Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

Advertenties

Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Kracht en Voorzichtigheid

BK-1958-72

Bokaal van het kapiteinschap van Jan Berewout, zilver, gedeeltelijk verguld en geëmailleerd, H. 54,5 cm, diam. 17,4 cm, Amsterdam 1705, het corpus toegeschreven aan Jacobus van den Bergh II, de modellen door Jan Lanckhorst, Rijksmuseum, geschenk van de kunsthandel Rosenberg & Stiebel, New York, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Rijksmuseum, inv. BK-1958-72.

 

In de late Gouden Eeuw kende het Nederlandse zilver een grote verscheidenheid. Naast nauwelijks versierde volledig gladde voorwerpen, kenmerkend voor het strakke classicisme, ontstonden er ook veel complexere kunstwerken met een veel uitgesprokener versiering. Een heel team werd ingeschakeld: voordat het voorwerp kon worden gemaakt, werden ontwerp- en presentatietekeningen besteld, en soms ook driedimensionale modellen voor sculpturale onderdelen. Ook de realisatie van het object kon in handen zijn van verschillende specialisten; in dit geval werkte de zilversmid samen met gieters, drijvers, graveurs en emailleurs.

 

 

Opnamedatum: 2012-06-22

Zo’n hoogtepunt is de bokaal van het Groene Regiment van de Amsterdamse schutterij, geschonken door de officieren ter ere van hun meerdere, Jan Berewout (1666-1726). De sculpturen op het deksel en de voet zijn gemodelleerd door de beeldhouwer Jan Lanckhorst (1668-1744), en hij werkte ook aan de drie reliëfs op de bekerwand. De zilversmid, mogelijk Jacobus van den Bergh, was in eerste instantie coördinator, maar had ook een actieve rol. Hij maakte de gladde onderdelen, de sierranden, en zorgde ervoor dat de sculpturale onderdelen werden gegoten en afgewerkt. En ook daarvoor werd een beroep gedaan op een heel leger aan specialisten: ciseleurs, vergulders, emailleurs en graveurs. Doordat de zilversmid alle inspanningen coördineerde en controleerde kon een uitzonderlijke kwaliteit worden bereikt.

Opnamedatum: 2012-06-22

Monumentale Gesamt-kunstwerken uit de Gouden eeuw, zoals de paleizen van de stadhouders en de grote burgerij kwamen op dezelfde manier tot stand. Ook daar werkte een heel team kunstenaars aan één project, onder aanvoering van een coördinator. Toch is er ook een groot verschil; waar een sculptuur, schilderij of interieur voor een breed publiek was bedoeld, opent een zilveren kunstwerk zich alleen in klein comité. Alleen bij bijzondere gelegenheden kwam het stuk op tafel, en had dan automatisch de hoofdrol. Verzekerd van de volle aandacht van de kijker, konden zo complexe verhalen met meerdere lagen worden verteld.

De vrijstaande sculpturen verbeelden Kracht en Voorzichtigheid, begrippen die in de Republiek werden gebruikt als leidraad voor de militaire politiek. Als je investeert in een sterk leger, schrik je de vijand af, en kun je fysieke oorlog vermijden. Voorzichtigheid is de andere leidraad; misschien kom je er met praten ook wel uit en is het niet direct nodig om naar de wapens te grijpen. De voorstellingen op de wand breiden het verhaal uit; verhalen uit de klassieke oudheid worden ingezet als waarschuwing tegen broedertwist en als leidraad voor het bewaren van de harmonie, waardoor de overwinning binnen handbereik ligt. Daardoor wordt de bokaal een uitdrukking van de identiteit van de officieren van de Amsterdamse schutterij.

Opnamedatum: 2012-06-22

 

In blijde verwachting

bk-17117

Drinkschaal in de vorm van een schip, het slijpwerk Milaan 1550-1575, de monturen ca. 1600 en ca. 1880, bergkristal, goud en email, 18,7 × 27,1 × 23,9 cm, afkomstig uit de schatkamer in Dresden, Rijksmuseum, inv. BK-17117.

