Hoe de liefde het geweld overwon

20180608_095318

Vijf plaquettes gemonteerd op een kist, de plaquettes zilver, Genua, gesigneerd en gedateerd Mathias Melin Belga 1636, Rijksmuseum, BK-NM-603/607. Opstelling in 2018

Omdat voor de ornament-tentoonstelling KWAB grote en beeldbepalende kunstwerken als de kan en schaal van Paulus van Vianen nodig zijn, is er eindelijk ruimte voor één van de zeldzame Italiaanse stukken die het Rijksmuseum rijk is: een serie van vijf plaquettes, gemaakt in 1636 in Genua door de in Antwerpen geboren drijver Mattheus Melijn/Matthias Melin (Antwerpen 1588 -1653). In Genua maakte hij onderdeel uit van een kleine maar hechte gemeenschap uit de Nederlanden, en ontwikkelde zich daar tot de belangrijkste kunstenaar in zilver. In deze reliëfs zocht hij de grenzen van de rekbaarheid van zijn materiaal op; de belangrijkste figuren komen bijna los van de ondergrond, maar zijn daar nog wel mee verbonden. Zijn werk is zeldzaam, en nu over de hele wereld verspreid.

HA-0012341

Dezelfde plaquettes, gemonteerd op een wand. Opstelling ca. 1953

De serie werd in 1822 aangekocht door het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, en was enkele decennia eerder, in 1775, in Italië ontdekt door de verzamelaar Arnout Vosmaer (1720-1799). Toen waren het al losse platen en zo zijn ze ook altijd in het Rijksmuseum opgesteld. Niet tot mijn tevredenheid: de onderlinge samenhang gaat verloren als ze naast elkaar op een wand worden gemonteerd. Je weet niet waar je naar kijkt als je niet weet dat ze ooit in de wanden en het deksel van een ebbenhouten kist waren opgenomen. Nu ze voor het eerst in ruim twee eeuwen weer op een doos zijn bevestigd, wordt weer duidelijk wat de bedoeling was. Het licht speelt weer over de reliëfs, benadrukt het sculpturale karakter en brengt ze tot leven.

 

BK-NM-605

Ambrogio Spinola voor de stad Gulik,  H 23 x 54,5 cm

BK-NM-604

Ambrogio Spinola voor Casale Monferrato, H 23 x 56 cm,

Nu de voorstellingen in de juiste volgorde te lezen zijn, blijkt dat een heel ander verhaal wordt verteld dan vroeger gedacht. Ooit was het idee dat de platen hulde brachten aan een beroemde veldheer in Spaanse dienst, Ambrogio Spinola (Genua 1569 – Castelnuova Scrivia 1630). Maar twee van de platen gaan ook echt over hem. Aan één kant is het beleg voor de stad Gulik in het hertogdom Gulik /Berg/Kleef (1619-1622) tegen de Nederlanders te zien, aan de andere een veldslag tegen de Fransen om het hertogdom van Mantua (1628-1631). In beide gevallen is niet het dramatische hoogtepunt, maar de scène daar net voor afgebeeld. Dat betekent dat de kijker het verhaal zelf diende aan te vullen, en er werd dus vanuit gegaan dat deze de geschiedenissen kende. De eerste gevechtshandeling eindigde in een klinkende overwinning, de tweede in een diepe nederlaag. Tijdens de laatste campagne stierf Ambrogio, ziek en berooid.

BK-NM-603

De intocht van Giambattista Spinola en Maria Spinola in San Pietro in Galatina (Sicilië) in 1616, H. 27 x 64,5 cm.

De belangrijkste plek – bovenop de kist – wordt ingenomen door de triomf van zijn zus Maria (Genua ca. 1570 – 1642). De inscriptie rechtsboven vertelt hoe zij en haar echtgenoot Giambattista Spinola (Genua 1575-1625) door de bevolking van het hertogdom San Pietro in Galatina (Sicilië) in 1616 als de nieuwe heersers werden ingehaald. Dat betekent dat niet het leven van Ambrogio, maar dat van Maria centraal staat. Het huwelijk dat op de korte zijde wordt gesloten, is het hare. De weergaven zijn portretten in zilver, afgeleid van degenen in fresco op de muren van hun nog bestaande paleis. Op de tegenhanger recht daar tegenover is te zien hoe haar echtgenoot de sleutels van de stad San Pietro in Galatina worden overhandigd.

