Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

Chatham vereeuwigd in goud

In deze week wordt in Nederland en in Engeland herdacht dat het 350 jaar geleden is dat de Nederlandse vloot de Engelse marinebasis veroverde. Of je het nu de Tocht naar Chatham, de Raid of the Medway of the Battle of the Medway noemt, feit is en blijft dat deze gebeurtenissen eind juni 1667 een kruispunt vormden in de maritieme geschiedenis. De Nederlandse vloot bevestigde hiermee haar supprematie op de wereldzeeën, en voor de Britten was deze nederlaag een hardhandig teken aan de wand dat de organisatie en de financiering van de vloot diende te veranderen, wilde zij ooit de Nederlandse kunnen evenaren (laat staan overtreffen).

NG-NM-9659

Gouden bokaal voor Michiel de Ruyter, 30 × 15 cm diameter, Den Haag, 1667, toegeschreven aan Nicolaes Loockemans, Rijksmuseum, inv.nr. NG-NM-9659, legaat van jkvr. Hester Catharina Henriëtte Cécile des Tombe (1821-1892), weduwe Willem Jan graaf van der Goltz (1798-1863), 1892.

Voor mij is Chatham onlosmakelijk verbonden met de gouden bokaal die door de Staten van Holland werd aangeboden aan Michiel de Ruyter. Het stuk vertegenwoordigt een belangrijk moment in de geschiedenis van de edelsmeedkunst, omdat bewust een monument in goud werd gecreëerd om aan het nageslacht duidelijk te maken hoe belangrijk deze overwinning was. In hun vergadering van 2 juli besloten de Staten van Holland dat drie gouden bokalen zouden worden gemaakt voor de kopstukken, Michiel de Ruyter, Willem Joseph van Ghent en Cornelis de Witt, met daarop de belangrijkste successen, ‘niet tot enige recompense, maar tot een gedenckteken in hunne familie en voor de posteriteyt’. Of in gewoon Nederlands, niet als vergoeding/bonus, maar als monument, om door te worden gegeven in de familie en uiteindelijk aan het nageslacht.

Dat had belangrijke implicaties voor de moeite die men zich gaf. Precies zoals voorschreven door de Staten van Holland, is het meest in het oog springende onderdeel het fries met de belangrijkste fasen uit de Tocht naar Chatham. En dat nog wel in kleur. Email peint, of in het Nederlands schilderemail, is een complexe techniek; laag voor laag aangebracht en dus meerdere keren in de emailleeroven gestookt, was het risico op problemen groot. De techniek was hypermodern; in het midden van de zeventiende eeuw in Frankrijk ontwikkeld, is dit één van de vroegste en tegelijkertijd ook meest ambitieuze zeventiende-eeuwse voorbeelden.

NG-NM-9659 (2)

RP-P-OB-82.058 (2)

Reproductie van het fries  op de gouden beker van Cornelis de Witt, ets, 238 × 480mm, Daniël Veelwaard (I), naar Abraham Teerlink, 1786?, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-82.058.

Door het gebruik van kleur wordt een contrast bereikt met de gouden omlijsting, en wordt dus visueel verteld wat het belangrijkste is. Maar daar houdt het verhaal niet op. Het ontwerp en de uitvoering van de bokaal onderstrepen op allerlei manieren het belang van deze victorie. De verhoudingen en de opbouw herinneren aan een antieke tempel, met plint, fries en hoofdgestel, en het ornament verwijst naar de belangrijkste klassieke bouworde, de Korintische. Dat is zeker niet toevallig, omdat volgens de klassieke architectuurtheorie deze orde alleen voor de belangrijkste en dus ook feestelijkste gebouwen mocht worden gebruikt. Als je inzoomt op de uitwerking van het ornament, en deze vergelijkt met echte Romeinse kapitelen, wordt duidelijk dat de antieke rijen acanthusblad niet zijn gekopieerd, maar als uitgangspunt zijn gebruikt voor een nieuwe schepping.

