Suikerstrooiers

In verschillende opzichten vormde de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, onder andere omdat de elite hier veel groter was dan elders. Boedelinventarissen geven bijvoorbeeld aan dat al in het begin van de achttiende eeuw thee door ruim de helft van alle Nederlanders gedronken werd, en het gebruik hiervan dus niet tot een kleine groep beperkt bleef. Datzelfde geldt voor suiker, een andere relatief kostbare smaakstof die in Nederland op veel meer tafels dan elders verscheen.

BK-NM-2751

Strooilepel, zilver, 16,2 × 4,6 × d 4,9 cm, Leiden, 1786?, ongeïdentificeerd meesterteken, BK-NM-2751

Voor Nederlandse zilversmeden betekende dat dat er een veel grotere markt was voor hun waren dan elders. Dat zilveren strooilepels – met gaatjes doorboorde lepels die werden gebruikt om klein gestampte kandijsuiker gelijkmatig over de toen bij het dessert gebruikelijke gerechten te verdelen – relatief gewoon moeten zijn geweest, is uit allerlei gegevens af te leiden. Als in de jaren 1740 door de verschillende gilden in Haarlem wordt gesproken over het merken van kleine keur zilver – de goedkoopste categorie – worden suikerlepels specifiek genoemd als de grootste typen die bij uitzondering in dit lagere gehalte mochten worden uitgevoerd. Kennelijk was het type dus heel gewoon, en de markt groot.

BK-NM-2461

Strooilepel, tin, 15 x 6 x 3,5 cm, Nederlanden, 18de eeuw, Rijksmuseum, BK-NM-2461.

De vorm en de versiering van dit Leidse exemplaar laat zien dat een brede markt ook in andere opzichten andere eisen stelde. In plaats van de toen gebruikelijke vormentaal van het neoclassicisme toont de lepel heel andere esthetische voorkeuren. De steel met het vogeltje is een traditioneel element dat sinds de zeventiende eeuw in het Nederlandse zilver aanwijsbaar is, de vorm en de versiering van de bak sluiten aan bij het Frans georiënteerde barok dat in de jaren 1740 toonaangevend was. Heel grappig is het morenhoofdje op de onderkant van de steel; dit element verwijst naar de herkomst van de suiker uit exotische werelddelen. Dezelfde wat hybride vormentaal kom je ook tegen bij andere voorwerpen voor een breed publiek. Vergelijk hem maar eens met een tinnen strooilepel, door het materiaal een veel goedkoper alternatief.

BK-1973-181

Strooilepel, zilver, 17,0 × 6,1 cm, Oss, 1848, door Johannes Lambertus Kroymans, Rijksmuseum, inv. BK-1973-181

In de negentiende eeuw lijken nieuwe ideeën zich in een veel sneller tempo te hebben verbreid, en juist in voorwerpen voor een brede markt zijn de nieuwe verhoudingen snel zichtbaar. Eén van mijn favorieten is het neogotische exemplaar dat in 1848 door Johannes Lambertus Kroijmans (Den Bosch 1808 – Schijndel 1881) werd gemaakt in het Brabantse Oss. Het voorwerp is één van de vroegste Nederlandse voorbeelden van het historisme in zilver, en bovendien één van de weinige wereldlijke voorwerpen waarvoor de gotiek als inspiratiebron werd gebruikt. Zeker als je bedenkt dat voor 1800 Oss een centrum was waar slechts enkele edelsmeden met moeite het hoofd boven water konden houden, en dus nieuwe ideeën maar langzaam ingang vonden, zegt het feit alleen al dat dit voorwerp daar kon ontstaan, veel over de hernieuwde vitaliteit van Brabant in de negentiende eeuw.

Voor mij als Hollander is niet eenvoudig invoelbaar waarom een Brabantse museumdirecteur nu de behoefte heeft om het belang van zijn museum te onderstrepen door een beroep te doen op beroemde kunstenaars die in die regio geboren zijn. Waarom zou je willen bewijzen dat Brabant er toe doet door dezelfde retoriek te gebruiken als Randstedelijke musea, zeker als de kunstenaars waarnaar wordt verwezen elders werkten en dus ook in andere musea in Nederland en daarbuiten veel beter zijn vertegenwoordigd? Wie het provincialisme achter zich wil laten, moet vertrouwen op de kracht van het eigen verhaal, en dan heb je alle getuigen van het verleden hard nodig. Ook suikerstrooiers…

Advertenties

Een moment van hoop

Hanau doos in foedraal

Snuifdoos met gezichten op de Oude en de Nieuwe Beurs in Amsterdam, goud, 1.2 x 7.5 x 4.8 cm, Hanau, ca. 1845, Rijksmuseum Amsterdam, geschenk van de heren G. en W. Heijbroek, 2016, inv.nr. BK-2016-16.

