Schilderende goudsmeden?

Als je naar kunstwerken uit de Middeleeuwen kijkt, moet je je realiseren dat de kunstwereld toen heel anders was georganiseerd als nu. Ambachten waren in gilden ondergebracht, en de scheiding daartussen was voor veel vakgebieden strikt. Zo mocht een meubelmaker bijvoorbeeld alleen met ornament versierde meubelen maken, en diende hij het snijwerk en het schilderwerk over te laten aan anderen, professionele beeldsnijders en schilders. Als vanuit dat perspectief naar de edelsmeden wordt gekeken, lijkt het landschap daar heel anders. Door de hertog van Gelre werd Johannes Maelwael (Nijmegen ca. 1365 – Dijon 1415) niet alleen betaald voor schilderijen, maar ook voor werken in goud en zilver, en zijn neven, de Gebroeders van Limburg, werden opgeleid in het atelier van een edelsmid. Aan de andere kant zijn ook edelsmeden bekend, zoals de Utrechters Elyas Scerpswert (Utrecht ca. 1325-1387) en zijn zoon Willem (actief Utrecht 1383-1391, Parijs 1393-1407?) waarvan de eerste werd ingeschakeld om de kwaliteit van het werk van kunstschilders te beoordelen, en waarvan de tweede een voorblad voor een missaal schilderde. Deze kunstenaars passen dus niet in de veronderstelde vakjes. Of het zouden allemaal schilderende goudsmeden, of goudsmedende schilders moeten zijn.

louvre-grande-pieta-ronde

Imagino Piètatis, olieverf en bladgoud op paneel, 64 cm diameter, France, ca. 1400, toegeschreven aan Jean Malouel/Johannes Maelwael, Louvre, inv. M.I. 692.

Je kunt natuurlijk kijken naar visuele overeenkomsten. De compositie van de grote Pièta, het belangrijkste geschilderde werk dat ons van Johannes Maelwael rest, lijkt heel erg op die van een medaillon in geëmailleerd goud uit dezelfde periode, en zo zijn er nog wel meer parallellen te trekken op de tentoonstelling in het Rijksmuseum. Het probleem daarvan is dat die overeenkomsten op zich weinig zeggen; ze kunnen ook op een heel andere manier worden verklaard. Omdat maar heel weinig gouden en zilveren kunstwerken bewaard gebleven zijn, en datgene wat ons resteert bovendien veel minder precies is onderzocht dan bijvoorbeeld de schilder- en de beeldhouwkunst, weten we niet in hoeverre de Scerpswerts uitzonderingen waren. Dat voorbeeld geeft wel aan dat het negentiende-eeuwse idee van de ontwerpende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman toen voor hen niet opging, maar vertelt niets over de gewone verhoudingen.

DT225921

Imagino Piètatis, goud en email, het centrale plaatje diameter 5 cm, Parijs, 1390-1420,
New York, The Metropolitan Museum of Art, Geschonken door J. Pierpont Morgan, 1917, Metropolitan Museum of Art, New York, inv. 17.190.913.

Als je wilt weten hoe de relatie tussen de goudsmeden en de schilders was, kun je ook kijken naar de regelingen van de Bourgondische hertogen uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw. Die wetgeving oversteeg de gildepraktijk die in de stedelijke voorschriften was vastgelegd, en de toezichthouders in eerste aanleg, de gildebesturen, werden door hen als staatsdienaren beschouwd. Tot hun competentie vielen niet alleen de volwaardige goud- en zilversmeden in hun gebied, maar ook allen die goud en zilver verwerkten. Omdat de achtergrond van de grote Pièta en de miniaturen van de gebroeders van Limburg uitvoerig met bladgoud zijn versierd, is direct duidelijk waarom zij tot de laatste categorie zouden worden gerekend. Er was dus een directe relatie tussen de schilders en de edelsmeden via het gebruikte materiaal.

chocques

Reliekhouder in de vorm van een vleugelaltaar, Parijs, c. 1400-1410, goud en email (keerzijde) 12.5 × 12.7 × 7 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-17045.

