Geschilderd goud

1280px-Uppsala_domkyrka_April_2013

Interieur van de kathedraal in Uppsala, Helgo Zetterwall, ca. 1893-1900, Zweden

Voor de zilver-fan lijkt Zweden niet de meest logische bestemming. De musea waar de belangrijkste verzamelingen worden bewaard, het National Museum in Stockholm en het Röhsska museum in Göteborg, staan in de steigers, en er is dus niets te zien. Aan de andere kant zie je in de kerken nu de resultaten van het werk van de Zweedse tegenhanger van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit – de Svenska Kyrkan. Zij proberen om kunstvoorwerpen zoveel mogelijk te tonen op de plek zelf, dus in het kerkgebouw. Niet dat dat ook altijd is aangegeven: dat bijvoorbeeld de in de late negentiende eeuw grondig gerestaureerde kathedraal van Uppsala heel spannend goud en zilver bezit, moet je weten.

P1040066

Kelk, goud, gouddraad, edelstenen, parels en email, h. 24,5 cm, Halle, voor 1513, door Hans Huiuff, Halle, Domkyrkan Uppsala, Zweden.

Voorwerpen van kostbare materialen zijn diefstalgevoelig, en om te voorkomen dat het erfgoed vanzelf de kerk uitloopt, moeten er dus allerlei voorzieningen worden getroffen. In Uppsala hebben ze het opgelost door in één van de torens een schatkamer te bouwen, die alleen toegankelijk is via een lift – en je krijgt een zaklamp mee om de details te kunnen zien. Mijn favoriet is een gouden, met email, parels en enorme edelstenen versierde miskelk. Het stuk is voor 1513 gemaakt voor één van de beroemdste kerkelijke schatkamers uit de zestiende eeuw, het Halle´sche Heiltum. De door de aartsbisschoppen van Sachsen in Halle aangelegde collectie bestond in 1526 uit duizenden relieken, waarvoor 353 gouden en zilveren, met emails en edelstenen versierde reliekhouders waren gemaakt. Hoewel vrijwel niets daarvan bewaard gebleven is – van slechts twintig exemplaren zijn fragmenten bekend – denken we dat we precies weten hoe de stukken er uit hebben gezien omdat ze in 1526 in een geschilderde inventaris zijn afgebeeld.

Kelch_vor_1513

Tekening van de kelk, uit het Halle’sche Heiltumsbuch, Bibliotheek Aschaffenburg, 1526.

Het feit dat één van de voorwerpen integraal bewaard gebleven is, maakt het mogelijk om de versie in het Halle´sche Heiltumsbuch te confronteren met het object zelf. Op de geschilderde versie zijn de edelstenen en de plekken waar ze zijn toegepast heel precies afgebeeld, maar minder aandacht ging er uit naar het ontwerp zelf. De door druiventakken en bladranken benadrukte gotische structuur is duidelijk te zien, en ook de scheiding tussen de belangrijkste onderdelen met panelen in email is getrouw weergegeven. Het stuk is dus zeker herkenbaar, maar wat de schilder niet lukt, is de weergave van het uiterst verfijnde, driedimensionale kleed dat over de kelk, de knoop en de voet is gelegd. Die rare kringeltjes op de tekening zijn in werkelijkheid lagen gouddraad, die als een mat damasten wolk om de hoogglanzende grondvorm zweeft. Evenmin is de schilder er in geslaagd om het samenspel en de variatie in kleur en glans te vangen. Juist door het gebruik van verschillende kleurstenen in verschillende patronen en de toepassing van verschillende variaties in mat en glanzend sprankelt het kunstwerk. Terecht was de maker ervan,  Hans Huiuff uit Halle, zo trots op het eindresultaat dat hij het voluit onder de voet signeerde.

csm_kathedrale-739_a85eb50c7d

Hoe het voorwerp vervolgens in Zweden terecht gekomen is? Zweedse legers vochten in de zeventiende eeuw in verschillende Duitse vorstendommen voor de Protestante zaak. Onder andere veroverden zij in 1631 Aschaffenburg, waar op dat moment het Halle´sche Heiltum werd bewaard. In 1632 werd de kelk door de jonge koningin Christina van Zweden (1626-1689) aan de kerk in Uppsala geschonken, tot meerdere eer en glorie van God, maar ongetwijfeld ook als herinnering aan de heldendaden van haar in dat jaar overleden vader, Gustav II Adolph (1594-1632). Op andere plekken in Uppsala is meer Duitse kunst te zien, zoals het kunstkabinet met inhoud, waarmee de stad Augsburg in dezelfde periode de plundering van de Zweedse troepen afkocht, maar dat is een verhaal voor een volgende keer.

