Een monument voor de liefdadigheid

De afgelopen dagen regent het in Nederland onafgebroken, en draaien de waterschappen overuren. Nu zijn Nederlanders beroemd vanwege de manier waarop de waterbeheer is georganiseerd, en omdat het al lang geleden is dat de dijken het op grote schaal begaven, zou je bijna vergeten dat het drama van het wassende water ook in Nederland lang een harde werkelijkheid was. Vanaf het midden van de zestiende eeuw werden penningen ingezet om de herinnering aan deze weerkerende rampen levend te houden. Zo op het eerste gezicht is deze penning, die de watersnood van 4 en 5 februari 1825 tot onderwerp heeft, dus niets bijzonders.

 

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, voorzijde, Adriaan Bemme naar een tekening van George Frederik Sartorius, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Uitzonderlijk zijn het grote formaat en de voorstelling. We zien het water over de dijk stromen en de polders vullen. In het verdronken land proberen vluchtelingen zichzelf en hun vee te redden, en een Waterlands echtpaar dat op het dak van hun huis is gestrand, wordt door een dappere roeier in veiligheid gebracht. Hoewel de modern topografische situatie is weergegeven, grijpt de manier waarop de scène is verbeeld terug op een Nederlandse zeventiende-eeuwse traditie. Net als in de plaquette-penningen van Johannes Lutma jr., worden ook hier schilderkunstige effecten nagestreefd.

 

NG-VG-1-886

Aanleg van de trekvaart van Dokkum naar Groningen, zilver, diameter 9,2 cm, Dokkum 1656, voorzijde, Paulus Saackes naar model van Johannes Lutma jr, Rijksmuseum, Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, NG-VG-1-886

 
Wie deze zijde van de penning heeft gemaakt, toont het omschrift: “Heeft Bemme Neerlands nood door drijfkonst hier verbeeld”. Daarmee werd gedoeld op de toen 71-jarige Rotterdamse goud en zilverdrijver Adriaan Bemme Jansz (Delft 1753 – Rotterdam 1831), die in datzelfde jaar in Haarlem verschillende proeven van zijn kunst toonde. De genoemde onderwerpen geven aan dat hij zich op de zeventiende-eeuwse Hollandse genreschilderkunst baseerde, in dat geval de herberginterieurs van Adriaen van Ostade (1610-1685). De andere kant werd gemaakt door zijn zoon, de penningsnijder Anthonie Bemme Azn (Rotterdam 5-12-1779 – Rotterdam 15-5-1836): “zijn zoon grift hier met staal wat deze rampspoed heelt”. Het samenwerkingsverband tussen vader en zoon werd mogelijk gemaakt door een penningkundige en verzamelaar, de Amsterdamse koopman Hendrik Westerhoff (Amsterdam 1774-1848). In zijn In Memoriam werd aangegeven dat hij voor nieuwe penningen als schakel functioneerde, en hij zal dan ook de Amsterdamse apotheker George Frederik Sartorius (Amsterdam 1799-1851) hebben gevraagd om een tekening te leveren.

NG-VG-1-3502-00

De Watersnood van februari 1825, zilver, 9,9 cm, Rotterdam 1825, keerzijde, Anthonie Bemme Azn (keerzijde), Schenking van mevrouw J.M. van Gelder-Nijhoff, inv. NG-VG-1-3502

 
Als kunstwerk is het stuk interessant omdat het laat zien dat in de vroege negentiende eeuw de penningkunst van de Gouden eeuw werd gewaardeerd en tot uitgangspunt werd genomen voor nieuwe scheppingen. Die trend is ook bekend uit de Nederlandse schilder en tekenkunst, maar de penning is één van de zeldzame voorbeelden daarvan in zilver. Dat hij ook in de tijd zelf als iets bijzonders werd gewaardeerd, blijkt uit het feit dat hij is opgenomen in de klassieke kunstenaarshandboeken van Immerzeel en Kramm, en we kennen zelfs zijn portret in prent.

