Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Advertenties

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Goud voor de Grootvorst

sk-c-203

De prinses van Oranje ontvangt Alexander II (1818-1881), grootvorst en troonopvolger van Rusland, in het Czaar Peterhuisje te Zaandam, 17 april 1839, Christiaan Julius Lodewijk Portman, 1839 – 1840, olieverf op doek, h 118,5cm × b 144cm, Rijksmuseum SK-C-203, in bruikleen van de stad Amsterdam.

In 1839 verbleef de Russische kroonprins Alexander enkele weken in Nederland, en werd er ontvangen door de in Rusland geboren Nederlandse kroonprinses Anna Paulowna. Eén van de hoogtepunten was het bezoek aan het dorp Zaandam, in het huisje waar in de late zeventiende eeuw hun voorvader Peter de Grote als timmerman had geleefd. We weten precies hoe de grootvorst werd ontvangen; de prinses zelf bood de gast naar Oud Russische gewoonte het brood en het zout aan. Het moment is weergegeven door de toen zeer gewaardeerde schilder Christiaan Julius Lodewijk Portman in opdracht van de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop.

sk-c-203-2

Het gouden bord en het zoutvat dat bij die gelegenheid werd gebruikt, en vervolgens aan de Russische grootvorst cadeau werd gedaan, is in het midden van het schilderij afgebeeld. Hoe het er uitzag weten we omdat het in de kranten precies werd omschreven. De rand van het bord, dat groter was dan een gewoon tafelbord, was versierd met een inscriptie in het Russisch waarin het bezoek werd gememoreerd. Op het plat was een oorlogsschip afgebeeld, met de naam Frederik Hendrik , naneef van Peter den Grooten. Het belangrijkste stuk was de zeskantige vaas die als zoutvat werd gebruikt. De voorkant was versierd met het portret van Peter de Grote in email, de zijden met grote halfedelstenen, een dieppaarse Russische amethist en een helderrode granaat, en op de achterkant was het Alziend Oog gegraveerd.

Portman zal precies hebben geweten hoe het stuk er uit zag. Het was gemaakt en ontworpen door de Amsterdamse goudsmid en juwelier Friedrich August Fürstenhaupt, de actieve firmant van het bedrijf Fürstenhaupt en Dammerval op de Oude Turfmarkt. Net als Portman was ook Fürstenhaupt lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae, en de juwelier kan hem dus heel goed de ontwerpen hebben laten zien. Voor ons beeld van de negentiende eeuw is het gegeven belangrijk omdat het duidelijk maakt dat ook in een periode van economische krimp nog steeds belangrijke grote gouden werken in Amsterdam konden worden gemaakt, en dat ook ambitieuze scheppingen in email tot de mogelijkheden behoorden. De voorwerpen zelf zijn voor zover bekend niet bewaard, maar dankzij de krant en het schilderij bestaat er toch een indruk van.

Romantisch goud voor Amsterdam

Opnamedatum: 2012-12-05

Zakhorloge, goud en email, diameter 5,3 cm, Frères Lurasco à Amsterdam, uitgevoerd in Genève, ca. 1790-1810, Rijksmuseum Amsterdam, legaat Maurits Elzas, 1937, BK-15011 

Eén van mijn favorieten in de verzameling horloges van het Rijksmuseum heeft alles wat omstreeks 1800 belangrijk werd gevonden. In eerste instantie gaat de aandacht uit naar de voorstelling, bijzonder omdat het romantische beeld van een meisje dat twee duiven in veiligheid brengt voor een loerende kat ideeën uit de contemporaine schilderkunst weerspiegelt. Toen het uurwerk in 1921 werd aangeschaft, werd zelfs een direct verband gelegd met een portret van de Britse pastellist John Russell (1745-1806) uit 1792. De terughoudende omlijsting sluit aan bij het geabstraheerde classicisme dat in de jaren 1790 de laatste mode was.