Een ideaal museum

RMA-SSA-F-00313-1

Westelijke binnenplaats voor de verbouwing, daglichtcollodiumzilverdruk, 11 x 8 cm, 1927, door A.S. Schmidt Degener, RMA-SSA-F-00313-2

Net als alle andere musea kan ook het Rijksmuseum lang niet alles tonen wat ze heeft. Wat je toont en wanneer hangt af van het verhaal dat je aan het publiek wilt vertellen, en natuurlijk van de hoeveelheid ruimte die je voor dat verhaal beschikbaar hebt. Sommige thema’s komen zelden aan bod, maar dat betekent niet dat de voorwerpen oninteressant en dus overbodig zijn. Zo bezat het museum ooit een omvangrijke verzameling driedimensionale reproducties van kunstvoorwerpen in gips en metaal, waarvan nu nog maar een heel klein deel bewaard gebleven is. Van de ruim 1600 voorwerpen die in 1915 in een catalogus zijn beschreven – en waarvan een deel hier op de foto te zien is – bleven alleen de ruim 70 reproducties in metaal bewaard. De rest is letterlijk weggegooid, omdat ze in de twintigste eeuw als waardeloze kopieën werden beschouwd.

BK-NM-5298

Galvanoplastische reproductie van een deel van de Popta-schat, verzilverd koper, 1881, Firma Elkington & Co, Birmingham, Rijksmuseum, inv.nrs. BK-NM-5298 – BK-NM-5305.

Daarmee verdween ook een belangrijk deel van de geschiedenis van het Rijksmuseum. Beter dan foto’s of tekeningen geven driedimensionale reproducties een idee van maat, vorm en uitwerking, en ze werden dan ook in eerste instantie benut als een driedimensionaal beeldarchief van voorwerpen die onbereikbaar waren voor het Rijksmuseum omdat ze te kostbaar waren of inmiddels verloren waren gegaan. Daarnaast werden reproducties gebruikt als model in het tekenonderwijs van de verschillende onderwijsinstellingen die in de gebouwen van het Rijksmuseum waren gevestigd, de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Grote buitenlandse musea hebben deze deelverzamelingen al lang geleden nieuw leven in geblazen. Zo zijn de galvanoplastische reproducties van het Victoria & Albert Museum in Londen sinds 1995 opgenomen in de Silver Galleries, als pregnante voorbeelden van de nieuwe technische mogelijkheden die in de negentiende eeuw beschikbaar waren. Het Metropolitan Museum in New York stelde in 2011 hun verzameling reproducties centraal om te laten zien hoe onze waardering is veranderd. Als je kijkt naar de keuzes die in de negentiende eeuw werden gemaakt, blijkt immers precies wat toen belangrijk werd gevonden, of met andere woorden, wat toen de canon was.

Jamnitzer-cup

Akeleibokaal, zilver, h 69 cm, Neurenberg, ca. 1550-1575, het ontwerp toegeschreven aan Wenzel Jamnitzer, Victoria & Albert Museum, London, inv. M-150-1872.

Hoewel nog heel veel onderzoek nodig is, is nu al duidelijk dat de hoogtepunten van de edelsmeedkunst van mijn voorgangers in het Rijksmuseum voor een deel ook de onze zijn; de Poptaschat in het Fries Museum is nog steeds één van de belangrijkste ensembles van het Nederlandse zilver en het is dus direct te begrijpen waarom de moeite werd genomen om daarvan een kopie voor de verzameling in Amsterdam te laten maken. Verrassender is dat men toen ook al het Nederlandse zilver plaatste in een internationaal kader, en dus ook kopieën bestelde van verschillende hoogtepunten van de Europese edelsmeedkunst. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de door Wenzel Jamnitzer ontworpen meesterproef van het Neurenbergse goudsmedengilde. Voor het Rijksmuseum waren de originelen toen zeker onbereikbaar omdat de fondsen ontbraken om zulke grote aankopen te kunnen doen. Met kopieën kon een voorschot daarop worden genomen, en een ideaal museum worden samengesteld. Honderddertig jaar later kan worden vastgesteld dat de dromen uit 1881 inmiddels grotendeels zijn gerealiseerd, maar dat er ook nog heel veel te wensen overblijft.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