 

RP-P-1940-450-00

Portret van Adriaan Bemme, ets, 158 x 115 mm, Rotterdam, ca. 1790, Rijksmuseum, RP-P-1940-450

 

Maar daarmee houdt het verhaal niet op. De penning is ook een uitzondering omdat deze niet alleen één van de grootste en meest verwoestende rampen in Nederland memoreerde, maar ook en vooral omdat deze particuliere initiatieven in het zonnetje zette. De in 1824 opgerichte Noord en Zuid Hollandse Redding Maatschappij en het in 1822 gestichte College Zeemanshoop hadden een grote rol, kapiteins voeren uit om de slachtoffers te redden, de instituten regelden de opvang van de vluchtelingen en ook de verspreiding van hulpgoederen in het getroffen gebied. De penning memoreert dus in eerste instantie de liefdadigheid, en er zijn dan ook maar drie exemplaren gemaakt, twee voor instituten en één voor de initiatiefnemer Westhoff. nu in de collectie van het Rijksmuseum.

In 1825 werd een recordbedrag van 13 miljoen gulden ingezameld voor de wederopbouw van de geteisterde delen van Nederland. Zouden we dat nog steeds kunnen, en helpen we nu het Rode Kruis helpen in het Caraïbisch gebied en Bangladesh?

Advertenties

Edelsmeedkunst als opdracht

Regelmatig delen mensen met mij hun zorgen over de toekomst van de edelsmeedkunst, en ook vroeger werd die vraag met regelmaat gesteld. Het antwoord is deels telkens hetzelfde: iedere generatie moet oude verhalen nieuw leven in blazen. Omdat andere accenten worden gelegd, verschilt het patroon. Zo formuleerden verzamelaars en musea  in 1919 samen wat volgens hen een zilveren voorwerp van een kunstwerk onderscheidt. Het plan was buitengewoon ambitieus. Stel een tentoonstelling samen van absolute hoogtepunten, van vroeger en nu. Laat Nederlandse kunstwerken stralen, en voeg een afdeling kunst uit Azië als extra inspiratiebron toe. Wat de tentoonstelling beoogde is te lezen in een boek dat als herinnering verscheen, de Inleiding tot de geschiedenis van de Nederlandsche Edelsmeedkunst van Carel J. A. Begeer (1883-1956). Het leest als een manifest, een oproep om een voorwerp te beschouwen als een kunstwerk, of in de woorden van Begeer: een uiting van een gedachtegang in vorm.

BK-1992-31

EVaas, zilver, 21,1 x diameter 16,2 cm, ontwerp 1918 en realisatie 1919, Carel J. A. Begeer, Rijksmuseum, inv. BK-1992-31.

In het werk van de Van Vianens en de Lutma’s waardeerde Begeer het vermogen om unieke werken te creëren, en voor de tentoonstelling ontwierp en vervaardigde Begeer zelf een vaas met volledig vloeiende vormen, die er telkens anders uitziet als je hem draait. Vorm en versiering zijn versmolten tot één volledig abstract ornament. Zo gaf hij invulling aan de belofte, gedaan in de catalogus, dat “de leidende fabrikanten in het edelmetaalbedrijf in samenwerking met de beste kunstenaars van onzen tijd, deze kunst wederom op zullen weten te voeren tot het hoogst mogelijke peil”.

