Dordtse miniaturen voor Amsterdam

bk-nm-11177-266

Man met ladder en hond, zilver, 4,7 x 3,2 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-266, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Wie geïnteresseerd is in zilveren miniaturen en dus kijkt wat daarover geschreven is, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit verhaal met de komst van het Koninkrijk in 1813 zo goed als afgelopen was. In de boeken komt met name de zeventiende- en de achttiende-eeuwse productie aan bod, en we weten dus ook wel min of meer wie toen de meest productieve zilversmeden op dit gebied waren, en wat de grootste productiecentra. Het negentiende-eeuwse vervolg onttrekt zich nagenoeg geheel aan ons oog, omdat daar nog geen systematisch onderzoek naar is gedaan. Het lijkt ook onbegonnen werk omdat miniaturen in de negentiende eeuw niet of nauwelijks met jaarletters werden gemerkt, en dus zelden precies te dateren zijn.

bk-nm-11177-298

Jongen op hobbelpaard, zilver, 6,3 x 4,9 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-298, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Toevallig kwam ik deze week een interessant contract tegen dat iets laat zien van de verscheidenheid in het midden van de negentiende eeuw. Op zes september 1860 ging de Amsterdamse goud en zilverkashouder Roelof Citroen, op het hoekje van de Kalverstraat en de Dam, een leveringscontract aan met een Dordtse zilversmid voor dertien verschillende zilveren miniaturen. Ze moesten binnen vier weken worden geleverd, en voor het zilver zou Citroen niet meer betalen dan 1 gulden en 35 cent het lood, ongeveer de courante zilverprijs per 16 gram. Over het arbeidsloon werd niets gezegd, misschien moest dat nog later worden bepaald.

bk-nm-11177-267

Jongen met hoepel, zilver, 3,6 x 5,9 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-267, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Willem Freen (1826-1898) dreef volgens de adresboeken tussen 1857 en 1879 een atelier aan de Voorstraat in Dordrecht, en kon volgens de bestelling van Citroen zowel complexe als eenvoudige voorbeelden leveren. Citroen bestelde technisch geavanceerde voorwerpen als een tentkoets en een koets met vierspan, helemaal uit zilverdraad opgebouwd. De elf andere voorbeelden bestonden uit combinaties van gegoten elementen en plaat. Een sleepkoets met vier paarden en een jongen zal het grootste zijn geweest, gevolgd door verschillende koetsen en sleden en tot slot een serie figuren die een beroep verbeeldden, zoals een scharenslijper, een koopman en een kelderjongen. Met de laatste zal een cafébediende zijn bedoeld die vaten uit de kelder haalde.

bk-nm-11177-268

Jongen met vlieger, zilver, 3,6 x 4,6 x 2,5 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-268, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Het Rijksmuseum bezit maar liefst negen miniaturen van Freen, allemaal van dezelfde soort als degenen die hij in 1860 aan Citroen leverde. Als je ze nauwkeurig bekijkt, zie je dat de onderdelen onderling uitwisselbaar zijn, en dat Freen dus kennelijk op een eenvoudige manier in staat was om verschillende varianten te maken. Door een ander grondje te gebruiken en andere attributen toe te voegen ontstonden voorstellingen in serie. De meeste zijn direct op achttiende-eeuwse voorbeelden gebaseerd.

Het contract tussen Citroen en Freen laat zien dat ook belangrijke Amsterdamse winkeliers in de negentiende eeuw dit type voorwerpen niet noodzakelijk in de eigen stad lieten maken, maar daarvoor specialisten in andere steden inschakelden. Daarnaast toont de bron aan dat miniaturen ook in de negentiende eeuw bijzonder waren, en dat verscheidenheid in dit opzicht belangrijker was dan kwantiteit. De belangrijkste toevoeging voor mij is de beschrijving van verschillende soorten koetsen in zilverdraad, omdat nu gewoonlijk wordt aangenomen dat dat type wel werd verkocht maar vooral uit Azië of Duitsland zou zijn geïmporteerd. Zouden er nog ergens volledig gemerkte, en dus aantoonbaar Nederlandse exemplaren uit het midden van de negentiende eeuw bewaard gebleven zijn?

bk-nm-11177-271

Vogelvanger, zilver, 4,9 x 5,7 × 2,2 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-271, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Advertenties

Nederlandse miniaturisten?