BK-NM-607

Het huwelijk van Maria Spinola en Giambattista Spinola in 1596, H 22,7 x 37 cm.

BK-NM-606

Giambattista Spinola ontvangt de sleutels van San Pietro, H 23,3 x 38 cm.

 

In 1636 was Maria de enige van de voorgestelden die nog in leven was, en zij is dan ook waarschijnlijk degene die de opdracht voor dit pronkstuk gegeven heeft. Als oudere vrouw keek zij terug op haar leven, en nam zelfbewust haar plaats in. Aan het nageslacht liet zij weten dat ook zij een hertogdom had veroverd, niet door de inzet van geweld, maar door middel van de liefde. Tegenover de wisselvallige resultaten van haar broer, plaatste zij een bestendige overwinning en benadrukte zo haar superioriteit.

Advertenties

Antwerpse geschiedenissen

Belgium DIVA Diamonds

Op vier mei gingen in Antwerpen de deuren open van DIVA, een nieuw museum voor diamant, zilver en edelsmeedkunst. En natuurlijk was ik daar bij. DIVA vertelt geen chronologische geschiedenis, maar een thematisch verhaal waarin Antwerpen en de Zuidelijke Nederlanden worden bekeken vanuit een Europees perspectief. Soms worden de voorwerpen getoond als unica, soms als onderdelen van een veel breder verhaal. Ieder vertrek heeft een eigen thema, zoals de neerslag van de wereldwijde contacten in het ontwerp, maar ook de verschillende technische mogelijkheden die de juwelier en de edelsmid voor de realisatie daarvan kan gebruiken.

20171214_150237 (2)

Drinkschaal, verguld zilver, 10 x 11,3 cm diam, Antwerpen, 1548/1549, meester met de drietand, DIVA, Antwerpen, inv.nr. S79/356.

Eén van mijn favorieten, een verguld zilveren drinkschaal uit het midden van de zestiende eeuw, wordt gepresenteerd als unicum. Daardoor gaat alle aandacht uit naar het ontwerp, en wat mij aan dit voorwerp zo bevalt, zijn de verhoudingen. Vanaf de zijkant is goed te zien hoe afgewogen de maten van de voet, de stam en de schaal zijn. Ook spannend is dat een combinatie van inspiratiebronnen is gebruikt. Als je hem in gedachten omkeert, zie je dat de voet en de stam zijn vormgegeven als onderdelen van een klassieke tempel. De versiering van de stam doet denken aan een in het midden gesnoerde zuil, het patroon op de voet aan een uit bladeren opgebouwd fries. Kijk je in de schaal, dan zie je een repeterend, volkomen abstract grafisch patroon. Hier wijkt de oudheid voor de gotische gewelfpatronen.

20171214_150303

Hetzelfde voorwerp zou je ook kunnen gebruiken om andere verhalen te vertellen. Als je de vraag stelt of dit object ook al uniek was in de zestiende eeuw gaat het over waardering. Het feit alleen al dat een nauw verwante versie in 1629 door de Haarlemse schilder Willem Claesz Heda (c. 1596-1680) in een stilleven werd opgenomen, geeft aan dat het tachtig jaar later nog steeds interessant werd gevonden, en laat dus de mogelijkheid open dat het model gedurende een langere periode werd geproduceerd. Een ander thema is het gebruik van een drinkschaal. Af en toe zijn dit type schalen op schilderijen afgebeeld, zoals in 1563 op het portret van de Antwerpse koopman Pierre de Moucheron en zijn familie. Verschillende schalen op voet zijn te zien; kennelijk werden ze voor verschillende doeleinden gebruikt: één is er gevuld met wijn, de andere met fruit en gebraden vogeltjes.

0596_repro (2)

Stilleven met roemer en horloge (detail), olieverf op paneel, 46 x 69,2 cm, Haarlem, gesigneerd en gedateerd Willem Claesz Heda 1629, Mauritshuis Den Haag, inv. 596.

SK-A-1537 (2)

Portret van de Antwerps/Middelburgse koopman Pierre de Moucheron en zijn familie (detail), olieverf op paneel, 108 x 246 cm, Antwerpen 1563, Rijksmuseum, inv. SK-A-1537.

