Sound the trumpet!

NG-NM-561

Natuurtrompet, zilver en passement in zijde en zilverdraad, 63,8 x 11,5 cm diam, London, 1-12-1813/30-3-1814, William Troby in opdracht van William Sandbach, in 1814 geschonken aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden door de lijfwacht te paard van Koning Willem I, Rijksmuseum, inv. NG-NM-561.

De afgelopen weken heeft het Rijksmuseum veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de muziek, die op een bijzondere manier door de bestaande opstelling verweven is. Vroeger speelde ik trompet, en het zal dan ook niemand verbazen dat ik een warm plekje heb voor de zilveren natuurtrompet waarvan de triomfantelijke klanken door de Waterloo zaal klinken.

Zilveren trompetten klinken niet anders dan dezelfde modellen in koper, en werden dus voor een speciaal doel in dat veel kostbaarder materiaal uitgevoerd. Dit exemplaar is een geschenk van Koningin Wilhelmina van Pruissen aan de lijfwacht te paard van Koning Willem I. Bij de ceremoniële intocht ter gelegenheid van de inhuldiging op 30 maart 1814 in Amsterdam omringde de lijfwacht de koets van de koningin.

RP-P-OB-87.095

Intocht van prins Willem Frederik te Amsterdam, 1813, ets, h 151mm × b 196mm, Rijksmuseum inv. RP-P-OB-87.095.

De lijfwacht te paard bestond uit vrijwilligers onder leiding van Jean Charles graaf van Bylandt (1776-1841). Na de aankomst van de prins op 30 november 1813 in Nederland werd daar nog steeds actief oorlog met de Fransen gevoerd, en de lijfwacht te paard zorgde voor de fysieke veiligheid van de koning zolang dat nodig was. In de zomer van 1814 werd het korps ontbonden. In overleg met de Koning werd vervolgens besloten om het ereteken onder te brengen in één van de voorlopers van het Rijksmuseum, het net opgerichte Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden in Den Haag. Als getuigenis van hun dapperheid en trouw, werden de reden van het geschenk en hun namen voluit op de beker van het instrument gegraveerd.

NG-NM-561 (4)

Volgens de krantenberichten had de koningin het stuk speciaal voor de gelegenheid in Engeland laten maken. Anders dan soms wel wordt gedacht, is de maker van het stuk niet de Londense instrumentmaker William Sandbach.  Waarschijnlijk is het instrument bij hem gekocht, en speelde hij in dit geval de rol van bemiddelaar. De opdracht is tussen 1 december 1813 en 30 maart 1814 uitgevoerd door de Londense zilversmid William Troby, die zich in 1812 net had laten inschrijven bij de Goldsmithshall. Het door Sandbach beschikbaar gestelde model in koper, is door Troby in zilver vertaald. Als bewijs dat het instrument aan materiaal minimaal 925/1000 zilver bevatte, en dat de in Engeland daartoe verschuldigde belasting was betaald, zijn alle onderdelen afzonderlijk door de Goldsmithshall gemerkt. Waarschijnlijk heeft de zilversmid ook de gedreven versiering van de mondrand bedacht en uitgevoerd.

Als één van de eerste aanwinsten van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in zilver, geeft het stuk een bijzonder inzicht in de signatuur van de verzameling die men in het begin van de negentiende eeuw voor ogen had. Bijzondere eigentijdse eretekenen werden ingezet als illustratie van de recente geschiedenis. Omdat het stuk al zo vroeg in de collectie is opgenomen, en dus maar enkele maanden is gebruikt, zijn zowel het instrument als het zilverpassement en de kwasten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Hoe zo’n pronkstuk klinkt kun je nu voor het eerst sinds 1814 weer horen:  Sound the Trumpet!