Op zoek naar diamantjuwelen

Opnamedatum: 2012-05-30

Bloemranken, diamant gezet in zilver en goud, Amsterdam?, ca 1850

De tentoonstelling “Amsterdamsche kerkschatten”, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog in Museum Amstelkring werd geopend, werd in de pers uitgebreid besproken. Vooral positief waren de kranten over het feit dat de getoonde monstransen speciaal voor de gelegenheid waren ‘uitgekleed’; ontdaan van de vrachten juwelen en sieraden die daar in het verleden aan waren toegevoegd. De overweging was een esthetische: zonder de “juweelen, halskettingen, broches, snoeren van paarlen en al die dergelijke fraaijigheden, die door welgestelde katholieken in de loop van de tijd voor den monstrans geschonken werden, meer uit goede bedoelingen dan met goede smaak”, kwamen vormen en verhoudingen beter tot hun recht.

Opnamedatum: 2012-05-30

Monstrans, goud, verguld zilver, glas en diamant,  69 x 32,5 cm, Antwerpen?, ca. 1675-1700, Rijksmuseum, inv. BK-1968-31

Ook de monstrans uit de Amsterdamse huiskerk ‘het stadhuis van Hoorn’ onderging die behandeling, en werd van haar sieradenkleed beroofd. Het waarschijnlijk in het Antwerpse atelier van Jan Moermans (1625-1703) of diens opvolger Philippus II Moermans (1660-1721) gemaakte stuk, was in 1752 door de dominicaan Jacobus Janssens aan de kerk geschonken. Deze pater was vanaf 1733 tot aan zijn dood in januari 1766 in de statie actief, en stak veel energie in de verfraaiing en modernisering van zijn kerk. De aanschaf van een hoogtepunt van de Antwerpse edelsmeedkunst past in dat patroon. Omdat het ontwerp voornamelijk uit sculpturale elementen bestaat, en ornament dus een terughoudende rol speelt, kon het oude pronkstuk eenvoudig in een moderne omgeving worden ingepast. De los gegroepeerde, in zilver en goud gevatte diamanten bloemranken zijn later toegevoegd, en waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw speciaal voor deze monstrans gemaakt.

monstrans-chaam-2

Diamanten sieraden, voor 1908 toegevoegd aan een monstrans voor de H. Anthonius van Padua te Chaam (Noord-Brabant), foto RCE, Zeist, 1908

Als je deze monstrans vergelijkt met het door oorlogsgeweld in 1944 verloren gegane exemplaar uit Chaam, is pas goed te zien wat een verschil een juwelenharnas maakt. Rondom het midden zijn verschillende diamanten colliers en armbanden gedrapeerd, en ook de peervormige oorhangers zijn duidelijk herkenbaar. Omdat voor zover ik weet in 1940 zelfs geen foto’s zijn gemaakt van de Amsterdamse monstransen met hun juwelenkleed, is toen een belangrijke bron voor juwelenhistorici verloren gegaan. Dankzij de groepen juwelen en sieraden die in het verleden aan Spaanse en Portugese kloosters en kerken zijn geschonken, kan daar een afgewogen beeld van de ontwikkeling van het juweel worden geschetst. In Nederland blijft het in eerste instantie bij incidenten.

bk-1967-2-2

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver, 4,6 x 3 cm, Nederland, 1785-1800, Rijksmuseum inv. BK-1967-2.

Een diamanten hanger in de vorm van een gekroond hart, door mevrouw Goslin geschonken aan de zilveren monstrans van de Willibrordus in Den Haag, is zo’n uitzondering. In de negentiende eeuw speelden juwelen van dit type in de Zuidelijke Nederlanden en in het Pays-de-Calais een belangrijke rol in de volksdevotie; gekroonde harten werden op 15 augustus, Maria ten Hemelopneming, door kinderen aan hun moeder geschonken.

vlaams-hart-diva

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver op goud, 6 cm, Mechelen, 1832-1869, J.R.L. de Backer & D.J. Suerinckx, Antwerpen, DIVA (Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant), inv. S75/181

 

Getuige de talloze bewaard gebleven exemplaren, moet het gebruik in het midden van de negentiende eeuw breed gedragen zijn, al zijn ze op portretten zelden afgebeeld. Het exemplaar uit de Haagse Willibrordus moet op een ander moment en voor een andere draagster zijn gemaakt. In vergelijk tot de streeksieraden van dit type is de compositie veel compacter, en omdat de diamanten ook veel groter en veel helderder zijn, moet dit in vergelijk een uiterst kostbaar juweel zijn geweest.