Juist omdat de edelsmeedkunst zoveel facetten heeft, is het nodig om de bezoeker een houvast te geven. DIVA gebruikt daarvoor theatrale middelen, met als grootste gevaar dat de geschetste context door de bezoeker wordt ervaren als het hoofdonderwerp. Dan gaan de kunstwerken zelf in het theatraal geweld ten onder, waar zij de hoofdrolspelers zouden moeten zijn. DIVA vermijdt die valkuil succesvol doordat de ontwerpen abstract zijn gehouden, en overal de botten van het gebouw in het zicht zijn gelaten. Bijna in ieder vertrek weet de bezoeker daardoor dat hij zich in een theaterdecor bevindt, en dus ook dat hij zich op de voorwerpen zelf moet concentreren. Dan worden Antwerpse geschiedenissen verhalen over de edelsmeedkunst in al zijn facetten. Gaat dat zien!

“En zag men de heldendaden van het oude Rome leven”

Anders dan je misschien zou denken als je door de zalen van het Rijksmuseum dwaalt, is het werk van de Utrechtse kunstenaar in zilver Adam van Vianen veel zeldzamer dan dat van een schilder als Rembrandt. Omdat het werk van Van Vianen net zo iconisch is voor het verhaal van Nederland in de zeventiende eeuw, verzamelt het Rijksmuseum zijn werk al heel lang stelselmatig; net zo lang totdat alle aspecten van zijn kunst zijn vertegenwoordigd. Het blijft natuurlijk altijd de vraag hoever je daarmee moet gaan. Als het grootste gedeelte van de hoogtepunten in diens oeuvre al in het Rijksmuseum is, wat voeg je dan nog toe? Eigenlijk is het net als met Rembrandt. Marten en Oopje zijn een belangrijke toevoeging omdat ze een heel nieuw aspect tonen van diens werk. Samen met de Nachtwacht, de Joodse bruid en het kleine zelfportret geven deze monumentale portretten een idee van de reikwijdte van de kunstenaar. Hetzelfde principe geldt ook voor Adam van Vianen ; alleen als het voorwerp me echt iets nieuws over deze kunstenaar te vertellen heeft, is het onmisbaar. Een tweede Nachtwacht? Is dat nodig?

2018_NYR_16114_0021_001(an_exceptional_dutch_silver_ewer_by_adam_van_vianen_utrecht_1619) (2)

Marcus Curtius kan, zilver, h. 23 cm, door Adam van Vianen, 1619, Metropolitan Museum New York, aankoop via Christie’s New York 2018.

Afgelopen week werd een kan geveild waarop in verschillende reliëfs het verhaal van de heldhaftige soldaat Marcus Curtius wordt verteld. Op de vraag van de goden om het kostbaarste van Rome te offeren om de stad te redden van de ondergang, ontstak een chaotische discussie over wat dat dan wel niet was. Curtius ried het antwoord : de wapenen en de onverschrokkenheid van zijn soldaten. Hij trok daaruit de logische consequentie, offerde zichzelf en verloste Rome daardoor van haar demonische belagers. 2018_NYR_16114_0021_011(an_exceptional_dutch_silver_ewer_by_adam_van_vianen_utrecht_1619)

Het verhaal is veel vaker afgebeeld; de genialiteit van Adam openbaart zich in de rest van de kan. De in gedachten verzonken oude man op de hals droomt van Curtius heldendaden. De wezens die de doeken rond de buik aanhalen, verbeelden de monsters die de stad in hun greep houden; de grijnzende boeren de bevolking die niet weet waar zij het zoeken moet. Alle elementen worden hier gebruikt om het verhaal te verbeelden, met als gevolg dat een integraal en zelfstandig kunstwerk ontstaat.

