Email uit de Gouden Eeuw

Ons beeld van de Nederlandse edelsmeedkunst in de zeventiende eeuw wordt in grote lijnen bepaald door datgene wat nu nog als zodanig herkenbaar is. Dat klinkt als een open deur (en dat is het ook) totdat je bedenkt wat de consequenties daarvan zijn. Omdat alleen grote voorwerpen in eerste gehalte zilver en goud volgens de toenmalige regels met stadskeur, jaarletter en meesterteken dienden te worden gemerkt, staan deze op de voorgrond. Andere soorten waarvan niet direct bewijsbaar is dat ze in Nederland zijn gemaakt, worden dan makkelijk vergeten.

NG-NM-9659 (2)

De tocht naar Chatham, email op goud, Den Haag? 1667

Grote gouden voorwerpen met onderdelen in geschilderd email als de Chathambeker uit 1667 nemen nu een geïsoleerde positie in, en worden dus als uitzondering beschreven. Dat in werkelijkheid volledig geëmailleerde gouden voorwerpen in Holland vanaf de jaren 1630 in grote aantallen werden gemaakt, weten we omdat de techniek vanaf dat moment continue in de archiefbronnen besproken wordt. De Hollandse gilden maakten zich zorgen omdat de stukken niet konden worden gemerkt zonder de objecten te beschadigen. Daardoor werd de deur opengezet voor allerlei typen vervalsingen – met als belangrijkste met email overdekte sieraden en medaillons die als 23 ¼ karaat goud werden verkocht, maar in werkelijkheid van een veel lager gehalte bleken te zijn.

SK-A-4371

Portret van Frederik Hendrik, email op goud, 4,3 x 3,4 cm, Parijs, toegeschreven aan Henri Toutin, ca. 1647, de kast Nederland?, ca. 1650, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4371.

Allerlei losse gegevens die ik in de afgelopen jaren heb verzameld, laten zien dat volledig geëmailleerde voorwerpen van hoge kwaliteit niet alleen in Nederland werden gemaakt, maar ook werden geïmporteerd; toen bijvoorbeeld een neef van de Amsterdamse burgemeesterszoon Pieter de Graeff in 1660 een bezoek aan Parijs bracht, reisde hij in opdracht van de familie thuis nog even door naar Blois omdat daar de mooiste geëmailleerde horloges te krijgen waren. Het stadhouderlijk hof bestelde in de late jaren 1640 vanuit Den Haag portretten in email in Parijs, bij de belangrijkste kunstenaars in dit materiaal van dat moment, Henri Toutin (1614-1683) en Jean I Petitot (1607-1691). Veelzeggend detail – de Oranjes reisden niet zelf af om te poseren voor de schilder in email, maar stuurden door Gerard van Honthorst geschilderde portretten die vervolgens in email werden gekopieerd.

kastFH

Kast om het portret van Fredrik Hendrik, achterzijde.

Met een medaillon om een portret in email van Frederik Hendrik is iets bijzonders aan de hand. Als je de kast vergelijkt met degenen die door de Parijse emailleurs gewoonlijk werden afgeleverd, is deze duidelijk afwijkend. Waar het medaillon om het portret van de Engelse koning Karel I in een feestelijke omlijsting met allerlei kleurrijke patronen is geplaatst, is degene om dat van Fredrik Hendrik veel eenvoudiger; op een zwart fond is een krans oranjetakken met viooltjes geplaatst. Het monogram HAVO op de achterkant combineert de initialen van Hendrik met die van zijn echtgenote, Amalia. In een tweede kast in de Koninklijke Verzamelingen die op precies dezelfde manier is versierd zit een portret van hun zoon, stadhouder Willem II. Het monogram op die kast combineert de initialen van vader en zoon.

SK-A-4370

Portret van Karel I, koning van Engeland, email op goud, met kast 6,5 x 5,5 cm, Parijs, gedateerd en gesigneerd Henri Toutin 1636, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4370.

De monogrammen laten zien voor wie de kasten zijn gemaakt, en wat de intentie daarvan was; alle lijnen komen samen in de echtgenote en de moeder van de voorgestelden, Amalia van Solms. Kennelijk heeft zij de Parijse kasten laten vervangen door veel eenvoudiger versies in zwart, als uitdrukking van haar rouw. In 1647 was haar echtgenoot overleden, in 1650 haar zoon. In combinatie met de vermelding dat er in Den Haag en elders in Holland op dat moment emailleurs actief waren, rechtvaardigen deze gegevens de veronderstelling dat ze niet in Parijs, maar op een later moment -bijvoorbeeld in Den Haag- kunnen zijn gemaakt.

