Pork, pork, pork, taart eet je met…

 

SK-A-4646

Stilleven met kalkoenpastei, olieverf op paneel, 75 × 132 cm, gesigneerd en gedateerd Pieter Claesz, 1627, Rijksmuseum Amsterdam, inv. SK-A-4646.

Als de bakkoorts in Nederland weer nieuwe hoogtepunten bereikt, loop je met nieuwe ogen over de zalen van het Rijksmuseum. Ik bleef wat langer hangen bij één van mijn favorieten, een stilleven uit 1627 van de Amsterdamse schilder Pieter Claesz. In het midden van de tafel staat een aangebroken taart, met bovenop een lepel. Het duurt even voordat tot je doordringt dat alle attributen die wij nu gebruiken ontbreken. Geen taartschep, geen vorkjes, maar een mes en een lepel.

SK-A-4646 (2)

Zou dat iets te maken hebben met het soort taart? De eerste Nederlandse boeken over dit onderwerp verschijnen veel later in de zeventiende eeuw, en op het eerste gezicht zou je dus denken dat je daar geen gegevens aan zou kunnen ontlenen. In de Verstandige kok uit 1669 – niet lang geleden opnieuw uitgegeven door Marleen Willebrands – worden reeksen taarten genoemd, waarvan er verschillende in aanmerking zouden kunnen komen. Wand, bodem en deksel zijn opgebouwd uit een gezoet korstdeeg, de vulling bestaat uit in wijn gekookte pruimen, rozijnen en allerlei specerijen. Ook voor de vorm van de taart, en de manier waarop deze is aangesneden zijn parallellen te vinden in de literatuur uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. In de Voorsnijdinghe uit 1664 wordt het een pastey genoemd; op de afbeelding is dezelfde kartelrand te zien, en dezelfde verdeling van het deksel in zes punten. De wanden van de taart werden kennelijk niet aangesneden, maar apart gegeten.

Het kookboek, het boek over de kunst van het voorsnijden en het schilderij zijn alle drie belangrijke ijkpunten, en vertellen in samenhang je echt iets over de Nederlandse kookcultuur. Dat een in 1627 afgebeelde taart pas veertig jaar later voor het eerst in een kookboek verscheen, laat zien dat de zeventiende eeuw ook al klassiekers kende, en dat ontwikkelingen veel minder abrupt verliepen dan wij nu wel eens denken.

BK-15731

lepel, zilver, 17 x 5,7 cm, Hoorn, voor 1663, toegeschreven aan Reynier Bel, Rijksmuseum Amsterdam, inv. BK-15731

Datzelfde verhaal strekt zich ook uit tot de voorwerpen die op de tafel zijn afgebeeld. In het Rijksmuseum is er een lepel die lijkt op het afgebeelde exemplaar, maar minstens twintig jaar later is gemaakt. Omdat de jaarletterreeksen voor Hoorn nog niet helemaal duidelijk zijn, kan hij nog niet precies worden gedateerd. Omdat de Hollandse leeuw ontbreekt, staat vast dat de lepel voor 1663 moet zijn gemaakt. Omdat er andere voorbeelden uit hele land bekend zijn, staat ook vast dat het om een heel gangbaar model moet zijn geweest.  Ze werden zelfs als set uitgevoerd; in de inventaris van het Amsterdamse bankiersechtpaar Guillelmo Bartolotti van den Heuvel (1602-1658) en Jacoba van Erp (1608-1664) wordt in 1664 een set van zes lepels en vorken omschreven, waarvan de stelen met “doorne stockjens” waren versierd.

Advertenties

Een medaillen-kabinet voor Louis XIV

BK-VBR-106

Médaillier, eikenhout bekleed met goud gestempeld rood leer, 15,0 cm × 15,0 × 23,5 cm, Parijs, 1715, Rijksmuseum, Legaat Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878), Arnhem 1878, BK-VBR-106.

Eén van de eerste grote aanwinsten voor de verzameling edele metalen van het Rijksmuseum was het legaat van de Arnhemse oudheidkundige en verzamelaar Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell (1809-1878) in 1878. Zo op het eerste oog leek het heel wat, maar toen de conservator van het Nederlands Museum, David van der Kellen (1827-1895), de koffers en kisten opende, bleek het bij nader inzien nogal tegen te vallen. In zijn bespreking van de Schatkamer uit 1888, waar toen het belangrijkste zilver van het museum stond, noemde hij het kabinet Van den Brakell als afschrikwekkend voorbeeld. Als illustratie had hij de ergste falsificaties bovenop de vitrines gezet, als getuigenis van de listen en strikken die kwaadwillende antiquairs voor naïeve verzamelaars uit hadden gezet.