Wie vroeger het recht had om als eerste het gezelschap uit te nodigen tot het drinken van een erebeker, wat de toast mocht zijn en uit welke beker er werd gedronken, was in de internationale hofcultuur precies vastgelegd. Vooraf aan de maaltijd die ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel van Oostenrijk tot koning van Bohemen in 1723 in Praag werd gegeven, werd negen keer geproost. De belangrijkste als laatste: na op de gezondheid van de keizer en de keizerin gedronken te hebben, leegden de 144 heren nog één keer het glas op de toekomst. Op Hänsel-im-Keller, het nog ongeboren keizerlijk kind. Voor alle ‘gezondheden’ werd een speciaal daarvoor uit de Weense schatkamer meegebrachte bergkristallen drinkschaal gebruikt, die dus in totaal 1296 keer met de beste Tokay werd gevuld. En toen moesten de heren nog aan tafel…

In de Republiek was drinken op Hansje in de Kelder heel gewoon, zoals blijkt uit één van de gedichten van de secretaris van het Oranje-hof, Constantijn Huygens (1597-1687). In Cluys-werck nam hij afstand van de overvloedige drinkcultuur van zijn tijd, en beschreef hij het drinken op Hansje in de kelder als één van de vele excuses van de dronkenman. Speciale voorwerpen voor speciale gelegenheden noemt Huygens niet, maar uit achttiende-eeuwse woordenboeken en encyclopedieën is bekend dat met een Hansje in de Kelder ook een type zilveren drinkschaal kon worden bedoeld. In het midden van de schaal is een gesloten bol aangebracht waaronder een kindje op een vlotter is verborgen. Als je de schaal vult met wijn, opent de bol zich en komt het kindje te voorschijn. Hoe dat werkt? Kijk maar hier.

bk-nm-13029

Hansje in de Kelder, Groningen 1669-1670, toegeschreven aan Focke Raerda, zilver, deels verguld, h.22,5 cm x diam. 14,4 cm, Rijksmuseum, bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, inv. BK-NM-13029 (KOG-1679).

In het Rijksmuseum zijn er verschillende, waarvan de mooiste omstreeks 1670 in Groningen is gemaakt. Het abstracte, uit kwabmotieven en maskers samengestelde patroon waarmee de voet en de binnenkant van de schaal zijn versierd, behoort tot het voor luxueuze voorwerpen gewone repertoire en ook de combinatie in zilver en verguld was toen modern. ‘Bont zilver’ wordt in verschillende inventarissen als aparte categorie genoemd. Deze versie is ook bijzonder omdat op het klepje een ridder is geplaatst. Hij dient als tegenwicht: het kindje daaronder wordt alleen zichtbaar als je het figuurtje weghaalt. Uit alles blijkt dus dat dit een speciale opdracht is geweest; jammer genoeg weten we nog niet voor wie de kelk is gemaakt omdat de wapens op de voet nog niet zijn geïdentificeerd.

bk-nm-13029-2

Van een heel ander kaliber is een exemplaar dat voor het eerst in 1774 werd beschreven en afgebeeld door de Leidse arts Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812). Onder de afbeelding staat een gedicht dat hij in 1770 componeerde voor de secretaris van de Heerlijkheid Warmond: Dit Hansje was in Boons geslacht/tweehonderd jaren hoog geacht/de stamtelg nu ruim tien keer zeven/mogt nog den blyden dag beleven/dat hy uit Egâs vrugtbren schoot/een lieven teedren spruit genoot/men dronk vooraf hem/frisch en helder/geluk met Hansken in de kelder’. Het model met gelobde kelk en voet is vanaf het tweede kwart van de zeventiende eeuw in heel veel verschillende Hollandse steden toegepast, als Hansje in de Kelder, maar ook als gewone drinkschaal zonder bol en uitstulping aan de onderkant. Waar en door wie dit voorbeeld is gemaakt weten we niet precies omdat alleen het meesterteken, een drinkschaal in schild, nu nog duidelijk te onderscheiden is. Omdat dit voorwerp al in 1824 wordt beschreven in de eerste uitgebreide catalogus van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, moet het één van de eerste aanwinsten van het Rijksmuseum zijn geweest.

rp-p-ob-84-109

Hansje-in-de-kelder, ca. 1770, ets en boekdruk, 368 × 226 mm, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-84.109.

bk-nm-591

Hansje in de Kelder, Nederland ca. 1600-1650, zilver, deels verguld, 14,5 × 10 cm, Rijksmuseum, aankoop voor 1824, inv. BK-NM-591.