Je zou het Nederlandse verhaal van het midden van de negentiende eeuw kunnen schetsen in de donkere en grauwe tinten van een decemberdag. Met andere woorden, je zou je kunnen laten leiden door de schoonheid van het verval, zoals wij die wij nu herkennen in de Britse en Amerikaanse industriesteden; verlaten terreinen en vervallen gebouwen getuigen van een volkomen vergane grandeur, en zijn plaatsen geworden waar alleen de kansarmen achtergebleven zijn. Dat gevoel van malaise tekent op allerlei manieren het Nederlandse beeld van de negentiende eeuw; het bepaalt de eigen verhouding tot de Gouden Eeuw, de verhouding tot het buitenland, en de verhoudingen tussen de steden onderling: jaloers keek de Amsterdammer bijvoorbeeld naar het jongere broertje Rotterdam, waar de grachten nog geen modderige stinksloten waren, en de Beurs nog niet tot een ruïne vervallen was.

RP-P-1905-441

Oude Beurs, gezien vanaf het Rokin, Jacob Folkema naar Jan de Beijer, ca. 1767, (RMA, RP-P-1905-441).

20161124_143725 (2)

De Oude Beurs gezien vanaf het Rokin op de doos,

Maar ik denk ook dat – net als nu – het verval relatief was. Ondanks alle schreeuwerij van moderne populisten, behoort Nederland nog steeds tot de grootste economieën ter wereld, en de basis daarvoor werd in de negentiende eeuw gelegd. Alle energie was toen gericht op herstel en wederopbouw. Waar de afbraak van de zeventiende-eeuwse Beurs van Hendrik de Keyser in 1835 het dieptepunt van het verval voor Amsterdam markeerde, was de opening van de nieuwe Beurs van Zocher in 1845 een teken van nieuwe hoop. Amsterdam had het keerpunt bereikt, en al zou de stad nooit meer de allesoverheersende positie bereiken die zij in de zeventiende eeuw had ingenomen, het ergste was voorbij.

ddd_010972653_mpeg21_p001_image

Het Nieuwe Beursgebouw te Amsterdam (Algemeen Handelsblad, 8-9-1845)

 

snuifdoos RMA boven (2)

Gezicht op de Nieuwe Beurs, met gefantaseerd beeld van Amsterdam, ca. 1845.

Eén van de voorwerpen die daarvan getuigen is een recent aan het Rijksmuseum geschonken gouden snuifdoos met topografische voorstellingen. Op de onderkant is het verleden weergegeven, de oude Beurs van Hendrik de Keyser gezien vanaf het Rokin. Op de belangrijkste plek, het deksel, staat de toekomst, de nieuwe Beurs die in september 1845 werd geopend. Dat er een direct verband was, valt af te leiden uit de beschrijving van de openingsceremonie van de Beurs in de Nederlandse kranten. De burgemeester van Amsterdam, Adriaan van der Hoop, schonk aan de architect van het beursgebouw een uiterst fraai gegraveerde gouden snuifdoos, waarop het nieuwe beursgebouw was afgebeeld.

De doos in het Rijksmuseum maakt onderdeel uit van een serie met dezelfde voorstellingen, en is niet alleen belangrijk omdat zij een voor Amsterdam belangrijk moment memoreert. Zij biedt ook inzicht in de nieuwe Nederlandse markt voor gouden snuifdozen en andere soorten grote bijouterie in de negentiende eeuw. Dat aspect heb ik uitgewerkt in een artikel, Een gouden doos uit Hanau voor de Nederlandse markt, dat net in het Jaarboek van de Stavelij verschenen is. Bestellen kan hier

Een monument voor de liefdadigheid

De afgelopen dagen regent het in Nederland onafgebroken, en draaien de waterschappen overuren. Nu zijn Nederlanders beroemd vanwege de manier waarop de waterbeheer is georganiseerd, en omdat het al lang geleden is dat de dijken het op grote schaal begaven, zou je bijna vergeten dat het drama van het wassende water ook in Nederland lang een harde werkelijkheid was. Vanaf het midden van de zestiende eeuw werden penningen ingezet om de herinnering aan deze weerkerende rampen levend te houden. Zo op het eerste gezicht is deze penning, die de watersnood van 4 en 5 februari 1825 tot onderwerp heeft, dus niets bijzonders.