20170531_130559

Een ideaal museum

RMA-SSA-F-00313-1

Westelijke binnenplaats voor de verbouwing, daglichtcollodiumzilverdruk, 11 x 8 cm, 1927, door A.S. Schmidt Degener, RMA-SSA-F-00313-2

Net als alle andere musea kan ook het Rijksmuseum lang niet alles tonen wat ze heeft. Wat je toont en wanneer hangt af van het verhaal dat je aan het publiek wilt vertellen, en natuurlijk van de hoeveelheid ruimte die je voor dat verhaal beschikbaar hebt. Sommige thema’s komen zelden aan bod, maar dat betekent niet dat de voorwerpen oninteressant en dus overbodig zijn. Zo bezat het museum ooit een omvangrijke verzameling driedimensionale reproducties van kunstvoorwerpen in gips en metaal, waarvan nu nog maar een heel klein deel bewaard gebleven is. Van de ruim 1600 voorwerpen die in 1915 in een catalogus zijn beschreven – en waarvan een deel hier op de foto te zien is – bleven alleen de ruim 70 reproducties in metaal bewaard. De rest is letterlijk weggegooid, omdat ze in de twintigste eeuw als waardeloze kopieën werden beschouwd.

BK-NM-5298

Galvanoplastische reproductie van een deel van de Popta-schat, verzilverd koper, 1881, Firma Elkington & Co, Birmingham, Rijksmuseum, inv.nrs. BK-NM-5298 – BK-NM-5305.

Daarmee verdween ook een belangrijk deel van de geschiedenis van het Rijksmuseum. Beter dan foto’s of tekeningen geven driedimensionale reproducties een idee van maat, vorm en uitwerking, en ze werden dan ook in eerste instantie benut als een driedimensionaal beeldarchief van voorwerpen die onbereikbaar waren voor het Rijksmuseum omdat ze te kostbaar waren of inmiddels verloren waren gegaan. Daarnaast werden reproducties gebruikt als model in het tekenonderwijs van de verschillende onderwijsinstellingen die in de gebouwen van het Rijksmuseum waren gevestigd, de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Grote buitenlandse musea hebben deze deelverzamelingen al lang geleden nieuw leven in geblazen. Zo zijn de galvanoplastische reproducties van het Victoria & Albert Museum in Londen sinds 1995 opgenomen in de Silver Galleries, als pregnante voorbeelden van de nieuwe technische mogelijkheden die in de negentiende eeuw beschikbaar waren. Het Metropolitan Museum in New York stelde in 2011 hun verzameling reproducties centraal om te laten zien hoe onze waardering is veranderd. Als je kijkt naar de keuzes die in de negentiende eeuw werden gemaakt, blijkt immers precies wat toen belangrijk werd gevonden, of met andere woorden, wat toen de canon was.

Jamnitzer-cup

Akeleibokaal, zilver, h 69 cm, Neurenberg, ca. 1550-1575, het ontwerp toegeschreven aan Wenzel Jamnitzer, Victoria & Albert Museum, London, inv. M-150-1872.

Hoewel nog heel veel onderzoek nodig is, is nu al duidelijk dat de hoogtepunten van de edelsmeedkunst van mijn voorgangers in het Rijksmuseum voor een deel ook de onze zijn; de Poptaschat in het Fries Museum is nog steeds één van de belangrijkste ensembles van het Nederlandse zilver en het is dus direct te begrijpen waarom de moeite werd genomen om daarvan een kopie voor de verzameling in Amsterdam te laten maken. Verrassender is dat men toen ook al het Nederlandse zilver plaatste in een internationaal kader, en dus ook kopieën bestelde van verschillende hoogtepunten van de Europese edelsmeedkunst. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de door Wenzel Jamnitzer ontworpen meesterproef van het Neurenbergse goudsmedengilde. Voor het Rijksmuseum waren de originelen toen zeker onbereikbaar omdat de fondsen ontbraken om zulke grote aankopen te kunnen doen. Met kopieën kon een voorschot daarop worden genomen, en een ideaal museum worden samengesteld. Honderddertig jaar later kan worden vastgesteld dat de dromen uit 1881 inmiddels grotendeels zijn gerealiseerd, maar dat er ook nog heel veel te wensen overblijft.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

Goud voor de Grootvorst

sk-c-203

De prinses van Oranje ontvangt Alexander II (1818-1881), grootvorst en troonopvolger van Rusland, in het Czaar Peterhuisje te Zaandam, 17 april 1839, Christiaan Julius Lodewijk Portman, 1839 – 1840, olieverf op doek, h 118,5cm × b 144cm, Rijksmuseum SK-C-203, in bruikleen van de stad Amsterdam.