Het feit dat drinkschalen van dit model in relatief grote aantallen en uit verschillende steden bewaard gebleven zijn, doet vermoeden dat ze voor een breder publiek waren bestemd. De voorouders van Boon woonden en werkten tenminste sinds de vroege zeventiende eeuw in Warmond, en waren er schippers en verkopers van bier. Cornelis Boon (1697-1776) was daarnaast secretaris van de Heerlijkheid, en behoorde dus tot de bestuurlijke plattelandselite. De zwangerschap van diens tweede echtgenote Jannetje Nieuwerkerk (1736-1816) was een verrassing. De op 18 november 1770 gedoopte Maartje bleef zijn enige kind.

Samen laten de verschillende verhalen duidelijk zien dat een geschiedenis van de drinkcultuur veel complexer is dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. De toast ‘Hansje in de Kelder’ en daarmee het gebruik om op de gezondheid van het ongeboren kind te drinken, bestaat in verschillende talen en was dus algemeen verspreid. Je kunt dus niet zeggen dat het hier om een specifiek burgerlijk Hollands verschijnsel ging. Wel typisch Nederlands is dat zilveren drinkschalen van dit type zowel in luxueuze als in eenvoudige uitvoeringen bestaan. Vooral daaruit spreekt onverkort de rijkdom van de gewone Hollandse burgerij.

Zilver in gebruik

toiletstel-nassau-beverweerd

Elf delen van een toiletstel voor Elisabeth van Nassau Beverweerd, verguld zilver, Den Haag, 1666 en 1678, collectie Gemeentemuseum Den Haag

De vragen wanneer zilveren voorwerpen werden ingezet, en hoe ze werden gebruikt, zijn over het algemeen bij gebrek aan gegevens niet echt te beantwoorden. Inventarissen laten meestal alleen zien welke voorwerpen aanwezig waren. Bewaarde ensembles geven soms een indruk van de omvang, de samenstelling en de uitvoering, maar vertellen je niet wanneer en hoe de voorwerpen werden gebruikt. De nu bekende toilet-stellen zijn meestal voor belangrijke hovelingen als Elisabeth van Nassau Beverweerd (1633- 1718) gemaakt, en soms vang je in brieven een glimp op van het aankleedritueel. Toen was dat een belangrijk onderdeel van het formele hofleven, waarbij soms toeschouwers werden toegelaten.

862

Handen wassende vrouw, olieverf op paneel, 49,2 x 39,6 cm, Amsterdam 1675, gedateerd en gesigneerd Eglon Hendrik van der Neer, collectie Mauritshuis Den Haag.

Schilders spelen graag met de erotische associaties waarmee het ritueel was omgeven. In de door Eglon Hendrik van der Neer geschilderde slaapkamer gebeurt van alles. De kijker wordt vanzelf voyeur: een halfnaakte vrouw springt uit haar bed en weert de toeschouwer af, een volledig geklede dame verspert een man fysiek de toegang tot het domein der vrouwen. Op de voorgrond heeft een vrouw haar toilet net voltooid. Een jonge bediende schenkt warm water over haar handen, en vangt tegelijkertijd het vuile water in een schaal op.

862-2Voor de zilverspecialist levert deze voorstelling interessante informatie op. Zij laat zien dat dit type kannen en schalen een complexe ceremonie markeerde, en dat het voorwerp dus niet een gebruiksvoorwerp zonder meer was. Essentieel is in dit geval dat de kan en schaal de dame worden aangereikt, en dat zij deze dus niet zelf hanteerde. De handeling markeert de afsluiting van het ritueel, waarvan het belang door de inzet van het zilver wordt onderstreept.

bk-1963-62-b

Kan met monogram TESAIVB, zilver, Den Haag 1670, toegeschreven aan Jonas Gutsche, Rijksmuseum BK-1963-62-A

bk-1963-62-a-2

Schaal met monogram TESAIVB, Den Haag 1670, toegeschreven aan Jonas Gutsche, Rijksmuseum BK-1963-62-B