Advertenties

De kracht van de verzamelaar

BK-NM-7322-B

Drie sierstukken, email pliqué, goud, gouddraad en email, gemiddeld 1,6 cm diameter, Parijs, ca 1300, ex. collectie Lupus, inv. BK-NM-7322.

Nederlandse openbare collecties kunnen niet zonder verzamelaars. Waar instanties niet altijd het belang van bepaalde soorten voorwerpen inzien, investeren zij veel tijd, geld en energie in het bij elkaar brengen van collecties; om te redden wat er nog te redden is van het verleden, of omdat ze meer willen weten van een bepaald aspect daarvan. De basis van de collecties edele metalen in het Rijksmuseum wordt gevormd door de schatten van de Utrechtse kapittelkerken, voorwerpen van opgeheven instanties als de West Indische Compagnie, en natuurlijk de kostbaarheden van het Koninklijk Huis die in 1816 in één van de voorgangers van het Rijksmuseum werden ondergebracht. Al heel snel kwamen daar de eerste particuliere verzamelingen bij.

BK-NM-7323 (3)

Plaquette met het oordeel van Paris, email op koper, 22,8 cm × 20,2 cm, Limoges?, ca. 1530, Rijksmuseum, ex collectie Lupus, inv. BK-NM-7323.

Nu heeft waarschijnlijk niemand ooit gehoord van Joseph-Désiré Wolff (Binche 1766-Brussel 1822), die zichzelf Joseph-Désiré, chevalier primat Lupus noemde. Hij was een kleurrijke figuur die tijdens de beginjaren van de Franse Revolutie in Parijs verbleef, en zich ontfermde over bedreigde kerkelijke goederen uit de Zuidelijke Nederlanden en het Noorden van Frankrijk. Zijn collectie werd in 1817 naar Brussel overgebracht, in zijn geheel aangekocht door de Staat der Nederlanden en ondergebracht in de nationale musea in Den Haag. Wat deze aankoop in retrospectief zo interessant maakt, is de volstrekte afwezigheid van historisch-nationalistische overwegingen. Volgens een Britse toerist was de verzameling in 1818 onder andere belangrijk vanwege de cameeën en intaglio’s uit de oudheid en de renaissance – nu in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden – en de verschillende soorten email. Voorbeelden zijn de drie plaatjes in email pliqué, waarvoor nu alleen parallellen bekend zijn in het Musée Cluny in Parijs. Ze behoren tot de uiterst zeldzame getuigen van de Parijse edelsmeedkunst rond 1300. Daaruit en uit andere voorbeelden blijkt overduidelijk dat het kennelijk om de spullen zelf ging, en dat betekent dat men in Den Haag in de vroege negentiende eeuw kennelijk streefde naar een Europees overzicht in hoogtepunten.

BK-NM-7323 (2)

De dichter Vergilius en zijn muze

Pas sinds kort is het belang duidelijk geworden van een omstreeks 1530 op koper geschilderde geëmailleerde plaquette uit dezelfde verzameling. Ze kan worden verbonden met een unieke serie die nu over allerlei musea wereldwijd is verspreid. De plaquette in het Rijksmuseum laat de eerste scène zien, en bevat de sleutel tot de ontcijfering van de betekenis ervan. Rechts bovenin zit de dichter Vergilius, en de reeks heeft dus kennelijk betrekking op één van zijn boeken. Als in een stripverhaal is hier het begin van de Aeneïs afgebeeld; alle ellende was begonnen met de keuze van de Trojaanse prins Paris voor de godin Venus, die van de Liefde. De door hem afgewezen godinnen Juno – de heerseres – en Minerva – de wijsheid – namen dat zo maar niet, en deden vervolgens alles om de Trojanen dwars te zitten. Zo hadden de schikgodinnen prins Aeneas beloofd dat hij de stad op de achtergrond op de berg -Carthago– zou veroveren, maar Juno stak daar vervolgens een stokje voor. De andere 81 plaquettes laten telkens een ander verhaal uit de omzwervingen van Aeneas zien.

BK-NM-7323 (5)

De schikgodinnen voor de stad Carthago

De serie is de eerste met een wereldlijk onderwerp die waarschijnlijk in het Franse Limoges werd gemaakt, en luidde daar een nieuwe bloeiperiode in. Wat we nog niet weten is hoe dit puzzelstukje past in het verhaal van de Nederlanden, al is uit andere bronnen inmiddels wel bekend dat het patroon veel internationaler was dan de klassiek vaderlands historicus graag zou willen.