 

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, voorzijde, Adriaan Bemme naar een tekening van George Frederik Sartorius, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Uitzonderlijk zijn het grote formaat en de voorstelling. We zien het water over de dijk stromen en de polders vullen. In het verdronken land proberen vluchtelingen zichzelf en hun vee te redden, en een Waterlands echtpaar dat op het dak van hun huis is gestrand, wordt door een dappere roeier in veiligheid gebracht. Hoewel de modern topografische situatie is weergegeven, grijpt de manier waarop de scène is verbeeld terug op een Nederlandse zeventiende-eeuwse traditie. Net als in de plaquette-penningen van Johannes Lutma jr., worden ook hier schilderkunstige effecten nagestreefd.

 

NG-VG-1-886

Aanleg van de trekvaart van Dokkum naar Groningen, zilver, diameter 9,2 cm, Dokkum 1656, voorzijde, Paulus Saackes naar model van Johannes Lutma jr, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, NG-VG-1-886

 
Wie deze zijde van de penning heeft gemaakt, toont het omschrift: “Heeft Bemme Neerlands nood door drijfkonst hier verbeeld”. Daarmee werd gedoeld op de toen 71-jarige Rotterdamse goud en zilverdrijver Adriaan Bemme Jansz (Delft 1753 – Rotterdam 1831), die in datzelfde jaar in Haarlem verschillende proeven van zijn kunst toonde. De genoemde onderwerpen geven aan dat hij zich op de zeventiende-eeuwse Hollandse genreschilderkunst baseerde, in dat geval de herberginterieurs van Adriaen van Ostade (1610-1685). De andere kant werd gemaakt door zijn zoon, de penningsnijder Anthonie Bemme Azn (Rotterdam 5-12-1779 – Rotterdam 15-5-1836): “zijn zoon grift hier met staal wat deze rampspoed heelt”. Het samenwerkingsverband tussen vader en zoon werd mogelijk gemaakt door een penningkundige en verzamelaar, de Amsterdamse koopman Hendrik Westerhoff (Amsterdam 1774-1848). In zijn In Memoriam werd aangegeven dat hij voor nieuwe penningen als schakel functioneerde, en hij zal dan ook de Amsterdamse apotheker George Frederik Sartorius (Amsterdam 1799-1851) hebben gevraagd om een tekening te leveren.

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, keerzijde, Anthonie Bemme Azn (keerzijde), Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Als kunstwerk is het stuk interessant omdat het laat zien dat in de vroege negentiende eeuw de penningkunst van de Gouden eeuw werd gewaardeerd en tot uitgangspunt werd genomen voor nieuwe scheppingen. Die trend is ook bekend uit de Nederlandse schilder en tekenkunst, maar de penning is één van de zeldzame voorbeelden daarvan in zilver. Dat hij ook in de tijd zelf als iets bijzonders werd gewaardeerd, blijkt uit het feit dat hij is opgenomen in de klassieke kunstenaarshandboeken van Immerzeel en Kramm, en we kennen zelfs zijn portret in prent.

 

RP-P-1940-450-00

Portret van Adriaan Bemme, ets, 158 x 115 mm, Rotterdam, ca. 1790, Rijksmuseum, RP-P-1940-450

 

Maar daarmee houdt het verhaal niet op. De penning is ook een uitzondering omdat deze niet alleen één van de grootste en meest verwoestende rampen in Nederland memoreerde, maar ook en vooral omdat deze particuliere initiatieven in het zonnetje zette. De in 1824 opgerichte Noord en Zuid Hollandse Redding Maatschappij en het in 1822 gestichte College Zeemanshoop hadden een grote rol, kapiteins voeren uit om de slachtoffers te redden, de instituten regelden de opvang van de vluchtelingen en ook de verspreiding van hulpgoederen in het getroffen gebied. De penning memoreert dus in eerste instantie de liefdadigheid, en er zijn dan ook maar drie exemplaren gemaakt, twee voor instituten en één voor de initiatiefnemer Westhoff. nu in de collectie van het Rijksmuseum.