Het verhaal kent nog vele open vragen, omdat belangrijke bouwstenen nu nog ontbreken. Kennen jullie misschien foto’s van de Amsterdamse monstransen, bedolven onder hun juwelenkleed? Is er meer bekend over de monstransen van de Willibrordus in Den Haag?  Of weten jullie misschien wie mevrouw Goslin was? Ik hou me aanbevolen!

Een koninklijke trofee

Als je zo de bespiegelingen uit de tijd zelf leest, zou je kunnen denken dat Nederland in de negentiende eeuw een conservatief en ingeslapen landje aan de Noordzee geworden was, dat zich in verschillende opzichten vergaapte aan zijn eigen roemrijke verleden. Of je nu Beets aan het woord laat in de Camera Obscura (1839), Potgieter in Jan, Jannetje en hun jongste kind (1841) of Busken Huet in Het Land van Rembrandt (1882-1884), uit alles blijkt dat men toen vond dat het culturele leven van de eigen tijd niet in de schaduw kon staan van het buitenland, laat staan van de prestaties uit de Gouden Eeuw.

Opnamedatum: 2016-06-17

Jachthoorn, zilver, de binnenzijde verguld, l 49,3 cm, diam. 16,7 cm, Utrecht, 1848/1849, door Johannes Mattheus van Kempen, naar ontwerp van Gerardus Willem van Dokkum, Rijksmuseum, BK-2016-11, geschenk van een particulier ter gelegenheid van het afscheid van Wim Pijbes als hoofddirecteur

Dat de werkelijkheid lang zo somber niet was, toont een zilveren jachthoorn die omstreeks 1848/1849 in de werkplaats van Johannes Mattheus van Kempen (1814-1877) is ontstaan. Zowel de vorm als de versiering verwijzen naar de jacht. Het model is direct ontleend aan een ossenhoorn, en in de compositie zijn zowel roof- als prooidieren opgenomen. Verscholen in het asymmetrisch rococo rankenwerk wordt een edelhert belaagd door een jachthond, een vos ingesloten door een leeuwenpaar en wacht een geblinddoekte valk tot hij zal worden losgelaten op zijn prooi.

RP-P-OB-88.737 (2)

Valkenjacht op het Loo 1843, Johann Peter Berghaus, naar J. B. W. A. Sonderland, litho, Rijksmuseum, RP-P-OB-88.737.

Koning Willem II (1792-1849) bestelde de hoorn als prijs voor de Plume Stakes, een van de paardenrennen die in juni 1849 door de Royal Loo Hawking Club op de nieuwe renbaan in Apeldoorn werden georganiseerd. De naam heeft betrekking op de samengebonden reigerveren die door de jagers als onderscheidingsteken werden gedragen. Voor deze wedstrijd kwamen dan ook alleen paarden in aanmerking die eerder bij de valkenjacht waren ingezet. De op de hoorn afgebeelde valk is een directe verwijzing naar het organiserend gezelschap, de vos en de leeuwen een knipoog naar de Brits-Nederlandse wedijver. De prijs werd op 21 juni gewonnen door Edward Clough Newcome of Feltwell Hall (1810-1871) , één van de meest actieve Engelse bestuursleden.

thumbnail_A (2)

Het ontwerp is waarschijnlijk gemaakt door de tekenaar Gerardus Willem van Dokkum (1828-1903), die door Van Kempen vanaf ongeveer 1848 regelmatig werd ingeschakeld bij belangrijke pronkstukken.  De uitwerking is bijzonder en getuigt van de op dat moment hypermoderne herwaardering van de drijfkunst in zilver. De gelaagde opbouw met bijna driedimensionaal uitgewerkte reliëfs en de verscheidenheid in matte en glanzende tonen sluiten aan bij de toen zeer bewonderde kunstwerken van Antoine Vechte. Deze kwaliteit werd ook internationaal herkend. Zo presenteerde de belangrijkste Londense firma Hunt & Roskell, die zich in 1849 van de diensten van de Franse virtuoso had verzekerd, Van Kempens hoorn als eigen werk op de Great Exhibition of All Nations in 1851.