Goudsmeden en schilders beheersten verschillende technieken. De Parijse goudsmeden rond 1400 bewaakten de geheimen van het wit en het doorschijnend rood email, en de toepassing daarvan op een rond vlak, met gevaar voor eigen leven, en het bleef dan ook decennia hun specialisme. Een andere techniek die op de gouden en zilveren kunstwerken toen een belangrijke rol speelde, was het stippelgraveerwerk. Met metalen stiftjes werden patronen aangebracht. Het damastachtige effect in verschillende nuances tussen mat en glanzend werd ook nagestreefd door de schilders, Maelwael bijvoorbeeld in de stralenkrans rond het hoofd van zijn Christus. Om die techniek te leren hoefde hij niet naar Parijs. Kijk maar naar de binnenkant van de mijter op het belangrijkste bewaard gebleven werk van Elyas Scerpswert, die veertig jaar eerder is gerealiseerd.

BK-NM-11450-05 (2)

Borstbeeld van de Heilige Frederik (detail), Utrecht, Elyas Scerpswert, 1362, verguld zilver, 45.2 × 24.2 × 17.5 cm, Amsterdam, Rijksmuseum, inv. no. BK-NM-11450.

 

Advertenties

Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

De lokroep van Japan

Eén van de meest kenmerkende aspecten van het negentiende-eeuwse historisme is de belangstelling voor de kunst van de ander. Onder andere de Japanse kunst mocht zich daarin verheugen; men herkende in Japan een hoogontwikkelde beschaving die bovendien de bonus had van het onbekende.  Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw was Japan voor buitenstaanders een gesloten boek geweest; op de wereldtentoonstellingen in Parijs, Londen en Wenen waren voor het eerst op grote schaal voorwerpen voor de Japanse thuismarkt te zien.

AK-MAK-1165-A

Ronde plaque, diameter 64, 5 cm, koper en email cloisonné, China, ca. 1600-1700, AK-MAK-1165-A

Een voorbeeld waaraan de fascinatie voor het nieuwe afleesbaar is, is een gouden flacon voor reukzout. De voorstelling van de kraanvogel gaat direct op Japanse prenten terug, en is ook voor ons nog direct als Japans herkenbaar. Ook de techniek waarin het geheel is gerealiseerd, is exotisch: de gouden randen waarmee de kleurvlakken worden begrensd, zijn het resultaat van een specifieke techniek, die in de negentiende eeuw in Japan tot perfectie was doorgevoerd.  Op een gouden ondergrond werden draden van hetzelfde materiaal gesoldeerd. De vakjes werden vervolgens met email in verschillende kleuren gevuld, en tot slot net zo lang gepolijst totdat het gouddraad weer zichtbaar was.

BK-2009-50 (2)

Flacon voor reukzout, 6,5 × 4 × 1,7 cm, goud en email cloisonné, Parijs, ca. 1867-1870, Antoine Tard, naar ontwerp van Alexis Falize, BK-2009-50

Decennia later werd de Japanse kunst bewonderd vanwege de manier waarop zij de natuur keek. Eén van mijn favorieten is in dit opzicht een haarkam van René Lalique (1860-1945) uit 1902-1903. Op een heel bijzondere manier heeft hij een tak Viburnum opulus Roseum (sneeuwbal) in hoorn, goud, zilver en diamanten vertaald. De gesloten vorm heeft de plant alleen als hij nat is van een hevige regenbui. Lalique vangt de schittering van de regendruppels op de bloembladen in diamant.

BK-1987-2 (2)

Haarkam, hoorn, goud en diamanten, 15,5cm × b 7,6cm, Parijs, naar ontwerp van René Lalique, BK-1987-2

Als je in staat bent om een natuurobservatie zo te vertalen dat de toeschouwer de verwijzing naar de wereld van de Japanse prentkunst direct ziet, ben je voor mij een kunstenaar zonder meer. Klassieke kunsthistorici hebben daar vaak moeite mee, omdat zij dit begrip tot de beeldende kunsten beperken. In die gedachtegang zijn alleen schilderijen als die Van Gogh een kunst met verwijzingen naar en reacties op de Japanse kunst. Maar kan iemand mij uitleggen waarin het kunstenaarschap van Lalique in essentie anders is?

2566-viburnum-opulus-roseum-1

Viburnum Opulus ‘Roseum’ in de zon

De koningin op je jurk? Een portretcamee van koningin Emma.