900x450_133878

Doosje, ebbenhout en zilver, 7,5 x 12 x 17,4 cm, ontwerp Erich Wichmann, Utrecht 1918, Boijmans van Beuningen, Rotterdam, inv. MBZ 508 a-b (KN&V)

Aan de tentoonstelling was ook een ontwerpwedstrijd verbonden, en dat maakt nieuwsgierig naar degenen die op de uitnodiging ingingen. We weten het niet precies omdat van deze afdeling geen catalogus verscheen, en omdat de hoogleraar in de kunstgeschiedenis Willem Vogelsang (1875-1954) in zijn besprekingen alleen degenen noemde die hij kende en interessant vond – en dat waren de gevestigde kunstenaars uit omstreeks 1900. De experimenten van Erich Wichmann (1890-1929) vond hij te excentriek, en niet zo geslaagd omdat de voorwerpen niet te gebruiken waren. Bovendien was nog lang niet alles al klaar, met als gevolg dat in de openingsspeech werd beloofd dat er een tweede tentoonstelling zou komen, gewijd aan de ‘heedendaagsche kunst’.

BK-2013-17

Doosje met abstract geometrische versiering, zilver, email, h. 6,5 x Ø 7 cm, Anonieme ontwerper, uitgevoerd door de Utrechtsche Fabriek van Juwelen, Zilverwerken en Zilveren penningen N.V., Amsterdam, aankoop met steun van Ernst Nijkerk, Rijksmuseum BK-2013-17.

Hoewel niet in de bronnen herkenbaar, ligt het voor de hand om een zilveren doosje dat in hetzelfde jaar in de ateliers van Begeer ontstond, te verbinden met het streven van de tentoonstelling. Net als de vaas, is ook dit een uitdrukking van een gedachtegang in zilver, al is het uitgangspunt een totaal andere. Dit is een spel in geometrie, waarin het spanningsveld wordt verkend tussen een cilindrische grondvorm en een decoratie in rechthoekige vlakken blauw, zwart en wit. Het doet heel erg denken aan de opvattingen van de kunstenaars van De Stijl.

Is er straks nog wel belangstelling voor het Nederlandse zilver, zullen er nog wel verzamelaars zijn, en hoe zit het eigenlijk met de nieuwe generaties kunstenaars die hun eigen visie op dit materiaal ontwikkelen, zijn vragen die telkens opnieuw worden gesteld. Ik ben niet zo somber omdat juist nu op allerlei terreinen aandacht voor oud en nieuw zilver wordt gevraagd. Mijn antwoord is dus eigenlijk een opdracht; vertel wat je intrigeert, laat zien wat spannend is, en geef daardoor een nieuwe generatie de gelegenheid om zelf te bedenken en te formuleren wat het materiaal zo spannend maakt.

Een ideaal museum

RMA-SSA-F-00313-1

Westelijke binnenplaats voor de verbouwing, daglichtcollodiumzilverdruk, 11 x 8 cm, 1927, door A.S. Schmidt Degener, RMA-SSA-F-00313-2

Net als alle andere musea kan ook het Rijksmuseum lang niet alles tonen wat ze heeft. Wat je toont en wanneer hangt af van het verhaal dat je aan het publiek wilt vertellen, en natuurlijk van de hoeveelheid ruimte die je voor dat verhaal beschikbaar hebt. Sommige thema’s komen zelden aan bod, maar dat betekent niet dat de voorwerpen oninteressant en dus overbodig zijn. Zo bezat het museum ooit een omvangrijke verzameling driedimensionale reproducties van kunstvoorwerpen in gips en metaal, waarvan nu nog maar een heel klein deel bewaard gebleven is. Van de ruim 1600 voorwerpen die in 1915 in een catalogus zijn beschreven – en waarvan een deel hier op de foto te zien is – bleven alleen de ruim 70 reproducties in metaal bewaard. De rest is letterlijk weggegooid, omdat ze in de twintigste eeuw als waardeloze kopieën werden beschouwd.

BK-NM-5298

Galvanoplastische reproductie van een deel van de Popta-schat, verzilverd koper, 1881, Firma Elkington & Co, Birmingham, Rijksmuseum, inv.nrs. BK-NM-5298 – BK-NM-5305.