In 1839 verbleef de Russische kroonprins Alexander enkele weken in Nederland, en werd er ontvangen door de in Rusland geboren Nederlandse kroonprinses Anna Paulowna. Eén van de hoogtepunten was het bezoek aan het dorp Zaandam, in het huisje waar in de late zeventiende eeuw hun voorvader Peter de Grote als timmerman had geleefd. We weten precies hoe de grootvorst werd ontvangen; de prinses zelf bood de gast naar Oud Russische gewoonte het brood en het zout aan. Het moment is weergegeven door de toen zeer gewaardeerde schilder Christiaan Julius Lodewijk Portman in opdracht van de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop.

sk-c-203-2

Het gouden bord en het zoutvat dat bij die gelegenheid werd gebruikt, en vervolgens aan de Russische grootvorst cadeau werd gedaan, is in het midden van het schilderij afgebeeld. Hoe het er uitzag weten we omdat het in de kranten precies werd omschreven. De rand van het bord, dat groter was dan een gewoon tafelbord, was versierd met een inscriptie in het Russisch waarin het bezoek werd gememoreerd. Op het plat was een oorlogsschip afgebeeld, met de naam Frederik Hendrik , naneef van Peter den Grooten. Het belangrijkste stuk was de zeskantige vaas die als zoutvat werd gebruikt. De voorkant was versierd met het portret van Peter de Grote in email, de zijden met grote halfedelstenen, een dieppaarse Russische amethist en een helderrode granaat, en op de achterkant was het Alziend Oog gegraveerd.

Portman zal precies hebben geweten hoe het stuk er uit zag. Het was gemaakt en ontworpen door de Amsterdamse goudsmid en juwelier Friedrich August Fürstenhaupt, de actieve firmant van het bedrijf Fürstenhaupt en Dammerval op de Oude Turfmarkt. Net als Portman was ook Fürstenhaupt lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae, en de juwelier kan hem dus heel goed de ontwerpen hebben laten zien. Voor ons beeld van de negentiende eeuw is het gegeven belangrijk omdat het duidelijk maakt dat ook in een periode van economische krimp nog steeds belangrijke grote gouden werken in Amsterdam konden worden gemaakt, en dat ook ambitieuze scheppingen in email tot de mogelijkheden behoorden. De voorwerpen zelf zijn voor zover bekend niet bewaard, maar dankzij de krant en het schilderij bestaat er toch een indruk van.

Dordtse miniaturen voor Amsterdam

bk-nm-11177-266

Man met ladder en hond, zilver, 4,7 x 3,2 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-266, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Wie geïnteresseerd is in zilveren miniaturen en dus kijkt wat daarover geschreven is, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat dit verhaal met de komst van het Koninkrijk in 1813 zo goed als afgelopen was. In de boeken komt met name de zeventiende- en de achttiende-eeuwse productie aan bod, en we weten dus ook wel min of meer wie toen de meest productieve zilversmeden op dit gebied waren, en wat de grootste productiecentra. Het negentiende-eeuwse vervolg onttrekt zich nagenoeg geheel aan ons oog, omdat daar nog geen systematisch onderzoek naar is gedaan. Het lijkt ook onbegonnen werk omdat miniaturen in de negentiende eeuw niet of nauwelijks met jaarletters werden gemerkt, en dus zelden precies te dateren zijn.

bk-nm-11177-298

Jongen op hobbelpaard, zilver, 6,3 x 4,9 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-298, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Toevallig kwam ik deze week een interessant contract tegen dat iets laat zien van de verscheidenheid in het midden van de negentiende eeuw. Op zes september 1860 ging de Amsterdamse goud en zilverkashouder Roelof Citroen, op het hoekje van de Kalverstraat en de Dam, een leveringscontract aan met een Dordtse zilversmid voor dertien verschillende zilveren miniaturen. Ze moesten binnen vier weken worden geleverd, en voor het zilver zou Citroen niet meer betalen dan 1 gulden en 35 cent het lood, ongeveer de courante zilverprijs per 16 gram. Over het arbeidsloon werd niets gezegd, misschien moest dat nog later worden bepaald.