B (2)

In Nederland werd dit gevoeld als een aanval op de nationale trots, maar ook en vooral als bewijs dat vaderlandse zilversmeden nog steeds in staat waren om op niveau met het buitenland te concurreren. Vandaar dat een medebestuurslid van de Royal Loo Hawking club, Prins Hendrik (1820-1879), de jachthoorn terugkocht en deze op de eerstvolgende nationale nijverheids-tentoonstelling in 1852 vol trots presenteerde. De terugkeer van de ‘schone zwerver en banneling’ op vaderlandse bodem werd in de kranten volop gevierd. In de net opnieuw ingerichte negentiende eeuw zalen van het Rijksmuseum kan de bezoeker het voorwerp opnieuw bewonderen, onder het goedkeurend oog van koning Willem II.

SK-C-170 (2)

portret van Willem II, Koning der Nederlanden, olieverf op doek, 109,5 x 86 cm, door Jan Adam Kruseman, 1839, Rijksmuseum, bruikleen van de stad Amsterdam, SK-C-170

 

Een schotel van Johannes Lutma junior

Silverrummet_-_Hallwylska_museet_-_39289.tif

Hallwylska Museet, Stockholm, de zilverkamer

Afgelopen weken reisden we door Scandinavië. Zweden was een ontdekking, vanwege de stilte, de ongerepte natuur en het prachtige weer. Op de terugweg reisden we over Stockholm, een tijdcapsule uit de vroege twintigste-eeuw. Hoog op mijn verlanglijstje stond het huis van het echtpaar Walther von Halwyll (1839-1921) en Wilhelmina Kempe (1844-1930). Het in 1898 voor de verzamelingen van dit echtpaar gebouwde woonhuis is in 1938 opengesteld voor het publiek. Ik wilde dit graag zien omdat ik wist dat in de zilverkamer een gedreven kwabschotel van Johannes Lutma junior wordt bewaard. Dit stuk was voor het echtpaar een hoogtepunt: het kreeg een aparte wandvitrine.

eMuseumPlus

Schotel, Amsterdam, 1653, gesigneerd door Johannes Lutma junior, zilver, diameter 35 cm, Hallwylska Museet, Stockholm.

Die bijzondere status had het vanaf de zeventiende eeuw. Het voorwerp is niet alleen gemerkt met het meesterteken van Johannes Lutma en zijn gelijknamige zoon, maar ook door Johannes Lutma junior voluit gesigneerd. In de achttiende eeuw werd het in eerste instantie als kunstwerk gewaardeerd. Waarschijnlijk is het één van het paar Lutma schotels in de kunstcollectie van de in Zweden geboren Anthonie Grill (1664-1727), die in 1727 in Amsterdam werd geveild. Uit die verzameling bezit het Rijksmuseum de Venetiaanse globebokaal, die op diens door Quinckhardt geschilderde portret is afgebeeld. Via de Zweedse tak van de familie Grill kwam het Lutma zilver in de achttiende eeuw in Stockholm terecht, en via de families Wallis en Kempe vererfde het vervolgens op het echtpaar Von Hallwyll.

 

82f6b2aa5c58a6a3451496c3782fe286

J.M. Quinckhardt, portret van Anthonie Grill, olieverf op doek, gedateerd 1727, Grills Hofje Amsterdam

BK-NM-8338-A

Globebokaal, Venetië, ca. 1650, zilver, h. 42,5 cm, Rijksmuseum BK-NM-8338-A

De foto’s die ik van het voorwerp kende, laten niet heel duidelijk zien waarom de schotel  zo belangrijk is. Zilver fotograferen is moeilijk. Omdat zilver spiegelt worden voorstellingen verwrongen en verdwijnen details en nuanceringen. Het stuk lijkt veel groter, de voorstellingen grover en de versiering naar verhouding veel te prominent. Alleen als je het stuk in het echt ziet, komt het verfijnde samenspel tussen de voorstellingen en de versieringen tot zijn recht. Dan blijken de geschakelde kwabvelden te bestaan uit in elkaar vervloeiende motieven, en zijn de voorstellingen veel puntiger en vlakker uitgewerkt dan de rand. Het contrast geeft een indruk van de reikwijdte van de kunstenaar. Het vermogen om net als schilders en beeldhouwers minutieus verhalen weer te geven paarde Lutma aan de kunst om het ornament in al zijn verscheidenheid tot leven te brengen. Als je in Zweden komt deze vakantie: zeker gaan kijken!