Afbeelding3

Kapiteel van het Pantheon, Rome, 126 AD

NG-NM-9659 (4)

Friezen met acanthusblad, Den Haag 1667

Door de verwijzingen naar de oudheid wordt Chatham op hetzelfde niveau geplaatst als de legendarische overwinningen uit de Oudheid, en dus uitvergroot van een gewone zeeslag tot een gebeurtenis van epische proporties. Als voertuig voor de herinnering zijn de bokalen uitzonderlijk succesvol geweest. Dat twee van de drie gemaakte exemplaren de tijd hebben overleefd, geeft al aan dat ze door het nageslacht zijn gekoesterd. Precies zoals de bedoeling was, heeft de tocht naar Chatham legendarische proporties aangenomen. In verschillende Britse en Nederlandse musea worden de gebeurtenissen nu uitvoerig herdacht en gevierd.

Sound the trumpet!

NG-NM-561

Natuurtrompet, zilver en passement in zijde en zilverdraad, 63,8 x 11,5 cm diam, London, 1-12-1813/30-3-1814, William Troby in opdracht van William Sandbach, in 1814 geschonken aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden door de lijfwacht te paard van Koning Willem I, Rijksmuseum, inv. NG-NM-561.

De afgelopen weken heeft het Rijksmuseum veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de muziek, die op een bijzondere manier door de bestaande opstelling verweven is. Vroeger speelde ik trompet, en het zal dan ook niemand verbazen dat ik een warm plekje heb voor de zilveren natuurtrompet waarvan de triomfantelijke klanken door de Waterloo zaal klinken.

Zilveren trompetten klinken niet anders dan dezelfde modellen in koper, en werden dus voor een speciaal doel in dat veel kostbaarder materiaal uitgevoerd. Dit exemplaar is een geschenk van Koningin Wilhelmina van Pruissen aan de lijfwacht te paard van Koning Willem I. Bij de ceremoniële intocht ter gelegenheid van de inhuldiging op 30 maart 1814 in Amsterdam omringde de lijfwacht de koets van de koningin.

RP-P-OB-87.095

Intocht van prins Willem Frederik te Amsterdam, 1813, ets, h 151mm × b 196mm, Rijksmuseum inv. RP-P-OB-87.095.

De lijfwacht te paard bestond uit vrijwilligers onder leiding van Jean Charles graaf van Bylandt (1776-1841). Na de aankomst van de prins op 30 november 1813 in Nederland werd daar nog steeds actief oorlog met de Fransen gevoerd, en de lijfwacht te paard zorgde voor de fysieke veiligheid van de koning zolang dat nodig was. In de zomer van 1814 werd het korps ontbonden. In overleg met de Koning werd vervolgens besloten om het ereteken onder te brengen in één van de voorlopers van het Rijksmuseum, het net opgerichte Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden in Den Haag. Als getuigenis van hun dapperheid en trouw, werden de reden van het geschenk en hun namen voluit op de beker van het instrument gegraveerd.

NG-NM-561 (4)

Volgens de krantenberichten had de koningin het stuk speciaal voor de gelegenheid in Engeland laten maken. Anders dan soms wel wordt gedacht, is de maker van het stuk niet de Londense instrumentmaker William Sandbach.  Waarschijnlijk is het instrument bij hem gekocht, en speelde hij in dit geval de rol van bemiddelaar. De opdracht is tussen 1 december 1813 en 30 maart 1814 uitgevoerd door de Londense zilversmid William Troby, die zich in 1812 net had laten inschrijven bij de Goldsmithshall. Het door Sandbach beschikbaar gestelde model in koper, is door Troby in zilver vertaald. Als bewijs dat het instrument aan materiaal minimaal 925/1000 zilver bevatte, en dat de in Engeland daartoe verschuldigde belasting was betaald, zijn alle onderdelen afzonderlijk door de Goldsmithshall gemerkt. Waarschijnlijk heeft de zilversmid ook de gedreven versiering van de mondrand bedacht en uitgevoerd.