Deze schepping van Adam van Vianen staat niet op zichzelf. Op dezelfde manier, en met dezelfde middelen, wordt het martiale Oude Rome gevierd in een iets grotere kan in het Rijksmuseum. De reliëfs rond het lichaam vertellen hier niet één, maar verschillende aan Livius’ Ab urbe Condita ontleende verhalen die ieder de deugd, de opofferingsgezindheid en de onverschrokkenheid van haar soldaten onderstrepen. Net als op de kan in New York wordt het verhaal verder uitgewerkt in de rest van de compositie, al is de oude dromer hier in een jongen getransformeerd, en is het accent verschoven van de vijanden naar de Romeinse onoverwinnelijkheid. Samen met de reliëfs geven de gevleugelde Victoriën aan dat het Romeinse leger overwon dankzij deze karaktertrekken, ongeacht de overmacht van de tegenstander.

20180424_125244

Kan met Romeinse historieën, zilver, 30,4 × 16,5 × 13,9 cm, door Adam van Vianen, ca. 1620, Rijksmuseum, BK-NM-11402, aankoop 1899.

Adam van Vianen schaart zich hier onder de geleerde kunstenaars, de dichters, de schilders en de beeldhouwers die in staat zijn om hun kennis van de geschiedenis van de Oudheid zo te verbeelden dat de daarin besloten diepere boodschap voor de beschouwer direct duidelijk wordt. Maar er is meer aan de hand. Zijn medium biedt andere mogelijkheden dan de beeldende kunsten, en door daar optimaal gebruik van te maken verdedigt hij tegelijkertijd de edelsmeedkunst als zelfstandige kunstvorm. Het kan eigenlijk niet anders of hij heeft geweten dat daarvoor in de Oudheid een heel belangrijke parallel bestond ; het schild dat de god Vulcanus voor de held Achilles had gemaakt, waarop volgens Vondel de heldendaden van het Oude Rome tot leven kwamen.  Opnamedatum: 2012-09-21

Vanuit zijn huis in Amsterdam wenst Adams kan met de Romeinse historieën in het Rijksmuseum zijn collega aan de andere kant van de oceaan veel succes in zijn nieuwe huis. Dat hij in het Metropolitan Museum in New York de bezoekers mag verbazen en verwonderen, en nieuwsgierig mag maken naar de andere kunstwerken in zilver uit de Nederlandse Gouden Eeuw.

Suikerstrooiers

In verschillende opzichten vormde de Republiek een uitzondering in het Europese landschap, onder andere omdat de elite hier veel groter was dan elders. Boedelinventarissen geven bijvoorbeeld aan dat al in het begin van de achttiende eeuw thee door ruim de helft van alle Nederlanders gedronken werd, en het gebruik hiervan dus niet tot een kleine groep beperkt bleef. Datzelfde geldt voor suiker, een andere relatief kostbare smaakstof die in Nederland op veel meer tafels dan elders verscheen.

BK-NM-2751

Strooilepel, zilver, 16,2 × 4,6 × d 4,9 cm, Leiden, 1786?, ongeïdentificeerd meesterteken, BK-NM-2751

Voor Nederlandse zilversmeden betekende dat dat er een veel grotere markt was voor hun waren dan elders. Dat zilveren strooilepels – met gaatjes doorboorde lepels die werden gebruikt om klein gestampte kandijsuiker gelijkmatig over de toen bij het dessert gebruikelijke gerechten te verdelen – relatief gewoon moeten zijn geweest, is uit allerlei gegevens af te leiden. Als in de jaren 1740 door de verschillende gilden in Haarlem wordt gesproken over het merken van kleine keur zilver – de goedkoopste categorie – worden suikerlepels specifiek genoemd als de grootste typen die bij uitzondering in dit lagere gehalte mochten worden uitgevoerd. Kennelijk was het type dus heel gewoon, en de markt groot.

BK-NM-2461

Strooilepel, tin, 15 x 6 x 3,5 cm, Nederlanden, 18de eeuw, Rijksmuseum, BK-NM-2461.

De vorm en de versiering van dit Leidse exemplaar laat zien dat een brede markt ook in andere opzichten andere eisen stelde. In plaats van de toen gebruikelijke vormentaal van het neoclassicisme toont de lepel heel andere esthetische voorkeuren. De steel met het vogeltje is een traditioneel element dat sinds de zeventiende eeuw in het Nederlandse zilver aanwijsbaar is, de vorm en de versiering van de bak sluiten aan bij het Frans georiënteerde barok dat in de jaren 1740 toonaangevend was. Heel grappig is het morenhoofdje op de onderkant van de steel; dit element verwijst naar de herkomst van de suiker uit exotische werelddelen. Dezelfde wat hybride vormentaal kom je ook tegen bij andere voorwerpen voor een breed publiek. Vergelijk hem maar eens met een tinnen strooilepel, door het materiaal een veel goedkoper alternatief.