 

De namen die op de wijzerplaat en het uurwerk zijn aangebracht, laten zien dat dit horloge bedoeld was voor de Nederlandse markt. Het adres is dat van de gebroeders Carlo en Lucas Lurasco, die in maart 1797 het bedrijf van hun vader Lucas hadden overgenomen, en vanaf juni 1797 over twee winkels konden beschikken; één in het hart van de stad op de Nieuwendijk en één in de meest vooraanstaande winkelstraat van Amsterdam, de Kalverstraat. Onder de naam gebroeders Lurasco zou het bedrijf tot 1867 blijven bestaan; vanaf 1835 werd het gevoerd door een kleinzoon van de oprichters, Carel Pieter Lurasco (1812-1871), en was de nadruk verschoven naar sculpturaal brons.

De gebroeders behoorden tot een kleine groep Italiaanse handelaren die zich in de loop van de achttiende eeuw in Amsterdam hadden gevestigd. Hun vader Lucas was gespecialiseerd in wetenschappelijke instrumenten als barometers en thermometers, en zij breidden het assortiment in de late achttiende eeuw met klokken, horloges en verschillende soorten kleine gouden geëmailleerde werken uit. Deze categorie werd niet in Amsterdam gemaakt, maar uit Zwitserland geïmporteerd. Daar was in de achttiende eeuw in Genève een grote industrie op dit terrein ontstaan, die vanwege het lagere gehalte en de schaal van de productie langzamerhand de Europese markt veroverde. Eén van de belangrijkste was de firma Chevalier & Cie, die onder andere horloges maakte met scènes naar Fragonard.

h3116-l105411452

Hoe belangrijk de buitenlandse productie voor Nederland was, blijkt uit de regelgeving die in 1751 door de Staten Generaal werd vastgelegd, en waarin zij bepaalden dat de handel in gemonteerd buitenlands goud van 18 karaat was toegestaan, zo lang deze maar niet als Nederlands goud van 22 karaat werden verkocht. Het resultaat daarvan was onder andere dat het in de tweede helft van de achttiende eeuw steeds minder lonend werd om gouden horlogekasten in Nederland te laten maken. Als je naar het hoogst modieuze en verfijnd uitgewerkte Zwitserse horloge van het Rijksmuseum kijkt, begrijp je precies waarom.

Opnamedatum: 2012-12-05

De lokroep van Japan

Eén van de meest kenmerkende aspecten van het negentiende-eeuwse historisme is de belangstelling voor de kunst van de ander. Onder andere de Japanse kunst mocht zich daarin verheugen; men herkende in Japan een hoogontwikkelde beschaving die bovendien de bonus had van het onbekende.  Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw was Japan voor buitenstaanders een gesloten boek geweest; op de wereldtentoonstellingen in Parijs, Londen en Wenen waren voor het eerst op grote schaal voorwerpen voor de Japanse thuismarkt te zien.

AK-MAK-1165-A

Ronde plaque, diameter 64, 5 cm, koper en email cloisonné, China, ca. 1600-1700, AK-MAK-1165-A

Een voorbeeld waaraan de fascinatie voor het nieuwe afleesbaar is, is een gouden flacon voor reukzout. De voorstelling van de kraanvogel gaat direct op Japanse prenten terug, en is ook voor ons nog direct als Japans herkenbaar. Ook de techniek waarin het geheel is gerealiseerd, is exotisch: de gouden randen waarmee de kleurvlakken worden begrensd, zijn het resultaat van een specifieke techniek, die in de negentiende eeuw in Japan tot perfectie was doorgevoerd.  Op een gouden ondergrond werden draden van hetzelfde materiaal gesoldeerd. De vakjes werden vervolgens met email in verschillende kleuren gevuld, en tot slot net zo lang gepolijst totdat het gouddraad weer zichtbaar was.