Opnamedatum: 2011-07-11

Theebus met chinoiserieën, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Coutrier, 4,5 x 3,3 x 2,1 cm, BK-NM-11177-67

 

 

Eén van de dingen die opvalt als je naar de Nederlandse edelsmeedkunst in het verleden kijkt, is de vergaande mate van specialisatie. Zelfs in een relatief kleine stad als Delft onderscheidde men maar liefst acht verschillende typen goud en zilversmeden. Soms werden de scheidslijnen getrokken langs technische grenzen; om edelstenen te kunnen zetten, kettingen of voorwerpen van draadwerk te creëren heb je specifieke vaardigheden en gereedschappen nodig. In andere gevallen lijken de grenzen te zijn bepaald door het materiaal, en vooral de manier waarop de verschillende categorieën daarbinnen door de keurkamer werden behandeld.

 

In Holland werden twee soorten zilver onderscheiden: grotere voorwerpen werden in minimaal 934/1000 zilver uitgevoerd, en per stuk gecontroleerd en gemerkt; voor kleinere voorwerpen kon met een lager gehalte van 833/1000 zilver worden volstaan. Dit laatste type werd steekproefsgewijs per partij gecontroleerd, aanvankelijk in de werkplaatsen van de zilversmeden zelf, en vanaf 1733 algemeen op de keurkamers in de verschillende steden. Ongetwijfeld heeft dat verschil te maken met de omvang van de productie. Zo berekende men in 1730 dat alle Amsterdamse kleine keurwerkers samen jaarlijks 450.000 zilveren voorwerpen afleverden, die onmogelijk stuk voor stuk door de vier keurmeesters in die stad konden worden gecontroleerd.

Opnamedatum: 2011-06-20

Vingerhoed, Amsterdam, 1730-1749, door Cornelis Coutrier, 1,6 x 1,3 cm diameter, BK-11177-83-A

De productie moet dus immens zijn geweest, en als je deze aantallen vergelijkt met de voorwerpen die nu nog bekend zijn, is ook direct duidelijk dat maar een fractie daarvan bewaard gebleven is. Een voorbeeld is het werk van Cornelis Coutrier (1702-1749), die in 1730 zijn naam en meestertekens op de plaat van het gilde sloeg. Eenvoudige gegoten theelepels moeten in honderdvoud door deze zilversmid zijn gemaakt, en vingerhoeden met een gestampte versiering werden in partijen van 500 stuks aan de keurkamer aangeboden. Wat we daar nu nog van kennen is op de vingers van een hand te tellen.

Opnamedatum: 2011-06-27

Stofblik, Amsterdam 1730-1733, door Cornelis Couturier, 4,8 x 4,7 cm, zilver, BK-11177-14

 Zilveren miniaturen bleven beter bewaard, en van Coutrier kennen we zowel gladde als voorwerpen met een heel complexe versiering. Als je bijvoorbeeld deze theebus draait, zie je dat alle kanten anders zijn: in het landschap wonen verschillende Chinezen, die bovendien relatief natuurgetrouw weergegeven zijn. Waarschijnlijk heeft Coutrier de vorm en de versiering zelf ontworpen. Hij was er zeker toe in staat: van hem zijn verschillende door hemzelf gemodelleerde gegoten penningen bekend.

Het laat zien hoe voorzichtig je moet zijn als je probeert aan de hand van het bewaard gebleven materiaal een specialisme te reconstrueren. Als je de andere voorwerpen niet kent, omdat die niet of nauwelijks bewaard gebleven zijn, zou je kunnen denken dat miniatuur zilver het werk van specialisten in dat type was, terwijl het in werkelijkheid niet meer dan een –belangrijk- onderdeel daarvan blijkt te zijn.

BK-NM-11177-67-01

BK-NM-11177-67-02

BK-NM-11177-67-03

BK-NM-11177-67-04

 

Klein winterfeest

BI-1887-1463-60

Slede op het ijs bij Zwolle, Gesina ter Borch, na 1656 – ca. 1687, h 243 × b 360mm, BI-1887-1463-60

Nu het eindelijk een paar graden vriest, de eerste natuurijsbanen al weer open zijn, en er weer volop wordt gespeculeerd over de Tocht der Tochten raakt Nederland langzamerhand in de schaatskoorts. Omdat het in Nederland per slot van rekening niet iedere winter vriest, wordt het als iets bijzonders beschouwd als de schaatsen weer kunnen worden onder gebonden. Vroeger was dat ook zo: in het getekende dagboek van Gesina Ter Borch laat zij het rijden met de arrenslede op de grachten rond Zwolle zien.

