Suikerstrooiers

In verschillende opzichten vormde de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, onder andere omdat de elite hier veel groter was dan elders. Boedelinventarissen geven bijvoorbeeld aan dat al in het begin van de achttiende eeuw thee door ruim de helft van alle Nederlanders gedronken werd, en het gebruik hiervan dus niet tot een kleine groep beperkt bleef. Datzelfde geldt voor suiker, een andere relatief kostbare smaakstof die in Nederland op veel meer tafels dan elders verscheen.

BK-NM-2751

Strooilepel, zilver, 16,2 × 4,6 × d 4,9 cm, Leiden, 1786?, ongeïdentificeerd meesterteken, BK-NM-2751

Voor Nederlandse zilversmeden betekende dat dat er een veel grotere markt was voor hun waren dan elders. Dat zilveren strooilepels – met gaatjes doorboorde lepels die werden gebruikt om klein gestampte kandijsuiker gelijkmatig over de toen bij het dessert gebruikelijke gerechten te verdelen – relatief gewoon moeten zijn geweest, is uit allerlei gegevens af te leiden. Als in de jaren 1740 door de verschillende gilden in Haarlem wordt gesproken over het merken van kleine keur zilver – de goedkoopste categorie – worden suikerlepels specifiek genoemd als de grootste typen die bij uitzondering in dit lagere gehalte mochten worden uitgevoerd. Kennelijk was het type dus heel gewoon, en de markt groot.

BK-NM-2461

Strooilepel, tin, 15 x 6 x 3,5 cm, Nederlanden, 18de eeuw, Rijksmuseum, BK-NM-2461.

De vorm en de versiering van dit Leidse exemplaar laat zien dat een brede markt ook in andere opzichten andere eisen stelde. In plaats van de toen gebruikelijke vormentaal van het neoclassicisme toont de lepel heel andere esthetische voorkeuren. De steel met het vogeltje is een traditioneel element dat sinds de zeventiende eeuw in het Nederlandse zilver aanwijsbaar is, de vorm en de versiering van de bak sluiten aan bij het Frans georiënteerde barok dat in de jaren 1740 toonaangevend was. Heel grappig is het morenhoofdje op de onderkant van de steel; dit element verwijst naar de herkomst van de suiker uit exotische werelddelen. Dezelfde wat hybride vormentaal kom je ook tegen bij andere voorwerpen voor een breed publiek. Vergelijk hem maar eens met een tinnen strooilepel, door het materiaal een veel goedkoper alternatief.

BK-1973-181

Strooilepel, zilver, 17,0 × 6,1 cm, Oss, 1848, door Johannes Lambertus Kroymans, Rijksmuseum, inv. BK-1973-181

In de negentiende eeuw lijken nieuwe ideeën zich in een veel sneller tempo te hebben verbreid, en juist in voorwerpen voor een brede markt zijn de nieuwe verhoudingen snel zichtbaar. Eén van mijn favorieten is het neogotische exemplaar dat in 1848 door Johannes Lambertus Kroijmans (Den Bosch 1808 – Schijndel 1881) werd gemaakt in het Brabantse Oss. Het voorwerp is één van de vroegste Nederlandse voorbeelden van het historisme in zilver, en bovendien één van de weinige wereldlijke voorwerpen waarvoor de gotiek als inspiratiebron werd gebruikt. Zeker als je bedenkt dat voor 1800 Oss een centrum was waar slechts enkele edelsmeden met moeite het hoofd boven water konden houden, en dus nieuwe ideeën maar langzaam ingang vonden, zegt het feit alleen al dat dit voorwerp daar kon ontstaan, veel over de hernieuwde vitaliteit van Brabant in de negentiende eeuw.

Voor mij als Hollander is niet eenvoudig invoelbaar waarom een Brabantse museumdirecteur nu de behoefte heeft om het belang van zijn museum te onderstrepen door een beroep te doen op beroemde kunstenaars die in die regio geboren zijn. Waarom zou je willen bewijzen dat Brabant er toe doet door dezelfde retoriek te gebruiken als Randstedelijke musea, zeker als de kunstenaars waarnaar wordt verwezen elders werkten en dus ook in andere musea in Nederland en daarbuiten veel beter zijn vertegenwoordigd? Wie het provincialisme achter zich wil laten, moet vertrouwen op de kracht van het eigen verhaal, en dan heb je alle getuigen van het verleden hard nodig. Ook suikerstrooiers…

Advertenties

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Herinneringen aan Eliza Laurillard

Doopschaal in houten voet, Voorschoten 1859, J.M.W van Kempen, kerkelijk bezit.

Doopschaal in houten voet, Voorschoten 1859, J.M.W van Kempen, kerkelijk bezit.