BK-1973-181

Strooilepel, zilver, 17,0 × 6,1 cm, Oss, 1848, door Johannes Lambertus Kroymans, Rijksmuseum, inv. BK-1973-181

In de negentiende eeuw lijken nieuwe ideeën zich in een veel sneller tempo te hebben verbreid, en juist in voorwerpen voor een brede markt zijn de nieuwe verhoudingen snel zichtbaar. Eén van mijn favorieten is het neogotische exemplaar dat in 1848 door Johannes Lambertus Kroijmans (Den Bosch 1808 – Schijndel 1881) werd gemaakt in het Brabantse Oss. Het voorwerp is één van de vroegste Nederlandse voorbeelden van het historisme in zilver, en bovendien één van de weinige wereldlijke voorwerpen waarvoor de gotiek als inspiratiebron werd gebruikt. Zeker als je bedenkt dat voor 1800 Oss een centrum was waar slechts enkele edelsmeden met moeite het hoofd boven water konden houden, en dus nieuwe ideeën maar langzaam ingang vonden, zegt het feit alleen al dat dit voorwerp daar kon ontstaan, veel over de hernieuwde vitaliteit van Brabant in de negentiende eeuw.

Voor mij als Hollander is niet eenvoudig invoelbaar waarom een Brabantse museumdirecteur nu de behoefte heeft om het belang van zijn museum te onderstrepen door een beroep te doen op beroemde kunstenaars die in die regio geboren zijn. Waarom zou je willen bewijzen dat Brabant er toe doet door dezelfde retoriek te gebruiken als Randstedelijke musea, zeker als de kunstenaars waarnaar wordt verwezen elders werkten en dus ook in andere musea in Nederland en daarbuiten veel beter zijn vertegenwoordigd? Wie het provincialisme achter zich wil laten, moet vertrouwen op de kracht van het eigen verhaal, en dan heb je alle getuigen van het verleden hard nodig. Ook suikerstrooiers…

Email uit de Gouden Eeuw

Ons beeld van de Nederlandse edelsmeedkunst in de zeventiende eeuw wordt in grote lijnen bepaald door datgene wat nu nog als zodanig herkenbaar is. Dat klinkt als een open deur (en dat is het ook) totdat je bedenkt wat de consequenties daarvan zijn. Omdat alleen grote voorwerpen in eerste gehalte zilver en goud volgens de toenmalige regels met stadskeur, jaarletter en meesterteken dienden te worden gemerkt, staan deze op de voorgrond. Andere soorten waarvan niet direct bewijsbaar is dat ze in Nederland zijn gemaakt, worden dan makkelijk vergeten.

NG-NM-9659 (2)

De tocht naar Chatham, email op goud, Den Haag? 1667

Grote gouden voorwerpen met onderdelen in geschilderd email als de Chathambeker uit 1667 nemen nu een geïsoleerde positie in, en worden dus als uitzondering beschreven. Dat in werkelijkheid volledig geëmailleerde gouden voorwerpen in Holland vanaf de jaren 1630 in grote aantallen werden gemaakt, weten we omdat de techniek vanaf dat moment continue in de archiefbronnen besproken wordt. De Hollandse gilden maakten zich zorgen omdat de stukken niet konden worden gemerkt zonder de objecten te beschadigen. Daardoor werd de deur opengezet voor allerlei typen vervalsingen – met als belangrijkste met email overdekte sieraden en medaillons die als 23 ¼ karaat goud werden verkocht, maar in werkelijkheid van een veel lager gehalte bleken te zijn.

SK-A-4371

Portret van Frederik Hendrik, email op goud, 4,3 x 3,4 cm, Parijs, toegeschreven aan Henri Toutin, ca. 1647, de kast Nederland?, ca. 1650, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4371.