 

BK-14913-XXIVSchaatsen, Amsterdam, ca. 1660, toegeschreven aan Hendrik van der Star, zilver, h 1,2 × l 4,1 × b 0,6 cm BK-14913-XXIV

Typisch Nederlands is dat deze fascinatie zich ook vertaalde in klein zilver, dat in kastjes met glazen deuren werd getoond. Het vroegste voorbeeld in het Rijksmuseum is een paar schaatsen, dat in het midden van de zeventiende eeuw in Amsterdam is gemaakt. Opvallend is dat in de achttiende en vroege negentiende eeuw alle soorten sleden in zilver werden vertaald. Zowel de luxueuze arrensleden als de prikslee van de kinderen, en zelfs de grote ijs-slede, waarmee vrachten over de gracht werden vervoerd, zijn in het klein uitgevoerd.BK-NM-11177-316

Arrenslede, Amsterdam, 1737, Willem van Strant, zilver h 4,8 x l 11,2 × b 3,2 cm, BK-NM-11177-316

BK-NM-11177-317

Arrenslede, Amsterdam, 1768, toegeschreven aan Arnoldus van Geffen, zilver, h 4,8 × b 9,8 × d 2,5 cm, BK-NM-11177-317

BK-NM-11177-269

Prikslede, Dordrecht, ca. 1856 – ca. 1858, W. Freen, zilver, l 8,1 × b 2,7 × h 3,5 cm, BK-NM-11177-269

BK-NM-11177-301

IJsslede, Amsterdam 1736, toegeschreven aan Willem van Strant h 3 × b 9 × d 2,8 cm, BK-NM-11177-301

In de negentiende eeuw werden daar nieuwe typen aan toe gevoegd. De leukste is in het midden van de negentiende eeuw gemaakt in Delft, in de werkplaats van Willem Diedericus Ilcken (1810-1869). Net als zijn vader en grootvader voor hem was hij kashouder en zilversmid in deze kleine Hollandse stad. Deze marktkraam op het ijs is bijzonder, omdat Ilcken precies weergeeft hoe dat er in zijn tijd uitzag. Kijk maar naar de koopman met zijn hoge hoed en klompen. Is hij niet direct uit de boeken van Dickens weg gelopen?

BK-NM-11177-274

Koek en zoopje tent, Delft, 1843-1869, Willem D. Ilcken, b 5,7 × h 4,7 cm, BK-NM-11177-274

 

De passie van de Beurs?

Onder het dak van het Rijksmuseum leven verschillende instellingen. Eén daarvan is het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, de oudste nog bestaande nationale vereniging van liefhebbers en verzamelaars van cultureel erfgoed. Al in de negentiende eeuw kreeg het genootschap complete verzamelingen, die juist omdat ze in hun geheel bewaard gebleven zijn, veel kunnen vertellen over de passie van de verzamelaar.

Keuken met 45 zilveren miniaturen, Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, legaat van J.W.H. Heusken 1893, BK-KOG-1917.

Keuken met 45 zilveren miniaturen, Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, legaat van J.W.H. Heusken 1893, BK-KOG-1917.

Eén ervan is een omstreeks 1840 gemaakt eikenhouten vitrinekastje, waarvan de binnenzijde de vorm van een keukentje met aanrecht en stookplaats heeft. De tegeltjes, het natuurstenen aanrecht met de spoelbak, en de zwarte haardplaat worden door de schilder gesuggereerd. Het keukengerei rond de haard, op de planken en in de kasten is uitsluitend van zilver gemaakt. Zij vormen de kern van de verzameling. De merken laten zien dat het om oude en antieke zilveren miniaturen gaat; de wafelijzers, pannen, roosters, kettingen en trommels zijn alle in de zeventiende en achttiende eeuw gemaakt. Jarenlang moet de verzamelaar er over hebben gedaan, voordat zijn weergave van een keuken in miniatuur compleet was.

Pofferpan, Amsterdam 1754, zilver, toegeschreven aan Jan Borduur, l. 8,6 cm, Rijksmuseum, legaat Taudin Chabot-Provó Kluit, BK-NM-11177-25.

Pofferpan, Amsterdam 1754, zilver, toegeschreven aan Jan Borduur, l. 8,6 cm, Rijksmuseum, legaat Taudin Chabot-Provó Kluit, BK-NM-11177-25.