bk-nm-11177-267

Jongen met hoepel, zilver, 3,6 x 5,9 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-267, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Willem Freen (1826-1898) dreef volgens de adresboeken tussen 1857 en 1879 een atelier aan de Voorstraat in Dordrecht, en kon volgens de bestelling van Citroen zowel complexe als eenvoudige voorbeelden leveren. Citroen bestelde technisch geavanceerde voorwerpen als een tentkoets en een koets met vierspan, helemaal uit zilverdraad opgebouwd. De elf andere voorbeelden bestonden uit combinaties van gegoten elementen en plaat. Een sleepkoets met vier paarden en een jongen zal het grootste zijn geweest, gevolgd door verschillende koetsen en sleden en tot slot een serie figuren die een beroep verbeeldden, zoals een scharenslijper, een koopman en een kelderjongen. Met de laatste zal een cafébediende zijn bedoeld die vaten uit de kelder haalde.

bk-nm-11177-268

Jongen met vlieger, zilver, 3,6 x 4,6 x 2,5 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-268, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Het Rijksmuseum bezit maar liefst negen miniaturen van Freen, allemaal van dezelfde soort als degenen die hij in 1860 aan Citroen leverde. Als je ze nauwkeurig bekijkt, zie je dat de onderdelen onderling uitwisselbaar zijn, en dat Freen dus kennelijk op een eenvoudige manier in staat was om verschillende varianten te maken. Door een ander grondje te gebruiken en andere attributen toe te voegen ontstonden voorstellingen in serie. De meeste zijn direct op achttiende-eeuwse voorbeelden gebaseerd.

Het contract tussen Citroen en Freen laat zien dat ook belangrijke Amsterdamse winkeliers in de negentiende eeuw dit type voorwerpen niet noodzakelijk in de eigen stad lieten maken, maar daarvoor specialisten in andere steden inschakelden. Daarnaast toont de bron aan dat miniaturen ook in de negentiende eeuw bijzonder waren, en dat verscheidenheid in dit opzicht belangrijker was dan kwantiteit. De belangrijkste toevoeging voor mij is de beschrijving van verschillende soorten koetsen in zilverdraad, omdat nu gewoonlijk wordt aangenomen dat dat type wel werd verkocht maar vooral uit Azië of Duitsland zou zijn geïmporteerd. Zouden er nog ergens volledig gemerkte, en dus aantoonbaar Nederlandse exemplaren uit het midden van de negentiende eeuw bewaard gebleven zijn?

bk-nm-11177-271

Vogelvanger, zilver, 4,9 x 5,7 × 2,2 cm, Dordrecht, 1856-1858, door Willem Freen, Rijksmuseum, inv. BK-NM-11177-271, legaat van mevrouw C.W.J. Taudin Chabot-Provo Kluit, Den Haag, 1898.

Op zoek naar diamantjuwelen

Opnamedatum: 2012-05-30

Bloemranken, diamant gezet in zilver en goud, Amsterdam?, ca 1850

De tentoonstelling “Amsterdamsche kerkschatten”, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog in Museum Amstelkring werd geopend, werd in de pers uitgebreid besproken. Vooral positief waren de kranten over het feit dat de getoonde monstransen speciaal voor de gelegenheid waren ‘uitgekleed’; ontdaan van de vrachten juwelen en sieraden die daar in het verleden aan waren toegevoegd. De overweging was een esthetische: zonder de “juweelen, halskettingen, broches, snoeren van paarlen en al die dergelijke fraaijigheden, die door welgestelde katholieken in de loop van de tijd voor den monstrans geschonken werden, meer uit goede bedoelingen dan met goede smaak”, kwamen vormen en verhoudingen beter tot hun recht.