P1030275

 

#OnsEchteGoud #isvanzilver

Raadsherenbeker, deels verguld,  H. 90 x diam 28 cm, Amsterdam 1660, Michiel Esselbeeck, Museum Deventer

Raadsherenbeker, zilver, deels verguld, h. 90 x diam 28 cm, Amsterdam 1660, door Michiel Esselbeeck, Gemeentemuseum Deventer

 

Tijdens de Museumweek staan de museale collecties centraal. Zilver speelt daarin een ondergewaardeerde rol, vooral omdat kunsthistorici & historici van de klassieke snit niet echt met dit materiaal uit de voeten kunnen. Een voorbeeld is de tentoonstelling ‘Uit liefde voor de Stad’, waar voorwerpen per definitie worden beschouwd als een historisch relict, maar alleen schilder- en beeldhouwkunst als Kunst.

Het hoofdwerk van één van de beste Amsterdamse edelsmeden uit de zeventiende eeuw, Michiel Esselbeeck (1611-1671), doe je niet echt recht als je de complexe versiering van dat voorwerp als ‘protserig’ afdoet. Als je daarnaast loftuigingen tekort komt voor de interessante, maar toch wat onhandige Evangelistenreeks waarmee een verwant van Hendrick ter Brugghen het Deventer stadsbestuur opzadelde, wordt toch vooral duidelijk dat edelsmeedkunst voor de meeste (kunst-)historici een te complex onderwerp is.

Net als de Evangelisten-reeks was de bokaal in eerste instantie bedoeld om de herinnering van een voor Deventer belangrijk persoon te bewaren. Adriaen van Boekholt (1583-1660) was twee keer burgemeester van de stad geweest, en was dus in Deventer een centrale figuur. Anders dan een reeks schilderijen, lag een bokaal voor de hand; Deventer bezat tot 1672 een grote collectie bokalen van andere illustere voorgangers. Vanuit dat perspectief is het dus ook niet vreemd dat de bokaal wat mocht kosten (alleen al aan zilver werden 561 gulden en 4 stuivers voor het object neergeteld), en dat men voor één van de belangrijkste zilversmeden van dat moment koos. Michiel Esselbeeck was een Amsterdamse zilversmid wiens klantenkring zich tot het universiteitsbestuur van Duisburg, de koning van Denemarken, de aartsbisschop van Pamplona en de koning van Sicilië uitstrekte.

De internationale oriëntatie vindt je terug in de vorm van de bokaal, die direct op Augsburgse voorbeelden terug gaat, en in de kwaliteit van de sculpturale onderdelen. De keuze voor de rammen is ingegeven door het wapen van de overledene. Vandaar dat je de dieren zowel in de stam als op het wapenschild op het deksel terugkeren. Ook de prachtig uitgewerkte bloem en bladpatronen waarmee het lichaam is versierd, sluiten bij internationaal gangbare stromingen aan.

Raadsherenbeker, deels verguld,  H. 90 x diam 28 cm, Amsterdam 1660, Michiel Esselbeeck, Museum Deventer (2)Raadsherenbeker, deels verguld,  H. 90 x diam 28 cm, Amsterdam 1660, Michiel Esselbeeck, Museum Deventer (3)

Kortom, een topstuk in iedere verzameling. Als werk van één van de toonaangevende Nederlandse zilversmeden, en als bewijs voor de internationale kwaliteit die het Nederlandse zilver op dat moment bezat, zou het ook één van de hoogtepunten kunnen zijn van de nationale collectie in het Rijksmuseum. Als restant van het Deventer raadszilver kun je daarentegen ook stellen dat het stuk de meeste zeggingskracht heeft in de stad waar het is gebruikt, en dus in het Historisch Museum Deventer het beste op zijn plaats is. Per slot van rekening worden daar ook de andere herinneringen aan het Stedelijk Verleden bewaard. Welke andere zilveren schatten in Nederlandse musea worden bewaard, zie je de komende week  onder #OnsEchteGoud #isvanzilver op Twitter.