In 1825 werd een recordbedrag van 13 miljoen gulden ingezameld voor de wederopbouw van de geteisterde delen van Nederland. Zouden we dat nog steeds kunnen, en helpen we nu het Rode Kruis helpen in het Caraïbisch gebied en Bangladesh?

Juwelen centraal

Eén van de aspecten van de verzamelingen van het Rijksmuseum is dat de aandacht zich concentreert op de kunstwerken zelf, en veel minder op het maakproces. Het gevolg daarvan is dat je in de presentaties niet kunt zien hoe de voorwerpen werden gemaakt, en evenmin welke gereedschappen daarvoor nodig waren. In kunstnijverheid gespecialiseerde musea als DIVA in Antwerpen en het Zilvermuseum in Schoonhoven verzamelen wel getuigen van het maakproces, en kunnen dat dus veel beter.
Voordat voorwerpen in productie werden genomen, werden net als voor schilderijen voorstudies en tekeningen gemaakt, en voor heel bijzondere driedimensionale modellen. Dankzij het Decorative Art Fund konden vanaf 2013 tekeningen worden aangekocht, met als idee dat daarmee het creatief proces in beeld kon worden gebracht. Ontwerpen voor juwelen en sieraden zijn op dit moment op verschillende plekken in het museum te zien, telkens gecombineerd met enkele juwelen en sieraden. Het is een voorproefje op het juwelensymposium dat door de samensteller, junior conservator Suzanne van Leeuwen, in november wordt georganiseerd.

RP-T-2014-19

Ontwerp voor een plaque voor een collier de chien, 280 × 221 mm, Parijs, ca. 1901-1903, Rijksmuseum, toegeschreven aan René Lalique, Aankoop met steun van Chris van Otterloo en het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-19

 

 

Nu tekeningen, prenten en juwelen met elkaar worden gecombineerd, wordt duidelijk dat je vragen moet stellen bij de precieze functie van deze kunstwerken op papier. Het meeste weten we over de negentiende eeuw, toen de hervormers in de kunstnijverheid op het standpunt stonden dat aan ieder voorwerp een getekend ontwerp ten grondslag moest liggen. Eerste ideeën werden in schetsen verkend, conclusies uitgewerkt in presentatietekeningen, en vervolgens omgewerkt tot technische tekeningen om het stuk ook te kunnen maken. De laatste -een soort bouwtekening- is onmisbaar bij voorwerpen uit kostbare materialen omdat verschillende specialisten bij de realisatie daarvan betrokken waren. De tekening diende als ijkpunt en communicatiemiddel.
Een voorbeeld daarvan is een tekening van René Lalique, waarschijnlijk een plaque voor een collier de chien op ware grootte. Vergelijking van dit object met nog bekende gerealiseerde varianten laat zien dat het ontwerp door verschillende specialisten werd uitgevoerd. Het raamwerk en het lijnenspel waaruit de abstracte, aan bladeren herinnerende motieven zijn samengesteld, werden door de edelsmid uitgevoerd in metaal. De kleuren door de emailleurs vertaald in een combinatie van doorschijnend en ondoorschijnend glas. De bessen van de maretakken werden tot slot verbeeld door parels, die door de juweliers werden toegevoegd.

 

1900.449-1

Collier de chien, parels, goud en email, het middenstuk ontworpen en gesigneerd door René Lalique, Hamburg, Museum für Kunst und Gewerbe, verworven op de wereldtentoonstelling in Parijs in 1900.

 

Dat in een atelier ook hele andere opdrachten werden vergeven, en het creatief proces dus ook veel minder lineair verliep, blijkt uit enkele schetsbladen van de Franse ontwerper Henri Cameré (1830-1894). In het derde kwart van de negentiende eeuw werkte hij onder andere voor het juwelen- en zilverhuis Froment-Meurice in Parijs. Een blad dat op het eerste oog verschillende voorwerpen laat zien die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, blijkt – als je de teksten leest – een voorstudie voor een serie hoedenspelden. De bollen geven de vorm van de knop weer, de ronde tekeningetjes details van hetzelfde object in verschillende variaties. De teksten verwijzen naar een serie modellen voor knopen, waaruit volgt dat niet alle varianten in de tekening waren uitgewerkt. Kennelijk ging het in dit geval dus ook niet zozeer om een eigen idee van Cameré, maar om een omwerking van een door een ander ontwikkelde serie. Het juweliershuis had een reeks hoedenspelden voor ogen die naadloos aansloot bij de knopen die ze al verkochten, en had Cameré de opdracht gegeven om te bedenken hoe dat kon worden gerealiseerd.