Op de tentoonstelling die ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van de Hooglandse kerk in Leiden is gemaakt, staat een eenvoudige negentiende-eeuwse doopschaal. Op zichzelf interessant, vooral omdat ook de houten voet bewaard gebleven is, maar veel intrigerender is de tekst op de rand: ‘Leden der Nederduijtsche gemeente aan Ds E Laurillard’, ‘Leijden 26 december 1858’ en ‘Ds Laurillard aan de Hooglandsche Kerk’. Wie is nu de schenker en wat was toen zo belangrijk dat het in zilver diende te worden vereeuwigd?

doopschaal detail randschrift

doopschaal detail randschrift

Leiden was voor de Rotterdammer Eliza Laurillard (1830-1908) zijn tweede standplaats. Hij was zo populair dat hij in de vijf jaar dat hij daar actief was, jaarlijks door andere gemeenten werd gevraagd. Toen was het nog gebruikelijk dat men dominees die besloten te blijven, daarvoor vorstelijk beloonde. Laurillard gaf daar een heel eigen invulling aan: zijn bonussen werden gebruikt voor de hele gemeente. Hij stortte het geld in de armenkas, liet er een school van bouwen, gebruikte het om de akoestiek van de Pieterskerk te verbeteren en het orgel van de Hooglandse te restaureren, en nog veel meer. Als je weet dat ook het zilveren doopvont op die manier is betaald, wordt de betekenis van de tekst duidelijk: gemeenteleden beloonden Laurillard, dominee besteedde het aan zilver en schonk de bonus zo weer aan de gemeente terug.

Eregalerij van het Rijksmuseum 1897

Eregalerij van het Rijksmuseum 1897

In 1862 vertrok Laurillard naar de Oude Kerk in Amsterdam, en daar zou hij zich ontwikkelen tot een nationale figuur. Onder zijn trouwe aanhangers bevonden zich onder andere Vincent van Gogh en koningin Wilhelmina. Als ontspanning schreef hij reeksen dichtbundels, en hij werd dan ook haast onvermijdelijk tot een groep beroemde domineedichters gerekend, die omstreeks 1900 één voor één met een standbeeld in de Eregalerij van het Rijksmuseum werden geëerd. Hoe hij over de Amsterdamse grachtengordeldieren van dat moment dacht? Je hoeft alleen maar zijn Maatschappij van onderlinge verzekering tegen roemloosheid te lezen:

Heeft een der leden van de club
Zijn letterkundig ei gegeven,
Dan wordt door ’t kakelen van de rest
Op schelle toon zijn lof verheven;
En, legt nu elk om beurt een ei,
En kakelen beurt’lings al de vrinden,
Dan is – dat voelt ge – in heel de club
Geen enkel roemloos lid te vinden.

De marmeren monumenten zijn al in het begin van de twintigste eeuw uit de opstelling verdwenen, en hebben nog een tijdje de gangen van verschillende ministeries versierd. Als middel om de herinnering levend te houden, hebben ze dus hopeloos gefaald. Succesvoller was het zilveren geschenk aan de Hooglandse Kerk. Bij iedere doop lezen mensen de teksten, en vragen zich vervolgens af: Wie was toch die Laurillard?

Portretbuste van Eliza Laurillard, marmer, Den Haag, Arend Willem Maurits Odé, 1894, BK-B-741

Portretbuste van Eliza Laurillard, marmer, Den Haag, Arend Willem Maurits Odé, 1894, BK-B-741

Leidse mo(nu)menten in Amsterdam

Willem van der Helm, Windvaan, verguld koper, 75 x 70 cm, Leiden 1669, geschenk van het Leidse stadsbestuur, 1876.

Willem van der Helm, Windvaan, verguld koper, 75 x 70 cm, Leiden 1669, geschenk van het Gemeentebestuur te Leiden, 1876.

Willem van der Helm, Zijlpoort Leiden, 1667

Willem van der Helm, Zijlpoort, Leiden 1667

Het licht is in deze tijd van het jaar heel bijzonder. Zonnestralen vallen door de gaten van het dichte wolkendek en zoeken hun weg over de stad. Af en toe ontmoeten ze draaiende windvanen, en werpen stralen licht in de ruimte. Van een afstand lijkt het wel of ze knipogen, en zorgen er zo voor dat ik me iedere keer weer welkom voel.

Willem van der Helm, Morspoort Leiden, 1669

Willem van der Helm, Morspoort Leiden, 1669

Windvanen draaien bij iedere windvlaag en geven zo de windrichting aan. Ze werden gemaakt van platen koper, en omdat ze zo hoog boven de grond zweven, besteedden ontwerpers vooral aandacht aan het silhouet. De afwerking met bijna 24 karaat bladgoud zorgt ervoor dat ze het licht optimaal weerkaatsen. Op dit exemplaar is goed te zien dat de vliesdunne bladen in vierkante bladen werden aangeleverd.