BK-2009-50 (2)

Flacon voor reukzout, 6,5 × 4 × 1,7 cm, goud en email cloisonné, Parijs, ca. 1867-1870, Antoine Tard, naar ontwerp van Alexis Falize, BK-2009-50

Decennia later werd de Japanse kunst bewonderd vanwege de manier waarop zij de natuur keek. Eén van mijn favorieten is in dit opzicht een haarkam van René Lalique (1860-1945) uit 1902-1903. Op een heel bijzondere manier heeft hij een tak Viburnum opulus Roseum (sneeuwbal) in hoorn, goud, zilver en diamanten vertaald. De gesloten vorm heeft de plant alleen als hij nat is van een hevige regenbui. Lalique vangt de schittering van de regendruppels op de bloembladen in diamant.

BK-1987-2 (2)

Haarkam, hoorn, goud en diamanten, 15,5cm × b 7,6cm, Parijs, naar ontwerp van René Lalique, BK-1987-2

Als je in staat bent om een natuurobservatie zo te vertalen dat de toeschouwer de verwijzing naar de wereld van de Japanse prentkunst direct ziet, ben je voor mij een kunstenaar zonder meer. Klassieke kunsthistorici hebben daar vaak moeite mee, omdat zij dit begrip tot de beeldende kunsten beperken. In die gedachtegang zijn alleen schilderijen als die Van Gogh een kunst met verwijzingen naar en reacties op de Japanse kunst. Maar kan iemand mij uitleggen waarin het kunstenaarschap van Lalique in essentie anders is?

2566-viburnum-opulus-roseum-1

Viburnum Opulus ‘Roseum’ in de zon

Blingbling masters

Mensen kijken het liefste naar andere mensen, en beoordelen elkaar in een fractie van een seconde op het uiterlijk. Vandaar dat er veel aandacht aan wordt besteed, en dat dat niet iets van onze tijd is, kun je op dit moment zien op de Catwalk van het Rijksmuseum.

BK-1959-19

Snuifdoos met ruïnes, Amsterdam, 1739, toegeschreven aan Jean Saint, goud, 3,1 x 7,6 × 5,7 cm, BK-1959-19.

Net zo belangrijk als de kleren en het kapsel waren de gadgets die je bij je hebt. In de achttiende eeuw ging in het elegante Europa niemand de deur uit zonder gouden snuif- of tabaksdoos. Sommigen bezaten zelfs hele collecties, voor ieder jaargetijde, en voor elke gelegenheid één. Zo bezat Carl Anselm, fürst von Thurn und Taxis (1733-1805) er maar liefst 67, waarvan het grootste gedeelte zich nu in het Bayerisches National Museum in München bevindt.

BK-17151

Snuifdoos met bloemboeketten, Parijs, ca. 1752, toegeschreven aan Lazare Antoine Clérin, goud en email, 3,4 × 7,3 × 5,2cm, BK-17151.

In het Rijksmuseum kun je zien hoe groot de Europese verscheidenheid was. Er zijn gouden dozen met versieringen in reliëf, bezaaid met diamanten, of versierd met schilderingen in email. Anderen bestaan uit geslepen panelen van een halfedelsteen, zoals degene met vlechtwerk uit band-agaat en kornalijn.

BK-17162.jpg

Snuifdoos, Dresden, ca. 1770, toegeschreven aan Johann Christian Neuber, goud, bandagaat, kornalijn, diamant en robijn, 3,4 × 6,4 × 5,2cm, BK-17162.

Ongetwijfeld werden ze ook door Nederlandse regenten gekocht en besteld. Uit dagboeken en brieven weten we dat op de elegante salons in de steden het snuiven van tabak omgeven was met een heel ritueel. Als een man zijn snuifdoos aanbood aan een vrouw, of bijzondere aandacht besteedde aan de samenstelling van haar snuif, spitsten de huwelijksmakelaars hun oren en slepen hun pennen…
Als ik om me heen kijk, is er niet zo heel veel veranderd. Waarom zou je anders zoveel aandacht besteden aan het hoesje van je telefoon?

