Ode aan de parelaar

BK-1977-41

Theebus, zilver, 9,8 × 13,1 × 8,5 cm, Amsterdam 1797, door Pieter van Reidt, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1977-411, Legaat van mevrouw V.R. van Poelgeest-Spatkowa, Amsterdam.

Een zilveren voorwerp is bijna altijd een Gesamtkunstwerk, en dus het resultaat van een samenwerkingsverband. Soms weten we dat omdat er contracten of gedetailleerde rekeningen bewaard gebleven zijn, voor aspecten als het tekenen van ontwerpen en het modelleren van onderdelen. Minder vaak krijgen we inzicht in het maakproces. Soms blijkt het voorwerp dan door de handen van een hele reeks specialisten te gaan; voor gehamerde onderdelen, gegoten sculpturen, gegraveerde en gedreven voorstellingen maar ook voor randversieringen kon een hele rij meestal anoniem gebleven virtuozen worden ingeschakeld.

BK-1957-4-B (2)

Wanneer en waar een beroep op hen werd gedaan, hing natuurlijk af van de opdracht. Toen in het derde kwart van de achttiende eeuw het klassiek architectonische kader opnieuw toonaangevend geworden was, lag de nadruk meer op maat en maatvoering, en bestond het ornament uit meestal repeterende motieven. Of de versiering nu heel overdadig was, of tot een minimum beperkt, er was bijna altijd wel ruimte voor de parelrand, een reeks bolletjes waarmee de vorm wordt geleed en afgerond.

BK-1977-41 (2)

De vorm en de uitwerking van bijvoorbeeld de theebus van Van Reydt zijn de creatie van de zilversmid zelf, maar voor specifieke aspecten konden specialisten worden ingeschakeld. Een hele precieze, repeterende en dus ongetwijfeld ook heel vervelende klus was het perfectioneren van de bolletjes, zodat ze allemaal even groot en rond werden. Daarvoor werden metalen ponsen of stiften gebruikt waarvan het uiteinde de vorm van een halve bol heeft. Het Amsterdam Museum heeft een hele serie van die ponsen, van verschillend formaat.

wwwopac (2)

Vijf parelponsen, ijzer, ca. 1800, Amsterdam Museum inv.nr. 1156.1/5.

In Amsterdam, waar op dat moment één van de grootste Europese concentraties goud en zilversmeden woonde en werkte, was deze productie al in 1767 al zo omvangrijk dat er ruimte was voor een gespecialiseerde parelaar, die niets anders deed dan ‘Craalengoed’ maken, voor komforen en manden in soorten en maten, maar ook voor olie- en azijnhouders ‘en meer andere soorten’. Over de resultaten van zijn werk kijk je letterlijk makkelijk heen. Pas als je je in de verschillende soorten parelranden verdiept, verschijnt een eindeloze variatie en dus een indruk van zijn virtuositeit.

BK-1957-4-B

Kandelaar, zilver, 19 × diameter 9.9 cm, Amsterdam 1785, door Johannes Schiotling, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1957-4-B.

Advertenties

Eén koekje bij de thee

 

bk-kog-2604-b-1

Een trommel voor oublies, zilver, Amsterdam 1788, door Johannis Logerath, 8,6 ×  15,2 × 10,9 cm, Rijksmuseum, BK-KOG-2604, in bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

Als je afgaat op de verhalen die over Nederlanders de ronde doen, zou je kunnen denken dat ze toonbeelden zijn van burgerdeugd. Een voorbeeld is het verhaal van het ene koekje bij de thee:  Nederlanders serveren één Mariakaakje bij het eerste kopje en doen vervolgens de trommel dicht. Waarschijnlijk om te onderstrepen dat Hollanders uitmuntten in soberheid en spaarzaamheid, kom je dit verhaal vanaf de achttiende eeuw overal tegen. Drees maakte daar dankbaar gebruik van. Toen drie jaar na de Tweede Wereldoorlog de minister-president de vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering thuis ontving in zijn Haagse rijtjeshuis en met één koekje bij de thee volstond, werd Nederland direct toegelaten tot het Marshallplan.

Als je nu naar Heel Holland Bakt en Smaakt Naar Meer bij omroep Max kijkt, lijkt er veel te zijn veranderd. Dat het waarschijnlijk vroeger ook niet altijd zo recht-gestreken was, blijkt onder andere uit de boeken van Jacques Alexandre de Chalmot (Leeuwarden 1734- Kampen 1801), die in 1768 een Nederlandse vertaling van een Franse encyclopedie bezorgde. Onder het lemma Gebak voegde hij een hele reeks koekjes en taarten toe. Meestal met recept: ‘Neemt een pond tarwemeel en een half pond fijne suiker, vier lepels vol gesmolten boter, een eierdooier en twee lepels vol rozenwater, beslaat dit met water tot een niet al te dik beslag, en laat het in een oublie-ijzer bakken. Is in een ogenblik goed’.

oubliesDe opgerolde dunne koekjes moeten in de achttiende eeuw heel populair zijn geweest. Zo werden voor deze koekjes speciale zilveren trommels gemaakt. Tot diep in de negentiende eeuw werden deze in paren gemaakt en verkocht, rechthoekige op de maat van gestapelde oublies, ronde voor enkel gebakken beschuit.