 

Opnamedatum 2016-01-19

Schetsblad met ontwerpen voor een reeks hoedenspelden, 156 x 119 cm, Parijs, gesigneerd door Henri Cameré, ca. 1880-1890, Aankoop met steun van het Decorative Art Fund/Rijksmuseum Fonds, inv. RP-T-2014-18-27.

 

 

Sound the trumpet!

NG-NM-561

Natuurtrompet, zilver en passement in zijde en zilverdraad, 63,8 x 11,5 cm diam, London, 1-12-1813/30-3-1814, William Troby in opdracht van William Sandbach, in 1814 geschonken aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden door de lijfwacht te paard van Koning Willem I, Rijksmuseum, inv. NG-NM-561.

De afgelopen weken heeft het Rijksmuseum veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de muziek, die op een bijzondere manier door de bestaande opstelling verweven is. Vroeger speelde ik trompet, en het zal dan ook niemand verbazen dat ik een warm plekje heb voor de zilveren natuurtrompet waarvan de triomfantelijke klanken door de Waterloo zaal klinken.

Zilveren trompetten klinken niet anders dan dezelfde modellen in koper, en werden dus voor een speciaal doel in dat veel kostbaarder materiaal uitgevoerd. Dit exemplaar is een geschenk van Koningin Wilhelmina van Pruissen aan de lijfwacht te paard van Koning Willem I. Bij de ceremoniële intocht ter gelegenheid van de inhuldiging op 30 maart 1814 in Amsterdam omringde de lijfwacht de koets van de koningin.

RP-P-OB-87.095

Intocht van prins Willem Frederik te Amsterdam, 1813, ets, h 151mm × b 196mm, Rijksmuseum inv. RP-P-OB-87.095.

De lijfwacht te paard bestond uit vrijwilligers onder leiding van Jean Charles graaf van Bylandt (1776-1841). Na de aankomst van de prins op 30 november 1813 in Nederland werd daar nog steeds actief oorlog met de Fransen gevoerd, en de lijfwacht te paard zorgde voor de fysieke veiligheid van de koning zolang dat nodig was. In de zomer van 1814 werd het korps ontbonden. In overleg met de Koning werd vervolgens besloten om het ereteken onder te brengen in één van de voorlopers van het Rijksmuseum, het net opgerichte Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden in Den Haag. Als getuigenis van hun dapperheid en trouw, werden de reden van het geschenk en hun namen voluit op de beker van het instrument gegraveerd.

NG-NM-561 (4)

Volgens de krantenberichten had de koningin het stuk speciaal voor de gelegenheid in Engeland laten maken. Anders dan soms wel wordt gedacht, is de maker van het stuk niet de Londense instrumentmaker William Sandbach.  Waarschijnlijk is het instrument bij hem gekocht, en speelde hij in dit geval de rol van bemiddelaar. De opdracht is tussen 1 december 1813 en 30 maart 1814 uitgevoerd door de Londense zilversmid William Troby, die zich in 1812 net had laten inschrijven bij de Goldsmithshall. Het door Sandbach beschikbaar gestelde model in koper, is door Troby in zilver vertaald. Als bewijs dat het instrument aan materiaal minimaal 925/1000 zilver bevatte, en dat de in Engeland daartoe verschuldigde belasting was betaald, zijn alle onderdelen afzonderlijk door de Goldsmithshall gemerkt. Waarschijnlijk heeft de zilversmid ook de gedreven versiering van de mondrand bedacht en uitgevoerd.

Als één van de eerste aanwinsten van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in zilver, geeft het stuk een bijzonder inzicht in de signatuur van de verzameling die men in het begin van de negentiende eeuw voor ogen had. Bijzondere eigentijdse eretekenen werden ingezet als illustratie van de recente geschiedenis. Omdat het stuk al zo vroeg in de collectie is opgenomen, en dus maar enkele maanden is gebruikt, zijn zowel het instrument als het zilverpassement en de kwasten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Hoe zo’n pronkstuk klinkt kun je nu voor het eerst sinds 1814 weer horen:  Sound the Trumpet!