Als één van de eerste aanwinsten van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in zilver, geeft het stuk een bijzonder inzicht in de signatuur van de verzameling die men in het begin van de negentiende eeuw voor ogen had. Bijzondere eigentijdse eretekenen werden ingezet als illustratie van de recente geschiedenis. Omdat het stuk al zo vroeg in de collectie is opgenomen, en dus maar enkele maanden is gebruikt, zijn zowel het instrument als het zilverpassement en de kwasten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Hoe zo’n pronkstuk klinkt kun je nu voor het eerst sinds 1814 weer horen:  Sound the Trumpet!

20170531_130559

Kracht en Voorzichtigheid

BK-1958-72

Bokaal van het kapiteinschap van Jan Berewout, zilver, gedeeltelijk verguld en geëmailleerd, H. 54,5 cm, diam. 17,4 cm, Amsterdam 1705, het corpus toegeschreven aan Jacobus van den Bergh II, de modellen door Jan Lanckhorst, Rijksmuseum, geschenk van de kunsthandel Rosenberg & Stiebel, New York, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Rijksmuseum, inv. BK-1958-72.

 

In de late Gouden Eeuw kende het Nederlandse zilver een grote verscheidenheid. Naast nauwelijks versierde volledig gladde voorwerpen, kenmerkend voor het strakke classicisme, ontstonden er ook veel complexere kunstwerken met een veel uitgesprokener versiering. Een heel team werd ingeschakeld: voordat het voorwerp kon worden gemaakt, werden ontwerp- en presentatietekeningen besteld, en soms ook driedimensionale modellen voor sculpturale onderdelen. Ook de realisatie van het object kon in handen zijn van verschillende specialisten; in dit geval werkte de zilversmid samen met gieters, drijvers, graveurs en emailleurs.

 

 

Opnamedatum: 2012-06-22

Zo’n hoogtepunt is de bokaal van het Groene Regiment van de Amsterdamse schutterij, geschonken door de officieren ter ere van hun meerdere, Jan Berewout (1666-1726). De sculpturen op het deksel en de voet zijn gemodelleerd door de beeldhouwer Jan Lanckhorst (1668-1744), en hij werkte ook aan de drie reliëfs op de bekerwand. De zilversmid, mogelijk Jacobus van den Bergh, was in eerste instantie coördinator, maar had ook een actieve rol. Hij maakte de gladde onderdelen, de sierranden, en zorgde ervoor dat de sculpturale onderdelen werden gegoten en afgewerkt. En ook daarvoor werd een beroep gedaan op een heel leger aan specialisten: ciseleurs, vergulders, emailleurs en graveurs. Doordat de zilversmid alle inspanningen coördineerde en controleerde kon een uitzonderlijke kwaliteit worden bereikt.

Opnamedatum: 2012-06-22

Monumentale Gesamt-kunstwerken uit de Gouden eeuw, zoals de paleizen van de stadhouders en de grote burgerij kwamen op dezelfde manier tot stand. Ook daar werkte een heel team kunstenaars aan één project, onder aanvoering van een coördinator. Toch is er ook een groot verschil; waar een sculptuur, schilderij of interieur voor een breed publiek was bedoeld, opent een zilveren kunstwerk zich alleen in klein comité. Alleen bij bijzondere gelegenheden kwam het stuk op tafel, en had dan automatisch de hoofdrol. Verzekerd van de volle aandacht van de kijker, konden zo complexe verhalen met meerdere lagen worden verteld.

De vrijstaande sculpturen verbeelden Kracht en Voorzichtigheid, begrippen die in de Republiek werden gebruikt als leidraad voor de militaire politiek. Als je investeert in een sterk leger, schrik je de vijand af, en kun je fysieke oorlog vermijden. Voorzichtigheid is de andere leidraad; misschien kom je er met praten ook wel uit en is het niet direct nodig om naar de wapens te grijpen. De voorstellingen op de wand breiden het verhaal uit; verhalen uit de klassieke oudheid worden ingezet als waarschuwing tegen broedertwist en als leidraad voor het bewaren van de harmonie, waardoor de overwinning binnen handbereik ligt. Daardoor wordt de bokaal een uitdrukking van de identiteit van de officieren van de Amsterdamse schutterij.