Een schotel van Johannes Lutma junior

Silverrummet_-_Hallwylska_museet_-_39289.tif

Hallwylska Museet, Stockholm, de zilverkamer

Afgelopen weken reisden we door Scandinavië. Zweden was een ontdekking, vanwege de stilte, de ongerepte natuur en het prachtige weer. Op de terugweg reisden we over Stockholm, een tijdcapsule uit de vroege twintigste-eeuw. Hoog op mijn verlanglijstje stond het huis van het echtpaar Walther von Halwyll (1839-1921) en Wilhelmina Kempe (1844-1930). Het in 1898 voor de verzamelingen van dit echtpaar gebouwde woonhuis is in 1938 opengesteld voor het publiek. Ik wilde dit graag zien omdat ik wist dat in de zilverkamer een gedreven kwabschotel van Johannes Lutma junior wordt bewaard. Dit stuk was voor het echtpaar een hoogtepunt: het kreeg een aparte wandvitrine.

eMuseumPlus

Schotel, Amsterdam, 1653, gesigneerd door Johannes Lutma junior, zilver, diameter 35 cm, Hallwylska Museet, Stockholm.

Die bijzondere status had het vanaf de zeventiende eeuw. Het voorwerp is niet alleen gemerkt met het meesterteken van Johannes Lutma en zijn gelijknamige zoon, maar ook door Johannes Lutma junior voluit gesigneerd. In de achttiende eeuw werd het in eerste instantie als kunstwerk gewaardeerd. Waarschijnlijk is het één van het paar Lutma schotels in de kunstcollectie van de in Zweden geboren Anthonie Grill (1664-1727), die in 1727 in Amsterdam werd geveild. Uit die verzameling bezit het Rijksmuseum de Venetiaanse globebokaal, die op diens door Quinckhardt geschilderde portret is afgebeeld. Via de Zweedse tak van de familie Grill kwam het Lutma zilver in de achttiende eeuw in Stockholm terecht, en via de families Wallis en Kempe vererfde het vervolgens op het echtpaar Von Hallwyll.

 

82f6b2aa5c58a6a3451496c3782fe286

J.M. Quinckhardt, portret van Anthonie Grill, olieverf op doek, gedateerd 1727, Grills Hofje Amsterdam

BK-NM-8338-A

Globebokaal, Venetië, ca. 1650, zilver, h. 42,5 cm, Rijksmuseum BK-NM-8338-A

De foto’s die ik van het voorwerp kende, laten niet heel duidelijk zien waarom de schotel  zo belangrijk is. Zilver fotograferen is moeilijk. Omdat zilver spiegelt worden voorstellingen verwrongen en verdwijnen details en nuanceringen. Het stuk lijkt veel groter, de voorstellingen grover en de versiering naar verhouding veel te prominent. Alleen als je het stuk in het echt ziet, komt het verfijnde samenspel tussen de voorstellingen en de versieringen tot zijn recht. Dan blijken de geschakelde kwabvelden te bestaan uit in elkaar vervloeiende motieven, en zijn de voorstellingen veel puntiger en vlakker uitgewerkt dan de rand. Het contrast geeft een indruk van de reikwijdte van de kunstenaar. Het vermogen om net als schilders en beeldhouwers minutieus verhalen weer te geven paarde Lutma aan de kunst om het ornament in al zijn verscheidenheid tot leven te brengen. Als je in Zweden komt deze vakantie: zeker gaan kijken!

P1030275

 

Specerijen in een scheepsportret

BK-NM-4313

Specerijenvat in de vorm van een schip, zilver, H. 17,6 x l. 24 cm, Middelburg, ongeïdentificeerd meesterteken, Rijksmuseum, aankoop 1878, BK-NM-4313

 

Trouwe lezers van dit blog zullen weten dat ik onderzoek doe naar de verzameling zilver uit Holland en Zeeland. Als je goed kijkt naar een voorwerp dat al heel lang in de verzameling is, en vervolgens probeert te formuleren waarom een kunstwerk in zilver interessant is, ontstaan vanzelf verschillende verhalen. Het Middelburgse specerijenvat blijkt bijzonder omdat het tot het schaarse bewaard gebleven Zeeuwse zeventiende-eeuwse zilver behoort, en omdat het een nu bijna uniek voorbeeld is van een type voorwerp dat ooit heel gebruikelijk moet zijn geweest. Specerijen werden in de zestiende en zeventiende eeuw bewaard in dozen met vakjes, ontwikkeld omdat de gezinsvoorraad specerijen kostbaar was. Toen werden ze allemaal op tafel gezet, en achteraf aan de gerechten toegevoegd. Maar daar houdt het verhaal niet op.