Opnamedatum: 2012-05-30

Monstrans, goud, verguld zilver, glas en diamant,  69 x 32,5 cm, Antwerpen?, ca. 1675-1700, Rijksmuseum, inv. BK-1968-31

Ook de monstrans uit de Amsterdamse huiskerk ‘het stadhuis van Hoorn’ onderging die behandeling, en werd van haar sieradenkleed beroofd. Het waarschijnlijk in het Antwerpse atelier van Jan Moermans (1625-1703) of diens opvolger Philippus II Moermans (1660-1721) gemaakte stuk, was in 1752 door de dominicaan Jacobus Janssens aan de kerk geschonken. Deze pater was vanaf 1733 tot aan zijn dood in januari 1766 in de statie actief, en stak veel energie in de verfraaiing en modernisering van zijn kerk. De aanschaf van een hoogtepunt van de Antwerpse edelsmeedkunst past in dat patroon. Omdat het ontwerp voornamelijk uit sculpturale elementen bestaat, en ornament dus een terughoudende rol speelt, kon het oude pronkstuk eenvoudig in een moderne omgeving worden ingepast. De los gegroepeerde, in zilver en goud gevatte diamanten bloemranken zijn later toegevoegd, en waarschijnlijk in het midden van de negentiende eeuw speciaal voor deze monstrans gemaakt.

monstrans-chaam-2

Diamanten sieraden, voor 1908 toegevoegd aan een monstrans voor de H. Anthonius van Padua te Chaam (Noord-Brabant), foto RCE, Zeist, 1908

Als je deze monstrans vergelijkt met het door oorlogsgeweld in 1944 verloren gegane exemplaar uit Chaam, is pas goed te zien wat een verschil een juwelenharnas maakt. Rondom het midden zijn verschillende diamanten colliers en armbanden gedrapeerd, en ook de peervormige oorhangers zijn duidelijk herkenbaar. Omdat voor zover ik weet in 1940 zelfs geen foto’s zijn gemaakt van de Amsterdamse monstransen met hun juwelenkleed, is toen een belangrijke bron voor juwelenhistorici verloren gegaan. Dankzij de groepen juwelen en sieraden die in het verleden aan Spaanse en Portugese kloosters en kerken zijn geschonken, kan daar een afgewogen beeld van de ontwikkeling van het juweel worden geschetst. In Nederland blijft het in eerste instantie bij incidenten.

bk-1967-2-2

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver, 4,6 x 3 cm, Nederland, 1785-1800, Rijksmuseum inv. BK-1967-2.

Een diamanten hanger in de vorm van een gekroond hart, door mevrouw Goslin geschonken aan de zilveren monstrans van de Willibrordus in Den Haag, is zo’n uitzondering. In de negentiende eeuw speelden juwelen van dit type in de Zuidelijke Nederlanden en in het Pays-de-Calais een belangrijke rol in de volksdevotie; gekroonde harten werden op 15 augustus, Maria ten Hemelopneming, door kinderen aan hun moeder geschonken.

vlaams-hart-diva

Vlaams Hart, diamanten gezet in zilver op goud, 6 cm, Mechelen, 1832-1869, J.R.L. de Backer & D.J. Suerinckx, Antwerpen, DIVA (Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant), inv. S75/181

 

Getuige de talloze bewaard gebleven exemplaren, moet het gebruik in het midden van de negentiende eeuw breed gedragen zijn, al zijn ze op portretten zelden afgebeeld. Het exemplaar uit de Haagse Willibrordus moet op een ander moment en voor een andere draagster zijn gemaakt. In vergelijk tot de streeksieraden van dit type is de compositie veel compacter, en omdat de diamanten ook veel groter en veel helderder zijn, moet dit in vergelijk een uiterst kostbaar juweel zijn geweest.

Het verhaal kent nog vele open vragen, omdat belangrijke bouwstenen nu nog ontbreken. Kennen jullie misschien foto’s van de Amsterdamse monstransen, bedolven onder hun juwelenkleed? Is er meer bekend over de monstransen van de Willibrordus in Den Haag?  Of weten jullie misschien wie mevrouw Goslin was? Ik hou me aanbevolen!