Opnamedatum: 2012-06-22

 

Ode aan de parelaar

BK-1977-41

Theebus, zilver, 9,8 × 13,1 × 8,5 cm, Amsterdam 1797, door Pieter van Reidt, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1977-411, Legaat van mevrouw V.R. van Poelgeest-Spatkowa, Amsterdam.

Een zilveren voorwerp is bijna altijd een Gesamtkunstwerk, en dus het resultaat van een samenwerkingsverband. Soms weten we dat omdat er contracten of gedetailleerde rekeningen bewaard gebleven zijn, voor aspecten als het tekenen van ontwerpen en het modelleren van onderdelen. Minder vaak krijgen we inzicht in het maakproces. Soms blijkt het voorwerp dan door de handen van een hele reeks specialisten te gaan; voor gehamerde onderdelen, gegoten sculpturen, gegraveerde en gedreven voorstellingen maar ook voor randversieringen kon een hele rij meestal anoniem gebleven virtuozen worden ingeschakeld.

BK-1957-4-B (2)

Wanneer en waar een beroep op hen werd gedaan, hing natuurlijk af van de opdracht. Toen in het derde kwart van de achttiende eeuw het klassiek architectonische kader opnieuw toonaangevend geworden was, lag de nadruk meer op maat en maatvoering, en bestond het ornament uit meestal repeterende motieven. Of de versiering nu heel overdadig was, of tot een minimum beperkt, er was bijna altijd wel ruimte voor de parelrand, een reeks bolletjes waarmee de vorm wordt geleed en afgerond.

BK-1977-41 (2)

De vorm en de uitwerking van bijvoorbeeld de theebus van Van Reydt zijn de creatie van de zilversmid zelf, maar voor specifieke aspecten konden specialisten worden ingeschakeld. Een hele precieze, repeterende en dus ongetwijfeld ook heel vervelende klus was het perfectioneren van de bolletjes, zodat ze allemaal even groot en rond werden. Daarvoor werden metalen ponsen of stiften gebruikt waarvan het uiteinde de vorm van een halve bol heeft. Het Amsterdam Museum heeft een hele serie van die ponsen, van verschillend formaat.

wwwopac (2)

Vijf parelponsen, ijzer, ca. 1800, Amsterdam Museum inv.nr. 1156.1/5.

In Amsterdam, waar op dat moment één van de grootste Europese concentraties goud en zilversmeden woonde en werkte, was deze productie al in 1767 al zo omvangrijk dat er ruimte was voor een gespecialiseerde parelaar, die niets anders deed dan ‘Craalengoed’ maken, voor komforen en manden in soorten en maten, maar ook voor olie- en azijnhouders ‘en meer andere soorten’. Over de resultaten van zijn werk kijk je letterlijk makkelijk heen. Pas als je je in de verschillende soorten parelranden verdiept, verschijnt een eindeloze variatie en dus een indruk van zijn virtuositeit.

BK-1957-4-B

Kandelaar, zilver, 19 × diameter 9.9 cm, Amsterdam 1785, door Johannes Schiotling, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-1957-4-B.

Engeltjes

bk-17071

Hanger, Amor, Duitsland?, ca. 1600, op voetstuk ca. 1700, de hanger goud, email en edelstenen, met voetstuk h 11 cm × b 6,5 cm, BK-17071

Sinds de oudheid worden engeltjes gebruikt om boodschappen af te geven, en overal in de vitrines van het Rijksmuseum kun je ze zien. In de renaissance werden ze geïncorporeerd in grote en kostbare juwelen, maar ook in veel eenvoudiger versies.

bk-17058

Hanger met Amor in een nis, Duitsland?, ca. 1560-1580, goud, email en edelstenen, 5,5 × 3,9 cm, Rijksmuseum, BK-17058

dijkgraaf 024Soms zie je zulke juwelen in een Nederlandse context verschijnen, zoals op het portret van de Friese Geertrui van Engelstede uit omstreeks 1630, nu in de collectie van het gemeenlandshuis van Rijnland in Leiden. Al deze engeltjes spreken duidelijk één taal, die van de liefde.

bk-1989-13

Coupe, Parijs, ca. 1849, door François-Désiré Froment-Meurice, zilver, gedeeltelijk verguld, parels, 36,3 × 25,6 × 19,4 cm, Rijksmuseum, inv. BK-1989-13.