Allerlei losse gegevens die ik in de afgelopen jaren heb verzameld, laten zien dat volledig geëmailleerde voorwerpen van hoge kwaliteit niet alleen in Nederland werden gemaakt, maar ook werden geïmporteerd; toen bijvoorbeeld een neef van de Amsterdamse burgemeesterszoon Pieter de Graeff in 1660 een bezoek aan Parijs bracht, reisde hij in opdracht van de familie thuis nog even door naar Blois omdat daar de mooiste geëmailleerde horloges te krijgen waren. Het stadhouderlijk hof bestelde in de late jaren 1640 vanuit Den Haag portretten in email in Parijs, bij de belangrijkste kunstenaars in dit materiaal van dat moment, Henri Toutin (1614-1683) en Jean I Petitot (1607-1691). Veelzeggend detail – de Oranjes reisden niet zelf af om te poseren voor de schilder in email, maar stuurden door Gerard van Honthorst geschilderde portretten die vervolgens in email werden gekopieerd.

kastFH

Kast om het portret van Fredrik Hendrik, achterzijde.

Met een medaillon om een portret in email van Frederik Hendrik is iets bijzonders aan de hand. Als je de kast vergelijkt met degenen die door de Parijse emailleurs gewoonlijk werden afgeleverd, is deze duidelijk afwijkend. Waar het medaillon om het portret van de Engelse koning Karel I in een feestelijke omlijsting met allerlei kleurrijke patronen is geplaatst, is degene om dat van Fredrik Hendrik veel eenvoudiger; op een zwart fond is een krans oranjetakken met viooltjes geplaatst. Het monogram HAVO op de achterkant combineert de initialen van Hendrik met die van zijn echtgenote, Amalia. In een tweede kast in de Koninklijke Verzamelingen die op precies dezelfde manier is versierd zit een portret van hun zoon, stadhouder Willem II. Het monogram op die kast combineert de initialen van vader en zoon.

SK-A-4370

Portret van Karel I, koning van Engeland, email op goud, met kast 6,5 x 5,5 cm, Parijs, gedateerd en gesigneerd Henri Toutin 1636, Rijksmuseum Amsterdam, SK-A-4370.

De monogrammen laten zien voor wie de kasten zijn gemaakt, en wat de intentie daarvan was; alle lijnen komen samen in de echtgenote en de moeder van de voorgestelden, Amalia van Solms. Kennelijk heeft zij de Parijse kasten laten vervangen door veel eenvoudiger versies in zwart, als uitdrukking van haar rouw. In 1647 was haar echtgenoot overleden, in 1650 haar zoon. In combinatie met de vermelding dat er in Den Haag en elders in Holland op dat moment emailleurs actief waren, rechtvaardigen deze gegevens de veronderstelling dat ze niet in Parijs, maar op een later moment -bijvoorbeeld in Den Haag- kunnen zijn gemaakt.

Wat nou: pronk?

Opnamedatum: 2014-09-12

Theepot, zilver, 12,1 x 21 x 11,7 cm diameter, Amsterdam 1696, toegeschreven aan Hendrik Daniëlsz van Pruyssen, Rijksmuseum, BK-1967-1.

Van bezoekers krijg ik bijna altijd dezelfde vragen: waar dient het voor, hoe is het gemaakt, en wat kost dat nou? Sec beschouwd zijn het geen vragen waar ik iets mee kan, omdat de antwoorden te generiek zijn. Zo kan ik bij deze zilveren theepot volstaan met te vertellen dat hij werd gebruikt om thee uit te schenken, en dat hij zo klein is omdat men toen op een andere manier thee zette dan wij nu. Het eerste probleem dat ik met dit type verhalen heb, is dat je ditzelfde bij iedere theepot kan vertellen, en dat je de bezoeker dus geen handvatten geeft om te kunnen genieten van dit zilveren exemplaar.

AK-RBK-16309-B

Theepot, porselein, 9 x 17 x 12 cm diameter, China, ca. 1700-1724, Rijksmuseum, inv. AK-RBK-16309-B, legaat J. Drucker Fraser, 1949

Dat een zilveren theepot duurder was dan een van porselein kan je op je klompen aanvoelen, maar het wordt interessanter als je weet hoe groot het verschil was. Op de porseleinveilingen van de VOC leverde een Chinees porseleinen theepot met een schildering in blauw rond 1700 90 cent op. Deze zilveren theepot kostte alleen al aan materiaal ruim veertig keer zoveel, en met arbeidsloon kon dat oplopen tot meer dan het dubbele daarvan. In New York is nu een hele tentoonstelling rond dat gegeven te zien, waarbij de contemporaine waarde van alle kunstwerken is uitgedrukt in hun tegenwaarde in koeien. Voor een zilveren theepot kocht je bijna vier melkkoeien, tegen een halve achterpoot voor haar equivalent in Chinees porselein.

