Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

‘Om de eer van Johannes Lutma’

Johannes Lutma junior, zelfportret in opus malleï, 1683

Johannes Lutma junior, zelfportret in opus malleï, 1683

De Amsterdamse zilversmeden Johannes Lutma en zijn gelijknamige zoon behoorden tot de selecte groep van edelsmeden, wier werk in eerste instantie als kunst werd gewaardeerd. Hun roem kende een lang leven: met zijn Utrechtse collega Paulus van Vianen is Johannes Lutma de enige kunstenaar in zilver die door de negentiende-eeuwse bouwheren van het Rijksmuseum belangrijk genoeg werd gevonden om opgenomen te worden in de reeks Nederlandse kunstenaars in verschillende media, wier portretten en namen op de gevels van het Rijksmuseum staan afgebeeld.Lutma achterzijde

De Lutma’s waren al in de zeventiende eeuw beroemde kunstenaars, zoals blijkt uit gedichten van Joost van den Vondel en publicaties van Joachim von Sandrart. Uitzonderlijk is een portretpenning die Johannes Lutma junior in 1659 ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van zijn vader maakte. Het opschrift ‘in memoriam posteritatis’ is een citaat uit een beroemd handboek over de Rhetorica, de leer van de welsprekendheid, en heeft betrekking op het doel van de geschiedschrijving. In gedachten zal de ontvanger van de penning het citaat hebben aangevuld met de woorden ‘et ingenii famam’, waarmee Marcus Fabianus Quintilianus (±30 – ±100) niet alleen de waardigheid van het onderwerp aanduidde, maar ook benadrukte dat de geschiedschrijving het onderwerp bij uitstek was voor een verteller om beroemd te worden. In zijn geheel betekent de zin ‘Tot herinnering van het nageslacht, en tot eer van de verteller’.

Johannes Lutma junior, portret van Johannes Lutma senior, 1659, collectie Teylers Museum Haarlem

Johannes Lutma junior, portret van Johannes Lutma senior, 1659, collectie Teylers Museum Haarlem

Met deze penning eert Lutma junior dus in eerste instantie zijn vader als beroemd kunstenaar, en positioneert hij tegelijkertijd zichzelf als beroemd verteller van verhalen in zilver. Voor wie de penning was bestemd, en dus in welke context we deze moeten zien, blijkt uit enkele zeventiende-eeuwse veilingcatalogi. Lutma’s penning blijkt dan het enige Nederlandse voorbeeld in een internationale serie van beeldend kunstenaars, waartoe Michelangelo, Pietro da Cortona, Bernini en Leonardo da Vinci behoren. Met recht een illuster gezelschap!

Voor 21ste-eeuwers, gewend om het begrip kunst te reserveren voor de beeldende kunsten, is het in eerste instantie vreemd om de edelsmeedkunst als een op zichzelf staande kunstvorm te accepteren. Dat men in de zeventiende eeuw anders keek naar de verhouding tussen de kunsten, kan men lezen in het artikel Historiestukken in zilver: penningen van Johannes Lutma junior, dat deze week in het oudste nog bestaande kunsthistorisch tijdschrift, Oud Holland, verscheen. Lutma’s penningen kun je zien in het Rijksmuseum, in Teylers Museum in Haarlem, en straks natuurlijk ook in de Nationale Numismatische Collectie in Amsterdam

Een gouden vredesmonument

Vandaag was Nederland jarig! Precies 365 jaar geleden, op 15 mei 1648, werd in het raadhuis van het Duitse Münster een vredesverdrag gesloten, waarmee de Republiek als zelfstandige staat definitief werd erkend. In Amsterdam was de vreugde zo groot dat men in dat jaar op verschillende manieren de vrede herdacht; op 6 juni met feesten op de Dam, en ook de plannen voor een nieuw te bouwen stadhuis (het huidige Paleis) werden in het teken van de Vrede geplaatst. Aan het einde van dat jaar volgde de beslissing om de Vrede ook met een penning te herdenken. Het zou de eerste vredepenning worden van een reeks, die tot de belangrijkste 17de-eeuwse kunstwerken behoort.

Burgemeesters besloten om een penning te laten maken, omdat ook in de oudheid belangrijke gebeurtenissen met een penning werden herdacht. Omdat van verschillende oeroude beschavingen vooral penningen bewaard gebleven zijn, hebben ze een grote kans tot overleven. Gebouwen, boeken en andere papieren, zijn uit Troje nagenoeg niet meer bekend; alleen de penningen vertellen ons nu nog na duizenden jaren wat men toen werkelijk belangrijk vond. In de besluitvorming van de burgemeesters komt die redenatie duidelijk naar voren: omdat bij verschillende volkeren uit de oudheid het de gewoonte was om een vrede met een penning te markeren, moest er een penning komen; omdat alleen het alleredelst metaal waardig was om een zo belangrijke vrede te markeren, kozen zij voor goud.

Eén van de belangrijkste Amsterdamse kunstenaars in zilver, Johannes Lutma, kreeg de opdracht om een ontwerp te maken. Samen met zijn oudste zoon, ook Johannes geheten, leverde hij twee ontwerpen, één in een classicistisch georiënteerde, en één in een meer schilderachtige uitvoering. Omdat de burgemeesters niet konden kiezen – en omdat het per slot van rekening een heel belangrijk moment was – lieten de heren beide varianten uitvoeren, de classicistische in het klein en de schilderachtige in het groot. Van de laatste heeft het Rijksmuseum één van de twee nu nog bekende.
BK-1954-3-01
BK-1954-3-00
Op de keerzijde wordt het verhaal van de vrede en het ontstaan van de penning in het Latijn verteld. Voorop wordt de vredespolitiek van de Amsterdammers in beeld gebracht; voorzichtigheid en dus de bereidheid tot vrede wordt verbeeld door de vrouw in het harnas rechts (Minerva), kracht en dus de bereidheid tot oorlog door de man met knots links (Hercules). Met de kransen worden de triomfen op het slagveld en aan de vergadertafel in beeld gebracht, die tot de net ondertekende vrede had geleid. Met de Romeins keizerlijke eretitel ob cives servator (in dienst van de burgerij) verwezen de heren in dit geval naar hun eigen rol, juist zij hadden de vrede mogelijk gemaakt.

Dat de eeuwige roem wat mochten kosten, blijkt wel uit het feit dat van iedere versie tachtig exemplaren werden gemaakt, voor de 36-koppige raad, maar vooral voor de relaties van burgemeesters in binnen- en buitenland. Van de grootste kan ongeveer worden nagaan wat de kosten waren. Alleen al aan goud besteedden de burgemeesters 89 gulden per stuk, hoger nog was de rekening voor het arbeidsloon van de kunstenaar die de penning maakte. Johannes Lutma kreeg per penning 200 gulden, in de 17de eeuw ongeveer een modaal jaarsalaris. Alleen deze versie kostte de burgemeesters – en dus de stad – al ruim 23.000 gulden, de kleinere versie zal wel iets goedkoper zijn geweest, maar niet veel.

Het astronomische bedrag dat zij besteedden, geeft aan hoe belangrijk dit medium voor hen was. Dat zij ook in hun doel zijn geslaagd, blijkt uit dit stukje; zonder de penning was er voor mij immers geen enkele aanleiding geweest om iets over de Vrede van Munster, en laat staan over hun rol daarbij, te schrijven !