Maar dat is niet de enige reden waarom ik het verhaal van Lupus wilde vertellen. Anders dan gevestigde musea hebben verzamelaars geen verzamelplan, en kunnen zij het zich dus veroorloven om te experimenteren. Zo heeft Annelies Krekel-Aalberse als één van de eersten de twintigste eeuw in zilver verkend, en gebruikte zij haar eigen verzameling als bron voor haar onderzoek en publicaties. Dankzij de inspanningen van Annelies, de Vereniging Rembrandt en de Mondriaan Stichting hebben de vier Nederlandse musea voor wie de kunstnijverheid van de twintigste eeuw een belangrijk zwaartepunt is – het Gemeentemuseum in Den Haag, Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Drents Museum in Assen en het Zilvermuseum in Schoonhoven – een belangrijk deel daarvan verworven en veilig gesteld voor ons allemaal. Maar het begint met de verzamelaar…

Betrouwbare getuigen

Anders dan je misschien zou denken als je het merendeel van de Nederlandse kranten leest, is de tentoonstelling Johannes Maelwael in het Rijksmuseum geen oeuvre-overzicht van een al dan niet terecht vergeten kunstschilder, zoals die in de Nederlandse musea vrijwel aan de lopende band wordt georganiseerd. Door kunstwerken in verschillende media te contrasteren en te combineren roept de tentoonstelling een beeld op van de wereld van een Nederlandse kunstenaar uit de Middeleeuwen, in de fragmenten waarin deze tot ons gekomen is.

20171002_143649 (3)

De reuk, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, voor 1459, Domschatzkammer Osnabrück.

Daardoor ontstaan soms onverwachte inkijkjes. Voor mij de bijzonderste is nog geen vijf centimeter groot. De broche vertegenwoordigt een type dat in het eerste kwart van de vijftiende eeuw werd gebruikt als sluiting van de lange mantels die toen werden gedragen. Het gaat om een betrouwbare getuige; omdat het voorwerp al in 1459 aan een reliekschrijn in Osnabrück geschonken werd, weten we zeker dat het toen al moet hebben bestaan. Voor anderen is de herkomst minder zeker, met als gevolg dat die veel moeilijker te dateren en te plaatsen zijn.

Gevouwen in een bloemblad is een vrouw weergegeven, met uitstaande stijve krullen en wapperende gewaden. Zij komt aangerend met een bloemboeket, waarvan de stammen door stijve draden en de bloemen door parels en edelstenen worden gevormd. De voorstelling doet denken aan misschien wel de beroemdste tapijtenserie die ons uit de late Middeleeuwen is overgeleverd, een reeks van zes uit omstreeks 1500, die nu in Museum Cluny in Parijs te bewonderen is. In een tuin waar het altijd zomer is, en dieren uit verschillende continenten samen in vrede leven, zijn jonge vrouwen afgebeeld. Hoewel de beeldtaal nog niet helemaal is ontcijferd, zijn de meeste onderzoekers het er wel over eens dat vijf ervan de zintuigen verbeelden. De vrouw met bloemen in haar hand naar alle waarschijnlijkheid de reuk.

The_Lady_and_the_unicorn_Smell

De reuk, 311 x 290 cm, wandtapijt, het ontwerp Parijs, de uitvoering Brussel of Brugge, omstreeks 1500, Musée de Cluny, Paris, inv. Cl. 10834

Het ontwerp voor de tapijtenserie is waarschijnlijk van de hand van een in Parijs werkzame kunstenaar, maar voor de uitvoering wordt al heel lang gedacht aan één van de vele ateliers die toen in Brabant en Vlaanderen actief waren, onder andere in Brugge en Brussel. Het juweel getuigt op een andere manier van de verwerking van Parijse ideeën. De gebruikte technieken sluiten aan bij een kleine groep gouden sieraden in email en ronde bosse, die op een andere manier zijn geconstrueerd dan de hoofse hoogtepunten. Het belangrijkste verschil is het gebruik van gouddraad in allerlei vormen, als onderdeel van de constructie, maar ook en vooral als essentieel element in de detaillering. Zonder de constructie van stevige draden is het bloemboeket hier ondenkbaar, maar puur esthetisch is de keuze om ook de uitstaande krullen van de dame in opgerold gouddraad te realiseren. Veelzeggend is ook dat het voor de Parijse productie kenmerkende doorschijnende rood – een complexe, en daardoor kostbare kleur waarvan het geheim angstvallig werd bewaard –  ontbreekt. De hoofdrol is hier weggelegd voor het witte ondoorschijnende email, dat op het reliëf is toegepast. Tenminste vanaf 1431 was deze techniek in Brugge bekend.