Daarmee verdween ook een belangrijk deel van de geschiedenis van het Rijksmuseum. Beter dan foto’s of tekeningen geven driedimensionale reproducties een idee van maat, vorm en uitwerking, en ze werden dan ook in eerste instantie benut als een driedimensionaal beeldarchief van voorwerpen die onbereikbaar waren voor het Rijksmuseum omdat ze te kostbaar waren of inmiddels verloren waren gegaan. Daarnaast werden reproducties gebruikt als model in het tekenonderwijs van de verschillende onderwijsinstellingen die in de gebouwen van het Rijksmuseum waren gevestigd, de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid. Grote buitenlandse musea hebben deze deelverzamelingen al lang geleden nieuw leven in geblazen. Zo zijn de galvanoplastische reproducties van het Victoria & Albert Museum in Londen sinds 1995 opgenomen in de Silver Galleries, als pregnante voorbeelden van de nieuwe technische mogelijkheden die in de negentiende eeuw beschikbaar waren. Het Metropolitan Museum in New York stelde in 2011 hun verzameling reproducties centraal om te laten zien hoe onze waardering is veranderd. Als je kijkt naar de keuzes die in de negentiende eeuw werden gemaakt, blijkt immers precies wat toen belangrijk werd gevonden, of met andere woorden, wat toen de canon was.

Jamnitzer-cup

Akeleibokaal, zilver, h 69 cm, Neurenberg, ca. 1550-1575, het ontwerp toegeschreven aan Wenzel Jamnitzer, Victoria & Albert Museum, London, inv. M-150-1872.

Hoewel nog heel veel onderzoek nodig is, is nu al duidelijk dat de hoogtepunten van de edelsmeedkunst van mijn voorgangers in het Rijksmuseum voor een deel ook de onze zijn; de Poptaschat in het Fries Museum is nog steeds één van de belangrijkste ensembles van het Nederlandse zilver en het is dus direct te begrijpen waarom de moeite werd genomen om daarvan een kopie voor de verzameling in Amsterdam te laten maken. Verrassender is dat men toen ook al het Nederlandse zilver plaatste in een internationaal kader, en dus ook kopieën bestelde van verschillende hoogtepunten van de Europese edelsmeedkunst. Een belangrijk voorbeeld daarvan is de door Wenzel Jamnitzer ontworpen meesterproef van het Neurenbergse goudsmedengilde. Voor het Rijksmuseum waren de originelen toen zeker onbereikbaar omdat de fondsen ontbraken om zulke grote aankopen te kunnen doen. Met kopieën kon een voorschot daarop worden genomen, en een ideaal museum worden samengesteld. Honderddertig jaar later kan worden vastgesteld dat de dromen uit 1881 inmiddels grotendeels zijn gerealiseerd, maar dat er ook nog heel veel te wensen overblijft.

Gedenk te Leven

BK-17050 (2)

Memento Mori, hanger, Duitsland?, ca. 1590-1610, h. 3 cm, goud en gouddraad, geëmailleerd, Rijksmuseum Amsterdam, inv.nr. BK-17050.

Net als nu gaven mensen ook vroeger met sieraden boodschappen af. Wat met deze naakte weergave van de dood werd bedoeld, blijkt uit de woorden die er onder staan: Memento Mori, Gedenk te Sterven. In de late Middeleeuwen was het begrip in eerste instantie verbonden met het sterfbed zelf. Als de dood dichtbij is, moet de mens zich voorbereiden door afstand doen van alles wat hem van God scheidt; ongeloof, wanhoop, ongeduld, zelfingenomenheid en gehechtheid aan de familiekring. In De Prepaeratione ad Mortem (1533) van Erasmus van Rotterdam (1466-1536) worden ze uitgebouwd tot een richtlijn voor het leven, en daardoor voor een persoonlijk geloof. Zelf moet de mens het geloof bevechten, de wanhoop bestrijden, bescheidenheid leren en zijn geluk niet alleen laten afhangen van de mensen om hem heen.