De miniaturen behoren tot de typen die door verschillende generaties zilversmeden zijn vervaardigd en in grote aantallen bewaard gebleven zijn. Zo heeft het Rijksmuseum maar liefst drie nagenoeg identieke exemplaren van de poffer-pan, tussen 1743 en 1768 gemaakt door bekende Amsterdamse zilversmeden als Pieter van Somerwil, Arnoldus van Geffen en Jan Borduur.

De voorwerpen zelf zijn dus over het algemeen niet zo bijzonder; het belang van deze verzameling zit hem vooral in de verhalen die met behulp van de vitrinekast worden verteld. Alleen in deze keuken kun je zien dat ongebruikte pannen gewoonlijk direct naast de haardplaat aan haken hingen. Net als de grote, hadden kleine zilveren poffer- en koekenpannen vroeger geen houten stelen.

Evenveeltjespan, Nederland? ca. 1800, vertind ijzer, l 30 cm, Rijksmuseum BK-18921

Evenveeltjespan, Nederland? ca. 1800, vertind ijzer, l 30 cm, Rijksmuseum BK-18921

Wie met zoveel zorg deze verzameling samenstelde en een presentatie daarvoor bedacht? Johannes Hendrik Willem Heusken (1837-1893) was te jong om al in het begin van de negentiende eeuw zilveren miniaturen te verzamelen. Heeft hij de verzameling misschien van zijn grootvader geërfd? Op verschillende manieren trad Heusken in de voetsporen van Johannes van der Linden (1780-1840); als beurshandelaar traden zij beiden op voor dezelfde firma, en Heusken woonde bij zijn dood nog steeds in het huis van zijn grootvader, Keizersgracht 225. De ongehuwd gebleven Heusken had weinig familie, en kon de traditie daarom niet doorgeven. Vandaar dat het resultaat van hun beider passie nu één van de pronkstukken is van het KOG.

BK-KOG-1917-01

Twee manieren om een tafel te dekken

18e eeuw Rijksmuseum 4Het is niet moeilijk om uit te vinden wat publiekslievelingen zijn: als je over zaal wandelt, valt op dat sommige dingen heel vaak worden gefotografeerd. Eén van die fotogenieke voorwerpen is de met miniatuur zilver gedekte tafel in de Special Collections. Bestek en borden zijn neergezet voor vier personen, en rechts van ieder bord staat een – wat groot uitgevallen – zoutvat. Pronkstukken zijn kandelaars en kandelabers, kleine en grote terrines, olie-en azijnstel en last but not least, het (voor zover bekend) unieke middenstuk, een centraal op tafel geplaatst sierstuk waar bloemen in konden worden gezet. De foto is niet van mij, maar van één van de bewonderaars.

De gedekte tafel heeft het Rijksmuseum in 1898 gekregen van mevrouw Catharina Wendelina Jacoba Taudin Chabot – Provó Kluit (1843-1897). Deze in Amsterdam geboren dame legateerde haar complete verzameling aan het Rijksmuseum, en het geschenk en de beschrijving van de 347 miniaturen nam maar liefst een jaar in beslag. Uiteindelijk bleken er drie categorieën te zijn, keukengerei, kleine beeldjes, en vooral veel tafelzilver. Voor het eerst in ruim honderd jaar is de hele verzameling nu weer helemaal te zien. Bij de voorbereidingen kwamen er verschillende verrassingen boven water, met als belangrijkste het middenstuk. Op basis van een foto uit 1880 konden de onderdelen in 2013 voor het eerst weer worden samengevoegd.

Omdat men omstreeks 1898 nog niet zo heel veel van zilvermerken wist, is het tafelservies toen niet als één geheel beschreven. Door de vormen en de versieringen gedetailleerd met elkaar te vergelijken bleek het servies veel groter te zijn dan vroeger werd gedacht. Bijna alle nu bekende serviesdelen zijn tussen 1780 en 1784 door enkele Amsterdamse specialisten geleverd. Zo zijn de kandelaars en de kandelabers in 1780 gemaakt door dezelfde zilversmid die twee jaar later 36 (!) borden zou leveren. Voor het middenstuk en het olie en azijnstel werden in 1784 weer andere edelsmeden ingeschakeld, die op hun beurt ook weer andere onderdelen maakten. Op de grote terrine uit 1809 na, was het servies in 1784 compleet.