In beide gevallen gaat het om voorwerpen die in hun eigen tijd relatief kostbaar waren, en het lijkt wel of moderne (kunst-)historici daar geen weg meer mee weten. Met een zeer geleerd gezicht worden alle soorten weggezet onder de noemer ‘luxe-industrie’, of afgedaan met een ‘dat is allemaal voor de pronk’. Niet alleen zijn beide termen inhoudsloos, maar ook suggestief: luxe impliceert immers dat het om overbodige voorwerpen gaat, en met ‘pronk’ zet je zowel de toenmalige opdrachtgever als de bezoeker (die wel in dit voorwerp is geïnteresseerd) weg als opschepper, al dan niet in commissie.

BK-1989-28 (2)

Theebus, zilver, verguld, 8,8 × 7,5 cm, Amsterdam 1677, onleesbaar meesterteken, Rijksmuseum, inv. BK-1989-28, schenking van mevrouw J.E. van Schendel-Reesink, Amsterdam.

Dit type (kunst-)historicus doet mij denken aan kolonialen op reis in donker Afrika : zo overtuigd van eigen morele superioriteit dat er geen enkele ruimte meer is voor de werkelijkheid van het gebied en de cultuur van de mensen die daar wonen. Voor een ieder van ons is het verleden een vreemd land met eigen gewoonten en waarden, en als je je dan laat verblinden door moderne morele veroordelingen ontgaat de werkelijkheid je totaal. Wil je weten wat er echt aan de hand was, dan moet je open vragen stellen. Bijvoorbeeld: Waarom werd vroeger zoveel meer tijd, geld en energie aan de theetafel besteed dan nu? Een deel van het antwoord is dat het drinken van thee vroeger een belangrijk ontvangstmoment voor vrouwen was, waarop zij haar vriendinnen kon laten zien wie zij was. Het gaat dus niet om zomaar een gebruiksvoorwerp, maar om een bijzonder object voor een bijzonder moment.

Opnamedatum: 2014-09-12

Dat zie je ook aan deze theepot, een voorbeeld van een nieuw type lichtspel dat vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw in Amsterdams zilver aanwijsbaar is. Op allerlei manieren werd gestreefd naar contrasten, waarvoor alles uit de kast werd gehaald. Om de scherpe overgangen tussen het gegraveerde patroon en de geruwde achtergrond te realiseren werden de patronen eerst uitgezaagd in een plaatje zilver en vervolgens op de achtergrond gesoldeerd. Dit is geen pronk, of duurdoenerij, maar een nu uiterst zeldzame getuigenis van een heel verfijnde en persoonlijke smaak.

De kracht van de verzamelaar

BK-NM-7322-B

Drie sierstukken, email pliqué, goud, gouddraad en email, gemiddeld 1,6 cm diameter, Parijs, ca 1300, ex. collectie Lupus, inv. BK-NM-7322.

Nederlandse openbare collecties kunnen niet zonder verzamelaars. Waar instanties niet altijd het belang van bepaalde soorten voorwerpen inzien, investeren zij veel tijd, geld en energie in het bij elkaar brengen van collecties; om te redden wat er nog te redden is van het verleden, of omdat ze meer willen weten van een bepaald aspect daarvan. De basis van de collecties edele metalen in het Rijksmuseum wordt gevormd door de schatten van de Utrechtse kapittelkerken, voorwerpen van opgeheven instanties als de West Indische Compagnie, en natuurlijk de kostbaarheden van het Koninklijk Huis die in 1816 in één van de voorgangers van het Rijksmuseum werden ondergebracht. Al heel snel kwamen daar de eerste particuliere verzamelingen bij.

BK-NM-7323 (3)

Plaquette met het oordeel van Paris, email op koper, 22,8 cm × 20,2 cm, Limoges?, ca. 1530, Rijksmuseum, ex collectie Lupus, inv. BK-NM-7323.