Gedenk te Sterven wordt daardoor in de praktijk Gedenk te Leven, en ook de beeltenis van de dood ondergaat daardoor een betekenisverandering. De ontwikkeling van een persoonlijk geloof is belangrijk voor protestanten, en verschillende van de aspecten die Erasmus als leidraad voorstelde, keren dus ook bij de reformatoren terug. Vanuit datzelfde perspectief is de voorliefde voor psalmen te begrijpen; de 22ste psalm kun je bijvoorbeeld lezen als een verslag van de strijd tegen de wanhoop. Van God en alle mensen verlaten, en levend onder de constante dreiging van de dood, tekenen de eerste verzen de diepte van de duisternis waarin de dichter leeft. Halverwege breekt het vertrouwen door in een betere toekomst, voor hemzelf als hij de strijd overleeft, en zeker voor de volgende generaties. De Psalmen werden verschillende keren in het Nederlands vertaald, waarvan de versie van de schrijver van het Wilhelmus, Philips van Marnix van St. Aldegonde (1540-1598), misschien wel één van de mooiste Nederlandse is.

 

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin (3)

Hoe een dergelijk sieraad gedragen werd? Anna van der Does (Noordwijk 1572 – Nienoord 1626) draagt zo’n sculptuur, gehaakt aan haar oorbel, zodat de tekst op de onderkant alleen te lezen is voor degene die heel dichtbij mag komen. Wij mogen dat niet, en omdat voor ons ook niet uit te maken is welke figuur is uitgebeeld, blijft haar persoonlijk verhaal een gesloten geheim. Anna’s portret maakt deel uit van een veel groter geheel, een weergave van het gezin van de diplomaat, dichter en staatsman Johannes van der Does, heer van Noordwijk (1545-1604). De kinderen geven een beeld van de toekomst, de jongens rond hun vader, de meisjes rond hun moeder. Anna, de oudste, is verreweg het rijkst gekleed en draagt ook de meest complexe sieraden. Doordat haar moeder en jongere zus veel simpeler en soberder zijn afgebeeld, kan Anna extra stralen.

Portretgroep van Jan van der Does en zijn gezin

Toegeschreven aan Roeloff Willemsz van Culemborg, Jan van der Does en zijn gezin, ca. 1590-1592, olieverf op paneel, 97 x 183 cm, Leiden, Stedelijk Museum de Lakenhal, inv.nr. S9.

Zilver voor Afrika?

Opnamedatum: 2010-02-19

Koelvat, Den Haag, 1768, door Gregorius van der Toorn, zilver, 28 x 42,1 x 63,9 cm, Rijksmuseum, BK-1974-107

Eén van de grootste en zwaarste zilveren voorwerpen in de verzameling van het Rijksmuseum is een koelvat dat in 1768 ontstond in de werkplaats van de Haagse zilversmid Gregorius van der Toorn.  Koelvaten stonden op een buffet, waren gevuld met ijs en flessen wijn en vormden een belangrijk focuspunt in een Nederlandse eetkamer. Het grote formaat bood de zilversmid de mogelijkheid tot  een grootschalige rococo decoratie, die vooral in de vormgeving van de poten en de grepen tot uiting komt. Volledig vrij is de omlijsting van het bijzonder grote gegraveerde familiewapen op de wand.

Opnamedatum: 2010-02-19

Voor wie het voorwerp is gemaakt, weten we niet zeker. Het negentiende-eeuwse wapen met gesloten kroon op de keerzijde werd in deze vorm gevoerd door een Zuid-Afrikaanse tak van de in oorsprong Groninger familie Hiddingh. Het achttiende-eeuwse familiewapen is nog niet geïdentificeerd, met als gevolg dat we nog niet weten of het voorwerp ook voor een achttiende-eeuwse opdrachtgever in Zuid-Afrika is gemaakt.