Camee met het portret van koningin Emma, Verschuur en Van der Voort, Amsterdam, ca. 1879, lagenagaat, goud, email, diamant, 3,4 x 2,6 cm, Rijksmuseum, BK-2013-5, geschenk van M. Henriques de Castro, Huizen, 2013

Camee met het portret van koningin Emma, Verschuur en Van der Voort, Amsterdam, ca. 1879, lagenagaat, goud, email, diamant, 3,4 x 2,6 cm, Rijksmuseum, BK-2013-5, geschenk van M. Henriques de Castro, Huizen, 2013

Enige tijd geleden kreeg het museum een cameebroche van een juwelenliefhebber. Ze had de broche gevonden in een doosje, en met veel plezier gedragen. Totdat op een gegeven moment vrienden haar vroegen waarom ze met het portret van koningin Emma rondliep…

Emma, prinses van Waldeck Pyrmont (1858-1934) was getrouwd met koning Willem III (1817-1890). Als je de foto’s van de in 1879 21-jarige Emma naast het sieraad legt, zijn de overeenkomsten heel duidelijk. De camee is omstreeks 1879 gesneden uit een halfedelsteen, vermoedelijk een agaat. Van nature heeft deze kwartssoort lagen in verschillende kleuren; door ze deels weg te snijden ontstaat een portret in reliëf, met een rode laag als achtergrond.

Foto van koningin Emma met borstjuweel,Th. Molsberger, Arolsen, 1879

Foto van koningin Emma met borstjuweel, Th. Molsberger, Arolsen, 1879

Koninklijke portretcameeën werden door vorstenhuizen geschonken aan personen die zich op de één of andere manier verdienstelijk hadden gemaakt. Uit het huwelijksgeschenk dat Emma op de foto draagt, blijkt hoe belangrijk koning Willem III dit type vond. Het sieraad is gemaakt door een Parijse juwelier, Oscar Massin, de steen met het daarin geslepen portret is gesneden door een beroemde Nederlandse diamantslijper, Mozes Eliazar Cohen Fantaas de Vries jr. (1807-1883). Nadat hij er vijf jaar aan had gewerkt, werd de diamant in 1878 getoond op de wereldtentoonstelling in Parijs, als onderdeel van de inzending van de Amsterdamse firma Verschuur en Van der Voort.

hanger met portret van koning Willem III, de intaglio Mozes Eliazar Cohen Fantaas de Vries, Amsterdam 1879, het sieraad Oscar Massin, Paris, 1879, platina, diamant, smaragd en robijn, Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, Den Haag.

hanger met portret van koning Willem III, de intaglio Mozes Eliazar Cohen Fantaas de Vries, Amsterdam 1879, het sieraad Oscar Massin, Paris, 1879, platina, diamant, smaragd en robijn, Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, Den Haag.

Op de wereldtentoonstelling van 1878 werd dit Nederlandse kunststuk alom bewonderd, en juist daarom zou men verwachten dat de Nederlandse bijdrage allang uitgebreid bestudeerd zou zijn. Dat is niet het geval: deze kunstvorm is zo grondig uit ons collectieve geheugen verdwenen dat hardsteen cameeën op dit moment automatisch aan Italiaanse of Franse kunstenaars worden toegeschreven. De portretcamee van Emma is waarschijnlijk ook gemaakt in de ateliers van Verschuur en van der Voort, die volgens hun eigen reclamemateriaal in portretcameeën waren gespecialiseerd.

Nederlandse portretcameeën zijn nu bijzonder zeldzaam; zowel van Willem als van Emma zijn er op dit moment slechts enkele bekend. Mogelijk heeft dat te maken met het feit dat Emma dit type geschenk in 1890 door een ander verving. In plaats daarvan bestelde zij bij de firma Bonebakker broches in de vorm van een gekroond monogram, samengesteld uit de letter E in robijn en W in diamant. Tot diep in de twintigste eeuw heeft Wilhelmina die traditie voortgezet.

Houd je liefde dichtbij!

Horloge in gouden kast, J.A. Lépine, Paris (verkoopadres), Voltaires horlogefabriek Ferney, de kast goud, diamant en email,  5 cm diam, BK-2014-8

Horloge in gouden kast, J.A. Lépine, Paris (verkoopadres), Voltaires horlogefabriek Ferney, de kast goud, diamant en email, 5 cm diam, BK-2014-8

Veel mensen dragen in hun portemonnee een pasfoto, van hun geliefde of van hun kinderen. Omdat je een portemonnee altijd bij je hebt, reizen de geliefden dus eigenlijk elke dag met je mee. Vroeger bestonden er nog geen pasfoto’s, en moesten er dus andere manieren worden bedacht. Eén van de achttiende-eeuwse oplossingen is een klein geschilderd portret.
Dit miniatuur is gezet in een gouden met diamant bezette horlogekast. Het horloge is verkocht in de Parijse winkel van Jean Anthoine Lépine, een beroemde horlogemaker aan het einde van de achttiende eeuw, en waarschijnlijk omstreeks 1777 gemaakt in Ferney. De schrijver en filosoof Voltaire (Parijs, 21 november 1694 – 30 mei 1778) had daar als werkgelegenheidsproject een horlogefabriek opgericht, met Lépine aan het hoofd van de werkplaats.