Eén koekje bij de thee

 

bk-kog-2604-b-1

Een trommel voor oublies, zilver, Amsterdam 1788, door Johannis Logerath, 8,6 ×  15,2 × 10,9 cm, Rijksmuseum, BK-KOG-2604, in bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

Als je afgaat op de verhalen die over Nederlanders de ronde doen, zou je kunnen denken dat ze toonbeelden zijn van burgerdeugd. Een voorbeeld is het verhaal van het ene koekje bij de thee:  Nederlanders serveren één Mariakaakje bij het eerste kopje en doen vervolgens de trommel dicht. Waarschijnlijk om te onderstrepen dat Hollanders uitmuntten in soberheid en spaarzaamheid, kom je dit verhaal vanaf de achttiende eeuw overal tegen. Drees maakte daar dankbaar gebruik van. Toen drie jaar na de Tweede Wereldoorlog de minister-president de vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering thuis ontving in zijn Haagse rijtjeshuis en met één koekje bij de thee volstond, werd Nederland direct toegelaten tot het Marshallplan.

Als je nu naar Heel Holland Bakt en Smaakt Naar Meer bij omroep Max kijkt, lijkt er veel te zijn veranderd. Dat het waarschijnlijk vroeger ook niet altijd zo recht-gestreken was, blijkt onder andere uit de boeken van Jacques Alexandre de Chalmot (Leeuwarden 1734- Kampen 1801), die in 1768 een Nederlandse vertaling van een Franse encyclopedie bezorgde. Onder het lemma Gebak voegde hij een hele reeks koekjes en taarten toe. Meestal met recept: ‘Neemt een pond tarwemeel en een half pond fijne suiker, vier lepels vol gesmolten boter, een eierdooier en twee lepels vol rozenwater, beslaat dit met water tot een niet al te dik beslag, en laat het in een oublie-ijzer bakken. Is in een ogenblik goed’.

oubliesDe opgerolde dunne koekjes moeten in de achttiende eeuw heel populair zijn geweest. Zo werden voor deze koekjes speciale zilveren trommels gemaakt. Tot diep in de negentiende eeuw werden deze in paren gemaakt en verkocht, rechthoekige op de maat van gestapelde oublies, ronde voor enkel gebakken beschuit.

De verschillende Amsterdamse en Haagse paren in het Rijksmuseum laten zien hoe zilversmeden reageerden op precies omschreven opgaven. De strak geometrische vormen zijn een vast gegeven, maar de uitwerking is telkens net iets anders. In die eindeloze variaties uit zich in de perioden van het Neoclassicisme en het Empire de creativiteit van de zilversmid.

bk-14423-2

Detail van een paar trommels, zilver, Amsterdam, 1791, door Diederik Willem Rethmeyer 7,6 × 13,5 cm en 7,6 × 10,7 × 7,6cm, Rijksmuseum, BK-14423 en BK-14422, legaat van de erven P.C.E. von Hemert-van der Meulen, 1930

bk-14593-b-2

Detail van een paar trommels, zilver, Den Haag 1803, door Francois Marcus Simons, 7,6 × 12,7 cm en 7,6 × 9,9 × 14,6 cm, Rijksmuseum, BK-14593, legaat van de heer W.S. Burger, Antwerpen, 1933

Opnamedatum: 2012-06-12

Detail van een paar trommels, zilver, Amsterdam 1820, firma Willem Diemont, uitgevoerd door Egidius Adelaar, 7,8 x 12,3 cm, en 7,9 × 14,2 × 9,9cm, Rijksmuseum, BK-1978-132, geschenk van de heer en mevrouw Jaffé-Pierson, Huizen, 1978.

Zelf bakken is al jaren weer terug van weggeweest, en als je bezoek en familie wilt verrassen met deze koekjes kun je op de website van Heel Holland Bakt precies zien hoe je deze Hollandse klassiekers kunt maken. Zilveren trommels en ander gebakzilver komen vast ook weer terug. Want eigen baksels verdienen per slot van rekening zilver.

bk-kog-2604-a-1

Een trommel voor beschuit, zilver, Amsterdam 1788, door Johannis Logerath, 8,6 × 13 × 13,3 cm, Rijksmuseum, BK-KOG-2604, in bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.