Weltliche_Schatzkammer_Wien_(211)

Twee minnaars onder een boom, goud, parels en email, ca. 5 cm diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Weltlichen Schatzkammer, Wien, inv. Pl 130.

1200px-Fürspan_mit_Falknerin_KGM_K1364

Valkenierster, goud, parels en email, ca. 5 cm, diameter, Bourgondische Nederlanden, ca. 1430, Kunstgewerbe Museum Berlin, inv. K1364

Als je de verschillende kunstwerken op je in laat werken, en de tour de force van het Rijksmuseum goed tot je door laat dringen, laat de wereld van Johannes Maelwael je zien dat de interactie tussen het Parijse hof en de productiecentra in de Nederlanden in de veertiende en de vijftiende eeuw veel complexer was dan we nu misschien geneigd zijn te veronderstellen. Om een nieuw verhaal te kunnen vertellen zonder uitsluitend te hoeven vertrouwen op het tweesnijdend zwaard van de stilistische interpretatie, moeten we op zoek naar betrouwbare getuigen. Dat ik niet de enige ben die zo over juwelen denkt, kun je op 16 en 17 november horen op het symposium Jewellery Matters. Er zijn nog plaatsen vrij, dus als je geïnspireerd bent, voel je vrij (en schrijf je snel in).

Schilderende goudsmeden?

Als je naar kunstwerken uit de Middeleeuwen kijkt, moet je je realiseren dat de kunstwereld toen heel anders was georganiseerd als nu. Ambachten waren in gilden ondergebracht, en de scheiding daartussen was voor veel vakgebieden strikt. Zo mocht een meubelmaker bijvoorbeeld alleen met ornament versierde meubelen maken, en diende hij het snijwerk en het schilderwerk over te laten aan anderen, professionele beeldsnijders en schilders. Als vanuit dat perspectief naar de edelsmeden wordt gekeken, lijkt het landschap daar heel anders. Door de hertog van Gelre werd Johannes Maelwael (Nijmegen ca. 1365 – Dijon 1415) niet alleen betaald voor schilderijen, maar ook voor werken in goud en zilver, en zijn neven, de Gebroeders van Limburg, werden opgeleid in het atelier van een edelsmid. Aan de andere kant zijn ook edelsmeden bekend, zoals de Utrechters Elyas Scerpswert (Utrecht ca. 1325-1387) en zijn zoon Willem (actief Utrecht 1383-1391, Parijs 1393-1407?) waarvan de eerste werd ingeschakeld om de kwaliteit van het werk van kunstschilders te beoordelen, en waarvan de tweede een voorblad voor een missaal schilderde. Deze kunstenaars passen dus niet in de veronderstelde vakjes. Of het zouden allemaal schilderende goudsmeden, of goudsmedende schilders moeten zijn.

louvre-grande-pieta-ronde

Imagino Piètatis, olieverf en bladgoud op paneel, 64 cm diameter, France, ca. 1400, toegeschreven aan Jean Malouel/Johannes Maelwael, Louvre, inv. M.I. 692.

Je kunt natuurlijk kijken naar visuele overeenkomsten. De compositie van de grote Pièta, het belangrijkste geschilderde werk dat ons van Johannes Maelwael rest, lijkt heel erg op die van een medaillon in geëmailleerd goud uit dezelfde periode, en zo zijn er nog wel meer parallellen te trekken op de tentoonstelling in het Rijksmuseum. Het probleem daarvan is dat die overeenkomsten op zich weinig zeggen; ze kunnen ook op een heel andere manier worden verklaard. Omdat maar heel weinig gouden en zilveren kunstwerken bewaard gebleven zijn, en datgene wat ons resteert bovendien veel minder precies is onderzocht dan bijvoorbeeld de schilder- en de beeldhouwkunst, weten we niet in hoeverre de Scerpswerts uitzonderingen waren. Dat voorbeeld geeft wel aan dat het negentiende-eeuwse idee van de ontwerpende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman toen voor hen niet opging, maar vertelt niets over de gewone verhoudingen.

DT225921

Imagino Piètatis, goud en email, het centrale plaatje diameter 5 cm, Parijs, 1390-1420,
New York, The Metropolitan Museum of Art, Geschonken door J. Pierpont Morgan, 1917, Metropolitan Museum of Art, New York, inv. 17.190.913.

