het type dus heel gewoon, en de markt groot.

BK-NM-2461

Strooilepel, tin, 15 x 6 x 3,5 cm, Nederlanden, 18de eeuw, Rijksmuseum, BK-NM-2461.

De vorm en de versiering van dit Leidse exemplaar laat zien dat een brede markt ook in andere opzichten andere eisen stelde. In plaats van de toen gebruikelijke vormentaal van het neoclassicisme toont de lepel heel andere esthetische voorkeuren. De steel met het vogeltje is een traditioneel element dat sinds de zeventiende eeuw in het Nederlandse zilver aanwijsbaar is, de vorm en de versiering van de bak sluiten aan bij het Frans georiënteerde barok dat in de jaren 1740 toonaangevend was. Heel grappig is het morenhoofdje op de onderkant van de steel; dit element verwijst naar de herkomst van de suiker uit exotische werelddelen. Dezelfde wat hybride vormentaal kom je ook tegen bij andere voorwerpen voor een breed publiek. Vergelijk hem maar eens met een tinnen strooilepel, door het materiaal een veel goedkoper alternatief.

BK-1973-181

Strooilepel, zilver, 17,0 × 6,1 cm, Oss, 1848, door Johannes Lambertus Kroymans, Rijksmuseum, inv. BK-1973-181

In de negentiende eeuw lijken nieuwe ideeën zich in een veel sneller tempo te hebben verbreid, en juist in voorwerpen voor een brede markt zijn de nieuwe verhoudingen snel zichtbaar. Eén van mijn favorieten is het neogotische exemplaar dat in 1848 door Johannes Lambertus Kroijmans (Den Bosch 1808 – Schijndel 1881) werd gemaakt in het Brabantse Oss. Het voorwerp is één van de vroegste Nederlandse voorbeelden van het historisme in zilver, en bovendien één van de weinige wereldlijke voorwerpen waarvoor de gotiek als inspiratiebron werd gebruikt. Zeker als je bedenkt dat voor 1800 Oss een centrum was waar slechts enkele edelsmeden met moeite het hoofd boven water konden houden, en dus nieuwe ideeën maar langzaam ingang vonden, zegt het feit alleen al dat dit voorwerp daar kon ontstaan, veel over de hernieuwde vitaliteit van Brabant in de negentiende eeuw.

Voor mij als Hollander is niet eenvoudig invoelbaar waarom een Brabantse museumdirecteur nu de behoefte heeft om het belang van zijn museum te onderstrepen door een beroep te doen op beroemde kunstenaars die in die regio geboren zijn. Waarom zou je willen bewijzen dat Brabant er toe doet door dezelfde retoriek te gebruiken als Randstedelijke musea, zeker als de kunstenaars waarnaar wordt verwezen elders werkten en dus ook in andere musea in Nederland en daarbuiten veel beter zijn vertegenwoordigd? Wie het provincialisme achter zich wil laten, moet vertrouwen op de kracht van het eigen verhaal, en dan heb je alle getuigen van het verleden hard nodig. Ook suikerstrooiers…