Nu heeft waarschijnlijk niemand ooit gehoord van Joseph-Désiré Wolff (Binche 1766-Brussel 1822), die zichzelf Joseph-Désiré, chevalier primat Lupus noemde. Hij was een kleurrijke figuur die tijdens de beginjaren van de Franse Revolutie in Parijs verbleef, en zich ontfermde over bedreigde kerkelijke goederen uit de Zuidelijke Nederlanden en het Noorden van Frankrijk. Zijn collectie werd in 1817 naar Brussel overgebracht, in zijn geheel aangekocht door de Staat der Nederlanden en ondergebracht in de nationale musea in Den Haag. Wat deze aankoop in retrospectief zo interessant maakt, is de volstrekte afwezigheid van historisch-nationalistische overwegingen. Volgens een Britse toerist was de verzameling in 1818 onder andere belangrijk vanwege de cameeën en intaglio’s uit de oudheid en de renaissance – nu in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden – en de verschillende soorten email. Voorbeelden zijn de drie plaatjes in email pliqué, waarvoor nu alleen parallellen bekend zijn in het Musée Cluny in Parijs. Ze behoren tot de uiterst zeldzame getuigen van de Parijse edelsmeedkunst rond 1300. Daaruit en uit andere voorbeelden blijkt overduidelijk dat het kennelijk om de spullen zelf ging, en dat betekent dat men in Den Haag in de vroege negentiende eeuw kennelijk streefde naar een Europees overzicht in hoogtepunten.

BK-NM-7323 (2)

De dichter Vergilius en zijn muze

Pas sinds kort is het belang duidelijk geworden van een omstreeks 1530 op koper geschilderde geëmailleerde plaquette uit dezelfde verzameling. Ze kan worden verbonden met een unieke serie die nu over allerlei musea wereldwijd is verspreid. De plaquette in het Rijksmuseum laat de eerste scène zien, en bevat de sleutel tot de ontcijfering van de betekenis ervan. Rechts bovenin zit de dichter Vergilius, en de reeks heeft dus kennelijk betrekking op één van zijn boeken. Als in een stripverhaal is hier het begin van de Aeneïs afgebeeld; alle ellende was begonnen met de keuze van de Trojaanse prins Paris voor de godin Venus, die van de Liefde. De door hem afgewezen godinnen Juno – de heerseres – en Minerva – de wijsheid – namen dat zo maar niet, en deden vervolgens alles om de Trojanen dwars te zitten. Zo hadden de schikgodinnen prins Aeneas beloofd dat hij de stad op de achtergrond op de berg -Carthago– zou veroveren, maar Juno stak daar vervolgens een stokje voor. De andere 81 plaquettes laten telkens een ander verhaal uit de omzwervingen van Aeneas zien.

BK-NM-7323 (5)

De schikgodinnen voor de stad Carthago

De serie is de eerste met een wereldlijk onderwerp die waarschijnlijk in het Franse Limoges werd gemaakt, en luidde daar een nieuwe bloeiperiode in. Wat we nog niet weten is hoe dit puzzelstukje past in het verhaal van de Nederlanden, al is uit andere bronnen inmiddels wel bekend dat het patroon veel internationaler was dan de klassiek vaderlands historicus graag zou willen.

Maar dat is niet de enige reden waarom ik het verhaal van Lupus wilde vertellen. Anders dan gevestigde musea hebben verzamelaars geen verzamelplan, en kunnen zij het zich dus veroorloven om te experimenteren. Zo heeft Annelies Krekel-Aalberse als één van de eersten de twintigste eeuw in zilver verkend, en gebruikte zij haar eigen verzameling als bron voor haar onderzoek en publicaties. Dankzij de inspanningen van Annelies, de Vereniging Rembrandt en de Mondriaan Stichting hebben de vier Nederlandse musea voor wie de kunstnijverheid van de twintigste eeuw een belangrijk zwaartepunt is – het Gemeentemuseum in Den Haag, Museum Boymans van Beuningen in Rotterdam, het Drents Museum in Assen en het Zilvermuseum in Schoonhoven – een belangrijk deel daarvan verworven en veilig gesteld voor ons allemaal. Maar het begint met de verzamelaar…