In de loop van de negentiende eeuw werden deze voorwerpen opnieuw ontdekt, en vormden zij een inspiratiebron voor nieuwe dromen. Eén van mijn favorieten in het Rijksmuseum is een drinkschaal van de toen wereldberoemde juwelier François-Désiré Froment Meurice uit omstreeks 1849. In 1851 werd het stuk door James Mayer baron de Rothschild (1792-1868) geschonken aan Michel Benoît Poisat Saint-André (1802- 1869), ter gelegenheid van diens 25-jarig huwelijk. Vreemd is de keuze voor juist dit pronkstuk niet. Zowel De Rothschild als Poisat waren liefhebbers van de edelsmeedkunst; De Rothschild bouwde in deze jaren één van de belangrijkste collecties oude edelsmeedkunst op; de industrieel Poisat was essayeur en smelter voor de Parijse munt in het groot.

bk-1989-13-3

Als huwelijksgeschenk doet het ons wat vreemd aan. Het heeft meer van een nachtmerrie. Alle ondersteunende onderdelen zijn opgelost in spitsbogen, bladeren en blazen, en doen nog het meeste denken aan een middeleeuwse kathedraal. Bovenop staan draken klaar, met opengesperde bekken om elkaar vol onder vuur te nemen. In dit oorlogsgebied is het engeltje in de voet de sleutel. Met zijn drietand staat hij op het punt om één van de gevleugelde monsters te vermoorden, en brengt zo de harmonie in de liefde weer terug.

bk-1989-13-2

In blijde verwachting

bk-17117

Drinkschaal in de vorm van een schip, het slijpwerk Milaan 1550-1575, de monturen ca. 1600 en ca. 1880, bergkristal, goud en email, 18,7 × 27,1 × 23,9 cm, afkomstig uit de schatkamer in Dresden, Rijksmuseum, inv. BK-17117.

Wie vroeger het recht had om als eerste het gezelschap uit te nodigen tot het drinken van een erebeker, wat de toast mocht zijn en uit welke beker er werd gedronken, was in de internationale hofcultuur precies vastgelegd. Vooraf aan de maaltijd die ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel van Oostenrijk tot koning van Bohemen in 1723 in Praag werd gegeven, werd negen keer geproost. De belangrijkste als laatste: na op de gezondheid van de keizer en de keizerin gedronken te hebben, leegden de 144 heren nog één keer het glas op de toekomst. Op Hänsel-im-Keller, het nog ongeboren keizerlijk kind. Voor alle ‘gezondheden’ werd een speciaal daarvoor uit de Weense schatkamer meegebrachte bergkristallen drinkschaal gebruikt, die dus in totaal 1296 keer met de beste Tokay werd gevuld. En toen moesten de heren nog aan tafel…

In de Republiek was drinken op Hansje in de Kelder heel gewoon, zoals blijkt uit één van de gedichten van de secretaris van het Oranje-hof, Constantijn Huygens (1597-1687). In Cluys-werck nam hij afstand van de overvloedige drinkcultuur van zijn tijd, en beschreef hij het drinken op Hansje in de kelder als één van de vele excuses van de dronkenman. Speciale voorwerpen voor speciale gelegenheden noemt Huygens niet, maar uit achttiende-eeuwse woordenboeken en encyclopedieën is bekend dat met een Hansje in de Kelder ook een type zilveren drinkschaal kon worden bedoeld. In het midden van de schaal is een gesloten bol aangebracht waaronder een kindje op een vlotter is verborgen. Als je de schaal vult met wijn, opent de bol zich en komt het kindje te voorschijn. Hoe dat werkt? Kijk maar hier.

bk-nm-13029

Hansje in de Kelder, Groningen 1669-1670, toegeschreven aan Focke Raerda, zilver, deels verguld, h.22,5 cm x diam. 14,4 cm, Rijksmuseum, bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, inv. BK-NM-13029 (KOG-1679).