Willem van der Helm, Hogewoerdsbinnenpoort, Leiden 1669

Willem van der Helm, Hogewoerdsbinnenpoort, Leiden 1669

Deze windvaan is gemaakt voor een Leidse stadspoort, de Hogewoerdsbinnenpoort, een ontwerp van de Leidse stadsarchitect Willem Leenderts van der Helm (1628-1675) uit 1669. De poort maakte deel uit van een serie van zes poorten, die de nieuwe stadsuitbreiding van 1659 markeerden, en die vrijwel allen door dezelfde architect werden ontworpen. Alleen de Morspoort en de Zijlpoort staan er nog steeds. Ze laten in 3-D zien dat architect en stadsbestuur streefden naar variatie, in vorm, afwerking en versiering. Ook in de vergulde details: de windvanen zijn allemaal anders.
Dat deze poorten nog steeds door iedereen kunnen worden bewonderd, danken we aan de inspanningen van de voorvader van de monumentenzorg, Victor de Stuers (1843-1916). Als gevolg van de stadsvernieuwing die vanaf de jaren 1860 werd doorgevoerd, werden de meeste poorten gesloopt. Volgens plan zouden de laatste in de jaren 1870 verdwijnen. De Stuers overtuigde het stadsbestuur van het belang van de architect en zijn werken. Aangezien De Stuers ook over het Rijksmuseum ging, bezitten we nu niet alleen een portret van de architect, maar ook de restanten van de laatste gesloopte poort…

Nederlands zilver voor de internationale markt in Kopenhagen

Eén van de bijzondere plekken in Kopenhagen is de Rosenborg, het kasteel waar de vorsten van Denemarken in de zeventiende eeuw een schatkamer hebben ingericht. Uitzonderlijk is dat zowel het gebouw als de verzameling in grote lijnen bewaard gebleven zijn. Omdat men bij de laatste inrichting zoveel mogelijk het historische ensemble heeft gerespecteerd, is hier te zien wat men vroeger belangrijk vond. Natuurlijk zijn er aanpassingen. De schatten die nu voor iedereen te zien zijn, werden vroeger alleen bij uitzondering getoond. Alleen de koning bezat een sleutel van de kastenwand waarin de kostbaarheden waren opgeborgen.
800px-Den_danske_Vitruvius_1_tab029_-_Prospect_af_Rosenborg_Slott_og_Have
Anders dan in de meeste moderne musea, zijn niet alle voorwerpen even mooi ontworpen of uitgewerkt. Bijna vanzelf ontstaat een rangorde, waarin de belangrijkste ceremoniële objecten ook de mooiste kunnen zijn. Een voorbeeld is de gouden kroningsbokaal van de Haagse edelsmid Hans Coenraet Breghtel (1609-1675). De bokaal onderscheidt zich door gedetailleerd weergegeven voorstellingen, sculpturen en versieringen en vooral door de buitengewoon verfijnde afwerking van het goud, waardoor eindeloze nuanceringen in mat en glanzend zijn gerealiseerd.

Kroningsbokaal, Hans Coenraet Breghtel, Den Haag, 1653

Kroningsbokaal, Hans Coenraet Breghtel, Den Haag, 1653

Voor ons beeld van het Nederlandse zilver is veelzeggend dat deze bokaal door de Hanzestad Hamburg in 1653 in Den Haag werd besteld. Met 48 edelsmeden was Hamburg omstreeks 1650 het grootste en belangrijkste regionale centrum van de edelsmeedkunst in Noord Europa, waar Zweden en Denemarken vrijwel alle diplomatieke geschenken kochten. Dat de stad zelf voor een echt belangrijke opdracht de eigen edelsmeden passeerde, zegt veel over de onderlinge krachtverhoudingen. Zowel in Den Haag (ca. 80 ateliers) als in Amsterdam (ca. 250 ateliers) waren de edelsmedengemeenschappen op dat moment veel groter dan in Hamburg, met als gevolg dat er ook meer ruimte voor specialisten was.

Bokaal, Hans Coenraet Breghtel, Den Haag, 1641

Bokaal, Hans Coenraet Breghtel, Den Haag, 1641

Omdat heel veel van dat type werk in de tussenliggende eeuwen verloren is gegaan en verspreid is geraakt, is het zelden mogelijk om een bezoeker deze ervaring te laten ondergaan. In Nederland kun je iets daarvan proeven in de Lakenhal in Leiden. Het hoogtepunt van het voor het grootste deel bewaard gebleven zeventiende-eeuwse raadszilver is ook daar een bokaal van Breghtel, in dit geval een geschenk van de Winterkoningin aan de stad. Breghtel zet hier andere middelen in; die bokaal imponeert vooral door het grote formaat en door de grootschalige versieringen.