Opnamedatum: 2010-02-19

Aan het einde van de achttiende eeuw werd in de provincies Holland, Utrecht en Zeeland een bijzondere belasting geheven op grote voorwerpen van goud en zilver. Eigenaren waren verplicht deze in te leveren bij de verschillende keurkamers om deze om te laten smelten in baren goud en zilver, of konden de tegenwaarde daarvan in gereed geld voldoen. Als teken dat deze bijzondere belasting was betaald, sloegen de keurmeesters een teken op de vrijgekochte zilveren voorwerpen af. Daardoor kan worden vastgesteld in welke regio een voorwerp zich in de achttiende eeuw bevond.

Op in Rotterdam of in Delft gemaakte voorwerpen zijn heel vaak de in die stad gebruikte belastingtekens af geslagen, en daaruit kun je concluderen dat edelsmeden uit deze steden in eerste instantie werkten voor een regionale markt. Aan de andere kant van het spectrum staan de producties uit Den Haag en Amsterdam. Het is opvallend dat op Amsterdams zilver zelden de herkeuren uit 1795 zijn afgeslagen, en ook op Haags zilver komt het teken naar verhouding niet vaak voor. Veel van wat wij nu nog kennen, werd dus niet voor opdrachtgevers in de provincies Holland, Utrecht en Zeeland gemaakt, maar voor degenen in het Noorden, het Oosten en het Zuiden van het land, of voor een veel internationalere klantenkring.

coffeepot, Capetown, ca. 1790, art trade.

Koffiepot, Kaapstad, ca. 1790, toegeschreven aan Daniël Heinrich Schmidt, zilver, h. 19,6 cm, National Cultural History Museum, South Africa.

Omdat herkeuren op het koelvat volledig ontbreken, staat vast dat het zich niet in één van de provincies bevond waar het zilver in 1795 dienden te worden ingeleverd. Daarnaast valt daaruit te concluderen dat het voorwerp niet in de negentiende of twintigste eeuw in Nederland is verhandeld.  Daarom kan worden vermoed dat het al in de achttiende eeuw voor één van de Nederlandse expat-gemeenschappen in Afrika of Azië is gemaakt. Juist de gemeenschap in Kaapstad behoort dan tot de mogelijkheden, omdat bekend is dat opdrachtgevers daar zilver in Nederland bestelden, en omdat de vormentaal van het daar gemaakte zilver voor Nederlandse zilverspecialisten heel herkenbaar is. Als je wilt weten hoe Nederland en Zuid-Afrika zich in de afgelopen eeuwen op andere terreinen tot elkaar verhielden, kun je tot 21 mei terecht in het Rijksmuseum voor de tentoonstelling “Goede Hoop?”

Goud voor de Grootvorst

sk-c-203

De prinses van Oranje ontvangt Alexander II (1818-1881), grootvorst en troonopvolger van Rusland, in het Czaar Peterhuisje te Zaandam, 17 april 1839, Christiaan Julius Lodewijk Portman, 1839 – 1840, olieverf op doek, h 118,5cm × b 144cm, Rijksmuseum SK-C-203, in bruikleen van de stad Amsterdam.

In 1839 verbleef de Russische kroonprins Alexander enkele weken in Nederland, en werd er ontvangen door de in Rusland geboren Nederlandse kroonprinses Anna Paulowna. Eén van de hoogtepunten was het bezoek aan het dorp Zaandam, in het huisje waar in de late zeventiende eeuw hun voorvader Peter de Grote als timmerman had geleefd. We weten precies hoe de grootvorst werd ontvangen; de prinses zelf bood de gast naar Oud Russische gewoonte het brood en het zout aan. Het moment is weergegeven door de toen zeer gewaardeerde schilder Christiaan Julius Lodewijk Portman in opdracht van de Amsterdamse bankier Adriaan van der Hoop.