20170531_130559

Een ideaal museum

RMA-SSA-F-00313-1

Westelijke binnenplaats voor de verbouwing, daglichtcollodiumzilverdruk, 11 x 8 cm, 1927, door A.S. Schmidt Degener, RMA-SSA-F-00313-2

Net als alle andere musea kan ook het Rijksmuseum lang niet alles tonen wat ze heeft. Wat je toont en wanneer hangt af van het verhaal dat je aan het publiek wilt vertellen, en natuurlijk van de hoeveelheid ruimte die je voor dat verhaal beschikbaar hebt. Sommige thema’s komen zelden aan bod, maar dat betekent niet dat de voorwerpen oninteressant en dus overbodig zijn. Zo bezat het museum ooit een omvangrijke verzameling driedimensionale reproducties van kunstvoorwerpen in gips en metaal, waarvan nu nog maar een heel klein deel bewaard gebleven is. Van de ruim 1600 voorwerpen die in 1915 in een catalogus zijn beschreven – en waarvan een deel hier op de foto te zien is – bleven alleen de ruim 70 reproducties in metaal bewaard. De rest is letterlijk weggegooid, omdat ze in de twintigste eeuw als waardeloze kopieën werden beschouwd.

BK-NM-5298

Galvanoplastische reproductie van een deel van de Popta-schat, verzilverd koper, 1881, Firma Elkington & Co, Birmingham, Rijksmuseum, inv.nrs. BK-NM-5298 – BK-NM-5305.

Daarmee verdween ook een belangrijk deel van de geschiedenis van het Rijksmuseum. Beter dan foto’s of tekeningen geven driedimensionale reproducties een idee van maat, vorm en uitwerking, en ze werden dan ook in eerste instantie benut als een driedimensionaal beeldarchief van voorwerpen die onbereikbaar waren voor het Rijksmuseum omdat ze te kostbaar waren of inmiddels verloren waren gegaan. Daarnaast werden reproducties gebruikt als model in het tekenonderwijs van de verschillende onderwijsinstellingen die in de gebouwen van het Rijksmuseum waren gevestigd, de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Grote buitenlandse musea hebben deze deelverzamelingen al lang geleden nieuw leven in geblazen. Zo zijn de galvanoplastische reproducties van het Victoria & Albert Museum in Londen sinds 1995 opgenomen in de Silver Galleries, als pregnante voorbeelden van de nieuwe technische mogelijkheden die in de negentiende eeuw beschikbaar waren. Het Metropolitan Museum in New York stelde in 2011 hun verzameling reproducties centraal om te laten zien hoe onze waardering is veranderd. Als je kijkt naar de keuzes die in de negentiende eeuw werden gemaakt, blijkt immers precies wat toen belangrijk werd gevonden, of met andere woorden, wat toen de canon was.

Jamnitzer-cup

Akeleibokaal, zilver, h 69 cm, Neurenberg, ca. 1550-1575, het ontwerp toegeschreven aan Wenzel Jamnitzer, Victoria & Albert Museum, London, inv. M-150-1872.

Hoewel nog heel veel onderzoek nodig is, is nu al duidelijk dat de hoogtepunten van de edelsmeedkunst van mijn voorgangers in het Rijksmuseum voor een deel ook de onze zijn; de Poptaschat in het Fries Museum is nog steeds één van de belangrijkste ensembles van het Nederlandse zilver en het is dus direct te begrijpen waarom de moeite werd genomen om daarvan een kopie voor de verzameling in Amsterdam te laten maken. Verrassender is dat men toen ook al het Nederlandse zilver plaatste in een internationaal kader, en dus ook kopieën bestelde van verschillende hoogtepunten van de Europese edelsmeedkunst. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de door Wenzel Jamnitzer ontworpen meesterproef van het Neurenbergse goudsmedengilde. Voor het Rijksmuseum waren de originelen toen zeker onbereikbaar omdat de fondsen ontbraken om zulke grote aankopen te kunnen doen. Met kopieën kon een voorschot daarop worden genomen, en een ideaal museum worden samengesteld. Honderddertig jaar later kan worden vastgesteld dat de dromen uit 1881 inmiddels grotendeels zijn gerealiseerd, maar dat er ook nog heel veel te wensen overblijft.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2