Het gevolg van al die aankopen is dat er nu veel meer servies is dan de hoeveelheid die op de tafel kan worden uitgezet. In het museum staan ze nu in dezelfde vitrine, op de plankjes links en rechts, als opties voor de verschillende manieren waarop je de tafel ook zou kunnen dekken. Was men in de 18de eeuw toe aan het dessert, dan bleven alleen de kandelaars, de kandelabers en het middenstuk staan. De terrines en het olie- en azijnstel werden vervangen door dozen en vazen met zoete dingen. Op de foto zijn de kastanjevazen te zien, waarin marrons-glacés werden rondgedeeld, en de trommels, waarin oublies (opgerolde wafels), en gebakken beschuiten werden opgediend. Onze toetjes kende men nog niet; het bindmiddel voor puddingen moest nog worden uitgevonden.
Opnamedatum: 2011-05-06-20

In het klein vertelt deze tafel veel over de manier waarop het museum met schenkingen en legaten omgaat. Je kunt niet altijd alles laten zien – dat is afhankelijk van het verhaal dat je in een opstelling vertelt – maar het is wel heel belangrijk om alles te bewaren en er ook onderzoek naar te blijven doen. Zo slaag je erin om steeds nieuwe verhalen te vertellen, zodat ook de evergreens die ieder museum heeft, nieuwe generaties kunnen blijven boeien.

Weer naar school! De wereld in miniatuur zilver

Vanmorgen was het weer druk in de tram. Hordes kinderen laten duidelijk zien dat in Amsterdam de scholen weer begonnen zijn. Vroeger liepen kinderen kilometers naar het dichtstbijzijnde leslokaal, en ook de inhoud van hun tassen is ongetwijfeld veranderd, maar wat zeker hetzelfde bleef is de worstelpartij met de veel te grote en zware schooltas, die pas als je wat ouder bent normale proporties lijkt aan te nemen. Het Zuiderzeemuseum heeft verschillende 18de-eeuwse exemplaren; ze zijn van hout, hebben een blad dat je open kunt schuiven, en een handvat waaraan je de kist kunt dragen.
Schooltas Zuiderzeemuseum Schooltas
In het Rijksmuseum zijn er enkele 17de-eeuwse zilveren versies in miniatuur, die op precies dezelfde manier zijn gemaakt als de grote voorbeelden. Ook van dit nog geen 5 centimeter lange exemplaar kun je het deksel openschuiven, en ik stel me zo voor dat er vroeger ook pennen en boeken in lagen. Met ruim 400 andere zilveren miniaturen in de Special Collections toont het museum daarmee de typisch Nederlandse fascinatie voor de gewone wereld in klein formaat zilver.

Dat zilveren miniaturen een typisch Nederlands verschijnsel zijn, weten we omdat buitenlandse reizigers ze soms noemen in hun verslagen. Bezoekers verbaasden zich over de enorme rijkdom, die in het 17de- en 18de-eeuwse Nederland niet alleen aan de grachten, maar vooral ook op het welvarende platteland overal te zien was, en zij noemen daarin soms ook specifiek de verzamelingen die van Haastrecht tot Hindelopen de trots van de bezitter vormden. Op tafeltjes, rekken en in glazen kastjes stonden de collecties uitgestald, en ongetwijfeld werden ze vol trots aan de bezoeker getoond.

De enorme variatie in het aantal thema’s, en de ongelooflijke hoeveelheden waarin miniaturen die uit de 17de, 18de en 19de eeuw bewaard gebleven zijn, geven niet alleen aan dat er in Nederland een brede belangstelling moet zijn geweest, maar ook dat het toen al mogelijk moet zijn geweest om een gespecialiseerd thema uit te werken. Een schooltas is dan een voorbeeld van de wereld van het kind, net als een bord met damschijven (het bord is 5 bij 5 cm), dat zo precies is uitgevoerd dat je er ook echt mee zou kunnen spelen.

Ook nu nog zijn zilveren miniaturen een geliefd verzamelobject, en ze worden – onder andere in Schoonhoven – nog steeds in grote aantallen nieuw gemaakt. Er is wel één ding veranderd; waar men vroeger moderne voorwerpen uit het leven van alledag in miniatuur zilver transformeerde, heeft de verzamelaar nu vooral een voorkeur voor nostalgische interpretaties. Zouden er al rugzakken, schoolagenda’s en spelcomputers worden verzameld? En waar blijft de versie van Kolonisten van Katan?
BK-15111