sk-c-203-2

Het gouden bord en het zoutvat dat bij die gelegenheid werd gebruikt, en vervolgens aan de Russische grootvorst cadeau werd gedaan, is in het midden van het schilderij afgebeeld. Hoe het er uitzag weten we omdat het in de kranten precies werd omschreven. De rand van het bord, dat groter was dan een gewoon tafelbord, was versierd met een inscriptie in het Russisch waarin het bezoek werd gememoreerd. Op het plat was een oorlogsschip afgebeeld, met de naam Frederik Hendrik , naneef van Peter den Grooten. Het belangrijkste stuk was de zeskantige vaas die als zoutvat werd gebruikt. De voorkant was versierd met het portret van Peter de Grote in email, de zijden met grote halfedelstenen, een dieppaarse Russische amethist en een helderrode granaat, en op de achterkant was het Alziend Oog gegraveerd.

Portman zal precies hebben geweten hoe het stuk er uit zag. Het was gemaakt en ontworpen door de Amsterdamse goudsmid en juwelier Friedrich August Fürstenhaupt, de actieve firmant van het bedrijf Fürstenhaupt en Dammerval op de Oude Turfmarkt. Net als Portman was ook Fürstenhaupt lid van de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti & Amicitiae, en de juwelier kan hem dus heel goed de ontwerpen hebben laten zien. Voor ons beeld van de negentiende eeuw is het gegeven belangrijk omdat het duidelijk maakt dat ook in een periode van economische krimp nog steeds belangrijke grote gouden werken in Amsterdam konden worden gemaakt, en dat ook ambitieuze scheppingen in email tot de mogelijkheden behoorden. De voorwerpen zelf zijn voor zover bekend niet bewaard, maar dankzij de krant en het schilderij bestaat er toch een indruk van.

In blijde verwachting

bk-17117

Drinkschaal in de vorm van een schip, het slijpwerk Milaan 1550-1575, de monturen ca. 1600 en ca. 1880, bergkristal, goud en email, 18,7 × 27,1 × 23,9 cm, afkomstig uit de schatkamer in Dresden, Rijksmuseum, inv. BK-17117.

Wie vroeger het recht had om als eerste het gezelschap uit te nodigen tot het drinken van een erebeker, wat de toast mocht zijn en uit welke beker er werd gedronken, was in de internationale hofcultuur precies vastgelegd. Vooraf aan de maaltijd die ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel van Oostenrijk tot koning van Bohemen in 1723 in Praag werd gegeven, werd negen keer geproost. De belangrijkste als laatste: na op de gezondheid van de keizer en de keizerin gedronken te hebben, leegden de 144 heren nog één keer het glas op de toekomst. Op Hänsel-im-Keller, het nog ongeboren keizerlijk kind. Voor alle ‘gezondheden’ werd een speciaal daarvoor uit de Weense schatkamer meegebrachte bergkristallen drinkschaal gebruikt, die dus in totaal 1296 keer met de beste Tokay werd gevuld. En toen moesten de heren nog aan tafel…

In de Republiek was drinken op Hansje in de Kelder heel gewoon, zoals blijkt uit één van de gedichten van de secretaris van het Oranje-hof, Constantijn Huygens (1597-1687). In Cluys-werck nam hij afstand van de overvloedige drinkcultuur van zijn tijd, en beschreef hij het drinken op Hansje in de kelder als één van de vele excuses van de dronkenman. Speciale voorwerpen voor speciale gelegenheden noemt Huygens niet, maar uit achttiende-eeuwse woordenboeken en encyclopedieën is bekend dat met een Hansje in de Kelder ook een type zilveren drinkschaal kon worden bedoeld. In het midden van de schaal is een gesloten bol aangebracht waaronder een kindje op een vlotter is verborgen. Als je de schaal vult met wijn, opent de bol zich en komt het kindje te voorschijn. Hoe dat werkt? Kijk maar hier.

bk-nm-13029

Hansje in de Kelder, Groningen 1669-1670, toegeschreven aan Focke Raerda, zilver, deels verguld, h.22,5 cm x diam. 14,4 cm, Rijksmuseum, bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, inv. BK-NM-13029 (KOG-1679).