BK-17142

Snuifdoos, Parijs, ca. 1758-1760, door Jean Ducrollay, goud en email, 3,6 × 7,1 × 5,6 cm, BK-17142.

Drie Koningen

BK-17188

Medaillon, De aanbidding van de drie koningen, goud, email en acht diamanten, Zuidelijke Nederlanden, 1500-1520, diameter 5,5 cm, Rijksmuseum, BK-17188.

Een van de belangrijkste kerkelijke hoogtijdagen in de middeleeuwen was het feest van de drie koningen, dat in het westen op zes januari wordt gevierd. Hun relieken behoorden vanaf de twaalfde eeuw tot de belangrijkste schatten van de Keulse dom, en hun verhaal tot de meest populaire in de christelijke beeldtraditie. Volgens de legende kwamen Balthasar, Melchior en Caspar uit alle delen van de wereld, en hun aanbidding van het Christuskind geeft voor de gelovige dan ook aan dat de Christus voor iedereen geboren is.

BK-2010-16-1 (2)

Gebedsnoot, buxushout, gevat in gedeeltelijk verguld zilver, Noordelijke Nederlanden, het snijwerk toegeschreven aan Adam Theodrici, het zilver anoniem, ca. 1510-1520, diameter 5,5 cm, BK-2010-216

Kleinschalige weergaven van deze scène zijn in relatief grote aantallen bewaard gebleven. Ze zijn bedoeld om in de hand te worden genomen en gedetailleerd te worden bekeken. Hoe langer je kijkt, hoe meer details je ziet, en hoe meer lagen in het verhaal kunnen worden onderscheiden. Onder de hoogtepunten van het Rijksmuseum bevinden zich twee heel verschillende versies. Een prachtig gedetailleerde gebedsnoot in buxushout lijkt bestemd te zijn geweest voor een dominant burgerlijke markt, de iets oudere variant in goud is een bijzonder zeldzaam fragment van een hoogtepunt dat waarschijnlijk voor hoge kerkvorsten of leden van het hof waren bestemd.

BK-17188 (2)De laatste maakt onderdeel uit van een groep die nu nog twee medaillons en een paneel omvat. Als je de versie van het Rijksmuseum plaatst naast het exemplaar in het Stift Klosterneuburg zie je al snel de overeenkomsten. De gotische architectuur is op dezelfde manier uitgewerkt, en voor een deel zijn ook dezelfde technieken gebruikt. Natuurlijk betekent dat niet noodzakelijk dat ze in dezelfde werkplaats of zelfs maar op hetzelfde moment in dezelfde stad zijn gemaakt; per slot van rekening reisden goudsmeden van dit kaliber in de middeleeuwen gewoonlijk langs de belangrijkste hoven, en waaierden hun leerlingen op dezelfde manier over heel Europa uit.

Krippe (2)

Paneel met de aanbidding van de drie koningen, goud en email, Zuidelijke Nederlanden, ca. 1500, 14,5 x 10,5 cm, sedert 1550 in Stift Klosterneuburg, Oostenrijk.

Toch kun je vermoeden dat deze voorwerpen omstreeks 1500 in de Nederlanden zijn ontstaan. Onder de goudsmeden/juweliers die op dat moment overal in Europa werkten, bevonden er zich veel uit de Bourgondische Nederlanden, en het is opvallend dat de meeste nu nog bekende toepassingen van de combinatie van gouddraad en email voor leden van het Frans/Bourgondische hof of hun directe kring zijn gemaakt. Ook voorwerpen die nu nog alleen uit archieven bekend zijn, lijken in die richting te wijzen. Zo bezat de Utrechtse Dom vanaf 1489 een gouden geëmailleerd Stalletje van Bethlehem, een geschenk uit het privébezit van bisschop David van Bourgondië (1427-1496).