 

Als je wilt weten waarom een voorwerp is gemaakt, moet je vooral goed kijken. De doos heeft de vorm van een zwaarbewapend fluitschip met een galjoen aan de voor- en een galerij aan de achterkant. Dat type schip werd door Nederlandse handelaren gebruikt in warme streken, rond het Iberisch Schiereiland, en in de Oost en in de West. Onder de waterlijn is een stripverhaal afgebeeld: de zeegoden en godinnen dragen het schip en zingen: ‘DE SCHIPVART GOET/MENICH MENSCHE VOET/EN DOOR GODES SEEGEN /ONS LANDE TRIOMFEEREN/ MAER DOOR GODTS BEVEL/ ZOO CONNEN SY WEL /VAN DIE ZEEBAREN FEL DEELINNEEREN’. In gewone mensentaal wordt hier het economisch belang van de scheepvaart onderstreept, en tegelijkertijd aangegeven dat de scheepvaart niet zonder risico is. God maakt het verschil, en bepaalt of de mens of de elementen triomferen.

Opnamedatum: 2011-09-07

specerijendoos, achterzijde

Op het achterplecht, waar gewoonlijk de naam van het schip door middel van een pictogram wordt verbeeld, is hier in spiegelbeeld het persoonlijk wapen van Prins Maurits voor 1594 afgebeeld. Dat betekent niet dat het stuk aan Maurits heeft toebehoord, of voor hem is gemaakt, maar dat hier een beroemd naar de prins genoemd schip is afgebeeld. Omstreeks 1600 waren er twee, ieder de Mauritius geheten, die beiden een belangrijke rol speelden in de eerste contacten van de Nederlanders met het huidige Indonesië. Eén ervan komt voor op een scheepsportret, in 1599 geschilderd door Hendrick Vroom.

SK-A-2858 (3)

Portret van de Mauritius, opgenomen in H.C. Vroom, de terugkomst in Amsterdam van de tweede expeditie naar Oost-Indië op 19 juli 1599, Haarlem 1599, h. 102,3 x b. 218,4 cm, olieverf op paneel, Rijksmuseum, inv. SK-A-2858

 

Wat duidelijk hieruit naar voren komt, is dat je niet op losse gegevens af kunt gaan. Wanneer je werkt met zilver, zijn het type voorwerp, de uitwerking, de tekst en het beeld allemaal even belangrijk. Pas als je ze allemaal hebt verkend, begrijp je de boodschap die de eigenaar aan zijn tafelgenoten wilde vertellen: de reden voor de scheepvaart op Azië was de handel in specerijen, die met de succesvol verlopen eerste reizen van de Mauritius begonnen was. Zoals altijd, blijven er ook vragen open: van de eerste eigenaar weten we alleen de beginletters van zijn naam; op de plecht zijn de letters I.G. gegraveerd.

De nieuwe gegevens werden in 2015 gepubliceerd in de catalogus van de succesvolle tentoonstelling Asia>Amsterdam, en de tentoonstelling opende zowel in Amsterdam als in de VS met een vitrine waarin het schip naast een chinees porseleinen schotel met het monogram van de Verenigde Oost-Indische Compagnie was geplaatst. Het directe effect daarvan is dat het schip nu continue wordt aangevraagd door musea wereldwijd, en dus op geen enkele historische tentoonstelling over de Nederlandse relatie met Azië kan ontbreken. Die plotselinge populariteit van een voorwerp dat zich al sinds 1878 in de verzameling van het Rijksmuseum bevindt, geeft aan dat het zich ontwikkeld heeft tot een icoon: een drager van een voor deze geschiedenis essentiële boodschap.

 

Ik hoop dat het hierbij niet blijft, maar dat het vooral andere conservatoren en onderzoekers inspireert om eens goed te kijken naar voorwerpen die al heel lang in de Collectie Nederland aanwezig zijn. Als we investeren in goed onderzoek, zullen ongetwijfeld meer vensters op ons gezamenlijk verleden kunnen worden geopend. Ik ben nieuwsgierig.

Opnamedatum: 2011-09-07