Als je wilt weten hoe de relatie tussen de goudsmeden en de schilders was, kun je ook kijken naar de regelingen van de Bourgondische hertogen uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw. Die wetgeving oversteeg de gildepraktijk die in de stedelijke voorschriften was vastgelegd, en de toezichthouders in eerste aanleg, de gildebesturen, werden door hen als staatsdienaren beschouwd. Tot hun competentie vielen niet alleen de volwaardige goud- en zilversmeden in hun gebied, maar ook allen die goud en zilver verwerkten. Omdat de achtergrond van de grote Pièta en de miniaturen van de gebroeders van Limburg uitvoerig met bladgoud zijn versierd, is direct duidelijk waarom zij tot de laatste categorie zouden worden gerekend. Er was dus een directe relatie tussen de schilders en de edelsmeden via het gebruikte materiaal.

chocques

Reliekhouder in de vorm van een vleugelaltaar, Parijs, c. 1400-1410, goud en email (keerzijde) 12.5 × 12.7 × 7 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-17045.

Goudsmeden en schilders beheersten verschillende technieken. De Parijse goudsmeden rond 1400 bewaakten de geheimen van het wit en het doorschijnend rood email, en de toepassing daarvan op een rond vlak, met gevaar voor eigen leven, en het bleef dan ook decennia hun specialisme. Een andere techniek die op de gouden en zilveren kunstwerken toen een belangrijke rol speelde, was het stippelgraveerwerk. Met metalen stiftjes werden patronen aangebracht. Het damastachtige effect in verschillende nuances tussen mat en glanzend werd ook nagestreefd door de schilders, Maelwael bijvoorbeeld in de stralenkrans rond het hoofd van zijn Christus. Om die techniek te leren hoefde hij niet naar Parijs. Kijk maar naar de binnenkant van de mijter op het belangrijkste bewaard gebleven werk van Elyas Scerpswert, die veertig jaar eerder is gerealiseerd.

BK-NM-11450-05 (2)

Borstbeeld van de Heilige Frederik (detail), Utrecht, Elyas Scerpswert, 1362, verguld zilver, 45.2 × 24.2 × 17.5 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-NM-11450.

 

Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Goud voor de Grootvorst

sk-c-203

De prinses van Oranje ontvangt Alexander II (1818-1881), grootvorst en troonopvolger van Rusland, in het Czaar Peterhuisje te Zaandam, 17 april 1839, Christiaan Julius Lodewijk Portman, 1839 – 1840, olieverf op doek, h 118,5cm × b 144cm, Rijksmuseum SK-C-203, in bruikleen van de stad Amsterdam.

In 1839 verbleef de Russische kroonprins Alexander enkele weken in Nederland, en werd er ontvangen door de in Rusland geboren Nederlandse kroonprinses Anna Paulowna. Eén van de hoogtepunten was het bezoek aan het dorp Zaandam, in het huisje waar in de late zeventiende eeuw hun voorvader Peter de Grote als timmerman had geleefd. We weten precies hoe de grootvorst werd ontvangen; de prinses zelf bood de gast naar Oud Russische gewoonte het brood en het zout aan. Het moment is weergegeven door de toen zeer gewaardeerde schilder Christiaan Julius Lodewijk Portman in opdracht van de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop.

sk-c-203-2

Het gouden bord en het zoutvat dat bij die gelegenheid werd gebruikt, en vervolgens aan de Russische grootvorst cadeau werd gedaan, is in het midden van het schilderij afgebeeld. Hoe het er uitzag weten we omdat het in de kranten precies werd omschreven. De rand van het bord, dat groter was dan een gewoon tafelbord, was versierd met een inscriptie in het Russisch waarin het bezoek werd gememoreerd. Op het plat was een oorlogsschip afgebeeld, met de naam Frederik Hendrik , naneef van Peter den Grooten. Het belangrijkste stuk was de zeskantige vaas die als zoutvat werd gebruikt. De voorkant was versierd met het portret van Peter de Grote in email, de zijden met grote halfedelstenen, een dieppaarse Russische amethist en een helderrode granaat, en op de achterkant was het Alziend Oog gegraveerd.

Portman zal precies hebben geweten hoe het stuk er uit zag. Het was gemaakt en ontworpen door de Amsterdamse goudsmid en juwelier Friedrich August Fürstenhaupt, de actieve firmant van het bedrijf Fürstenhaupt en Dammerval op de Oude Turfmarkt. Net als Portman was ook Fürstenhaupt lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae, en de juwelier kan hem dus heel goed de ontwerpen hebben laten zien. Voor ons beeld van de negentiende eeuw is het gegeven belangrijk omdat het duidelijk maakt dat ook in een periode van economische krimp nog steeds belangrijke grote gouden werken in Amsterdam konden worden gemaakt, en dat ook ambitieuze scheppingen in email tot de mogelijkheden behoorden. De voorwerpen zelf zijn voor zover bekend niet bewaard, maar dankzij de krant en het schilderij bestaat er toch een indruk van.