In het Rijksmuseum zijn er verschillende, waarvan de mooiste omstreeks 1670 in Groningen is gemaakt. Het abstracte, uit kwabmotieven en maskers samengestelde patroon waarmee de voet en de binnenkant van de schaal zijn versierd, behoort tot het voor luxueuze voorwerpen gewone repertoire en ook de combinatie in zilver en verguld was toen modern. ‘Bont zilver’ wordt in verschillende inventarissen als aparte categorie genoemd. Deze versie is ook bijzonder omdat op het klepje een ridder is geplaatst. Hij dient als tegenwicht: het kindje daaronder wordt alleen zichtbaar als je het figuurtje weghaalt. Uit alles blijkt dus dat dit een speciale opdracht is geweest; jammer genoeg weten we nog niet voor wie de kelk is gemaakt omdat de wapens op de voet nog niet zijn geïdentificeerd.

bk-nm-13029-2

Van een heel ander kaliber is een exemplaar dat voor het eerst in 1774 werd beschreven en afgebeeld door de Leidse arts Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812). Onder de afbeelding staat een gedicht dat hij in 1770 componeerde voor de secretaris van de Heerlijkheid Warmond: Dit Hansje was in Boons geslacht/tweehonderd jaren hoog geacht/de stamtelg nu ruim tien keer zeven/mogt nog den blyden dag beleven/dat hy uit Egâs vrugtbren schoot/een lieven teedren spruit genoot/men dronk vooraf hem/frisch en helder/geluk met Hansken in de kelder’. Het model met gelobde kelk en voet is vanaf het tweede kwart van de zeventiende eeuw in heel veel verschillende Hollandse steden toegepast, als Hansje in de Kelder, maar ook als gewone drinkschaal zonder bol en uitstulping aan de onderkant. Waar en door wie dit voorbeeld is gemaakt weten we niet precies omdat alleen het meesterteken, een drinkschaal in schild, nu nog duidelijk te onderscheiden is. Omdat dit voorwerp al in 1824 wordt beschreven in de eerste uitgebreide catalogus van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, moet het één van de eerste aanwinsten van het Rijksmuseum zijn geweest.

rp-p-ob-84-109

Hansje-in-de-kelder, ca. 1770, ets en boekdruk, 368 × 226 mm, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-84.109.

bk-nm-591

Hansje in de Kelder, Nederland ca. 1600-1650, zilver, deels verguld, 14,5 × 10 cm, Rijksmuseum, aankoop voor 1824, inv. BK-NM-591.

Het feit dat drinkschalen van dit model in relatief grote aantallen en uit verschillende steden bewaard gebleven zijn, doet vermoeden dat ze voor een breder publiek waren bestemd. De voorouders van Boon woonden en werkten tenminste sinds de vroege zeventiende eeuw in Warmond, en waren er schippers en verkopers van bier. Cornelis Boon (1697-1776) was daarnaast secretaris van de Heerlijkheid, en behoorde dus tot de bestuurlijke plattelandselite. De zwangerschap van diens tweede echtgenote Jannetje Nieuwerkerk (1736-1816) was een verrassing. De op 18 november 1770 gedoopte Maartje bleef zijn enige kind.

Samen laten de verschillende verhalen duidelijk zien dat een geschiedenis van de drinkcultuur veel complexer is dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. De toast ‘Hansje in de Kelder’ en daarmee het gebruik om op de gezondheid van het ongeboren kind te drinken, bestaat in verschillende talen en was dus algemeen verspreid. Je kunt dus niet zeggen dat het hier om een specifiek burgerlijk Hollands verschijnsel ging. Wel typisch Nederlands is dat zilveren drinkschalen van dit type zowel in luxueuze als in eenvoudige uitvoeringen bestaan. Vooral daaruit spreekt onverkort de rijkdom van de gewone Hollandse burgerij.