Volgens de reclamefolders die Voltaire aan al zijn vrienden en kennissen rondstuurde, behoorden horlogekasten waarin een portret miniatuur kon worden geplaatst, op dat moment tot de nieuwste trends. Bijna vanzelfsprekend behoorde het ook tot de kostbaarste; niet alleen vanwege het materiaal maar vooral omdat door het portret een heel persoonlijk object was ontstaan.

Horlogekast met uurwerk, gesigneerd J. Lépine

Horlogekast met uurwerk, gesigneerd J. Lépine

In discussie met Rafaël en Cellini: een vaas van Antoine Vechte

Antoine Vechte, Le Triomphe de Galathée ou Neptune domptant les Flots, Paris 1843, zilver, h. 68,8 cm, BK-2013-3

Antoine Vechte, Le Triomphe de Galathée ou Neptune domptant les Flots, Paris 1843, zilver, h. 68,8 cm, BK-2013-3

Als je regelmatig in de zalen van het Rijksmuseum rondloopt, zie je af en toe nieuwe voorwerpen verschijnen. Eén daarvan ontdekte ik tijdens de keuring van de beurs in Maastricht in 2013; verscholen achter een stoel stond een soort van uit de kluiten gewassen voetbaltrofee, die ik al snel herkende van een negentiende-eeuwse foto die kort daarvoor was geveild. Het bleek een belangrijk werk te zijn van de drijver Antoine Vechte, één van de coryfeeën van de Europese edelsmeedkunst. Een particulier schonk het voorwerp vervolgens aan het museum, speciaal voor de opening.

Toegeschreven aan Hippolyte Bayard, foto van de Vechte vaas, Paris c. 1847, salted paper print, RP-F-2013-127

Toegeschreven aan Hippolyte Bayard, foto van de Vechte vaas, Paris c. 1847, salted paper print, RP-F-2013-127

Net als andere kunstenaars van dat moment, ging Vechte de dialoog met het verleden aan. Als je de voorstellingen op het lichaam en de figuren nauwkeurig bekijkt, zie je dat de ovale reliëfs verwijzen naar composities van Rafaël, al heeft Vechte ze zo verbouwd dat je ze pas in tweede instantie als zodanig herkent. In de oren, het deksel, de hals en de voet levert Vechte commentaar. Vandaar ook de dubbele titel: afhankelijk van het gezichtspunt van de kijker, richt hij zich op de Triomf van Galatea of Neptunus beveelt de zeeën zich terug te trekken.

Marcantonio Raimondi naar Raphaël, Neptune domptant les flots, Rome 1515-1516, RP-P-OB-12.146

Marcantonio Raimondi naar Raphaël, Neptune domptant les flots, Rome 1515-1516, RP-P-OB-12.146

De manier waarop Vechte zijn vaas heeft gerealiseerd, doet mij denken aan de Nederlandse kunstenaars in zilver, de Van Vianens en de Lutma’s. Evenals deze zeventiende-eeuwse virtuozen, heeft hij alle onderdelen gedreven uit zilveren platen, en deze vervolgens zo bewerkt dat een eindeloos scala aan nuances binnen handbereik kwam. Vechte verwees hier naar Cellini, en gebruikte deze middelen om zijn verhalen tot leven te brengen: in een bloedig gevecht tussen slangen en zeewezens zijn de lijnen hoekig en verbeten; in een vredige omgeving worden ze ingeruild voor zachte overgangen en een lieflijke elegantie.
Beide elementen werden in de tijd zelf zo hoog gewaardeerd dat werk van Vechte als beeldende kunst werd gezien. Zijn vazen werden als eerste getoond op de Salons, opvallend, omdat juist op dat moment voor het eerst een formele scheidslijn werd getrokken tussen de beeldende kunsten (schilder- en beeldhouwkunst) en de kunstnijverheid (zilver, meubelen, en ceramiek). Meer over Vechte en zijn kunst kun je lezen in mijn artikel Neptune domptant les flots ou Le Triomphe de Galatée (1843), Antoine Vechte, the Duc de Luynes and the Revival of Repoussé, dat deze week net verschenen is.

detail, Neptune domptant les flots,

detail, Neptune domptant les flots,