De verschillende Amsterdamse en Haagse paren in het Rijksmuseum laten zien hoe zilversmeden reageerden op precies omschreven opgaven. De strak geometrische vormen zijn een vast gegeven, maar de uitwerking is telkens net iets anders. In die eindeloze variaties uit zich in de perioden van het Neoclassicisme en het Empire de creativiteit van de zilversmid.

bk-14423-2

Detail van een paar trommels, zilver, Amsterdam, 1791, door Diederik Willem Rethmeyer 7,6 × 13,5 cm en 7,6 × 10,7 × 7,6cm, Rijksmuseum, BK-14423 en BK-14422, legaat van de erven P.C.E. von Hemert-van der Meulen, 1930

bk-14593-b-2

Detail van een paar trommels, zilver, Den Haag 1803, door Francois Marcus Simons, 7,6 × 12,7 cm en 7,6 × 9,9 × 14,6 cm, Rijksmuseum, BK-14593, legaat van de heer W.S. Burger, Antwerpen, 1933

Opnamedatum: 2012-06-12

Detail van een paar trommels, zilver, Amsterdam 1820, firma Willem Diemont, uitgevoerd door Egidius Adelaar, 7,8 x 12,3 cm, en 7,9 × 14,2 × 9,9cm, Rijksmuseum, BK-1978-132, geschenk van de heer en mevrouw Jaffé-Pierson, Huizen, 1978.

Zelf bakken is al jaren weer terug van weggeweest, en als je bezoek en familie wilt verrassen met deze koekjes kun je op de website van Heel Holland Bakt precies zien hoe je deze Hollandse klassiekers kunt maken. Zilveren trommels en ander gebakzilver komen vast ook weer terug. Want eigen baksels verdienen per slot van rekening zilver.

bk-kog-2604-a-1

Een trommel voor beschuit, zilver, Amsterdam 1788, door Johannis Logerath, 8,6 × 13 × 13,3 cm, Rijksmuseum, BK-KOG-2604, in bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

De Oudheid in Zilver: een kandelaber van Johannes Schiotling

2013-07-20 12 46 29

Op dit moment bloeit in Nederland de Acanthus Mollis, een monumentale, ruim een meter hoge plant met prachtige bladrozetten en hoge staarten vol bloemen. Tenminste sinds de 5de eeuw voor onze jaartelling groeide hij in Griekenland. Vanaf de vroege 16de eeuw wordt hij beschreven in de catalogi van Noord Europese botanische tuinen, onder de Latijnse en onder de Nederlandse naam; ‘stekende berenklauw’.

assetimage2detailassetimage2

De bladeren en bloemen waren in de oudheid een geliefd versieringsmotief. Eén van de voorbeelden is een kapiteel, het bovenste gedeelte van een zuil. In verschillende rijen staan de bladeren van de acanthus boven elkaar, en zijn bladranken vormen de hoeken. Volgens Vitrivius, een Romeins schrijver over architectuur, was dit type kapiteel kenmerkend voor de Korinthische orde, een maat- en versieringssysteem dat zijn naam ontleent aan de stad Korinthos, en dat volgens deze Romeinse auteur bij voorkeur voor luxueuze, feestelijke gebouwen diende te worden gebruikt. Vitrivius vertelt ons ook dat het kapiteel was geïnspireerd op een met acanthusblad doorgroeide mand, die op het graf van een jonge vrouw uit Korinthos was geplaatst.

Schiotling

In perioden waarin de vormentaal van de Oudheid de belangrijkste inspiratiebron voor kunstenaars vormde, was de acanthus geliefd, in de architectuur maar ook in het zilver. Eén van de spannendste toepassingen daarvan is te vinden in een kandelaber (een kandelaar met meer kaarsenhouders) van de Amsterdamse zilversmid Johannes Schiotling uit 1772. Overduidelijk is de verwijzing in de stam van de kandelaar, die hij als een Korinthische zuil heeft vormgegeven. Als je de geschiedenis van deze plant in de klassieke architectuur kent, weet je dat de naturalistische acanthusranken van de kaarsenhouders en de armen ook als een verwijzing kunnen worden gezien. Zilversmid en – helaas onbekende – opdrachtgever demonstreren daarmee hun kennis van de Oudheid, in dit geval van het ontstaan van de Korinthische orde, zoals deze door Vitruvius op schrift is gesteld.