In het Rijksmuseum zijn er verschillende, waarvan de mooiste omstreeks 1670 in Groningen is gemaakt. Het abstracte, uit kwabmotieven en maskers samengestelde patroon waarmee de voet en de binnenkant van de schaal zijn versierd, behoort tot het voor luxueuze voorwerpen gewone repertoire en ook de combinatie in zilver en verguld was toen modern. ‘Bont zilver’ wordt in verschillende inventarissen als aparte categorie genoemd. Deze versie is ook bijzonder omdat op het klepje een ridder is geplaatst. Hij dient als tegenwicht: het kindje daaronder wordt alleen zichtbaar als je het figuurtje weghaalt. Uit alles blijkt dus dat dit een speciale opdracht is geweest; jammer genoeg weten we nog niet voor wie de kelk is gemaakt omdat de wapens op de voet nog niet zijn geïdentificeerd.

bk-nm-13029-2

Van een heel ander kaliber is een exemplaar dat voor het eerst in 1774 werd beschreven en afgebeeld door de Leidse arts Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812). Onder de afbeelding staat een gedicht dat hij in 1770 componeerde voor de secretaris van de Heerlijkheid Warmond: Dit Hansje was in Boons geslacht/tweehonderd jaren hoog geacht/de stamtelg nu ruim tien keer zeven/mogt nog den blyden dag beleven/dat hy uit Egâs vrugtbren schoot/een lieven teedren spruit genoot/men dronk vooraf hem/frisch en helder/geluk met Hansken in de kelder’. Het model met gelobde kelk en voet is vanaf het tweede kwart van de zeventiende eeuw in heel veel verschillende Hollandse steden toegepast, als Hansje in de Kelder, maar ook als gewone drinkschaal zonder bol en uitstulping aan de onderkant. Waar en door wie dit voorbeeld is gemaakt weten we niet precies omdat alleen het meesterteken, een drinkschaal in schild, nu nog duidelijk te onderscheiden is. Omdat dit voorwerp al in 1824 wordt beschreven in de eerste uitgebreide catalogus van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, moet het één van de eerste aanwinsten van het Rijksmuseum zijn geweest.

rp-p-ob-84-109

Hansje-in-de-kelder, ca. 1770, ets en boekdruk, 368 × 226 mm, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-84.109.

bk-nm-591

Hansje in de Kelder, Nederland ca. 1600-1650, zilver, deels verguld, 14,5 × 10 cm, Rijksmuseum, aankoop voor 1824, inv. BK-NM-591.

Het feit dat drinkschalen van dit model in relatief grote aantallen en uit verschillende steden bewaard gebleven zijn, doet vermoeden dat ze voor een breder publiek waren bestemd. De voorouders van Boon woonden en werkten tenminste sinds de vroege zeventiende eeuw in Warmond, en waren er schippers en verkopers van bier. Cornelis Boon (1697-1776) was daarnaast secretaris van de Heerlijkheid, en behoorde dus tot de bestuurlijke plattelandselite. De zwangerschap van diens tweede echtgenote Jannetje Nieuwerkerk (1736-1816) was een verrassing. De op 18 november 1770 gedoopte Maartje bleef zijn enige kind.

Samen laten de verschillende verhalen duidelijk zien dat een geschiedenis van de drinkcultuur veel complexer is dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. De toast ‘Hansje in de Kelder’ en daarmee het gebruik om op de gezondheid van het ongeboren kind te drinken, bestaat in verschillende talen en was dus algemeen verspreid. Je kunt dus niet zeggen dat het hier om een specifiek burgerlijk Hollands verschijnsel ging. Wel typisch Nederlands is dat zilveren drinkschalen van dit type zowel in luxueuze als in eenvoudige uitvoeringen bestaan. Vooral daaruit spreekt onverkort de rijkdom van de gewone Hollandse burgerij.