20170612_113424 (2)

Veel daarvan is in de jaren 1920 verdwenen, toen onder leiding van een nieuwe generatie specialisten grote aantallen voorwerpen werden geruild en verkocht omdat deze volgens hen niet aan museale eisen voldeden. Als de stukken er nog wel zijn, wordt bij nader onderzoek het 19de-eeuwse oordeel soms bevestigd, en blijkt het inderdaad om modern 19de-eeuwse voorwerpen en vervalsingen te gaan. Soms zijn het ook heel bijzondere voorwerpen, waarvan het belang toen niet werd onderkend. Eén is het ‘koffertje met penningen van alle Franse koningen, modern’, dat kort geleden door het Metropolitan Museum voor een tentoonstelling in Parijs en New York werd aangevraagd.

20170612_113359 (2)

Bovenop het medaillenkabinet is het wapen van Lodewijk de Veertiende aangebracht, achter het neerslaande blad bevinden zich verschillende laden met daarin 65 genummerde penningen. 64 daarvan tonen de portretten en de levensdata van alle Franse koningen, vanaf de vroegst bekende, Pharamond uit 446. Op de keerzijde van de 65ste penning in de médaillier van het Rijksmuseum zijn de belangrijkste momenten uit het leven van Lodewijk de Veertiende, en diens belangrijkste regeringsdaden beschreven. De laatste daarvan is de Paix Genérale, waarmee wordt verwezen naar een vredesverdrag dat onderdeel uitmaakte van een reeks verdragen tussen de Europese mogendheden, opgesteld in Utrecht in 1713. Pas toen Spanje, Portugal en Frankrijk het laatste verdrag in februari 1715 ondertekende, was het overal in Europa Vrede. Volgens de Histoire de France werd de complete set Franse koningen voor het eerst in juli 1715 aan Louis XIV gepresenteerd. Omdat de koning in september van dat jaar overleed, werd de 65ste penning kort daarna vervangen door een exemplaar waarop ook zijn sterfjaar werd vermeld. Op 4 februari 1716 kreeg de samensteller, de goudsmid en muntmeester van Louis XIV Nicolas de Launay (1646-1727), het alleenrecht om de serie in deze nieuwe samenstelling te slaan en aan alle belangstellenden te verkopen.

20170612_113805 (3)

Tussen juli en september 1715 leverde De Launay de serie in deze samenstelling uitsluitend aan het hof, en er werden toen voor de versies in zilver uiterst kostbare medaillen-kabinetten gemaakt, uitgevoerd door het atelier van André-Charles Boulle (1642-1732), zowel versierd met een combinatie van schildpad en koper, als met marquetterie. Ze waren bestemd voor hovelingen als de Prince de Condé, maar ook voor belangrijke ambassadeurs als Sicco van Goslinga (1661-1731), die in juni 1714 maar liefst 271 penningen in goud en zilver van Louis XIV kreeg, ‘in een net kastje’. De veel eenvoudiger behuizing van deze set maakt aannemelijk dat het voor een mindere godheid was bedoeld, al weten we helaas nog niet voor wie. Mogelijk was het een voorvader van de erflater, Francois Gijsbert Staatskin, baron van den Brakell tot den Brakell, maar het is ook heel goed mogelijk dat Van den Brakell het stuk op de antiekmarkt heeft gekocht.

Conde.1-03

Médaillier du prince de Condé, eikenhout belijmd met koper en schildpad, en gemonteerd met verguld brons, 16 x 24 x 20 cm, Paris, 1715, Atelier d’André-Charles Boulle, Bibiliothèque Nationale, inv. Condé.1.

Sound the trumpet!

NG-NM-561

Natuurtrompet, zilver en passement in zijde en zilverdraad, 63,8 x 11,5 cm diam, London, 1-12-1813/30-3-1814, William Troby in opdracht van William Sandbach, in 1814 geschonken aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden door de lijfwacht te paard van Koning Willem I, Rijksmuseum, inv. NG-NM-561.

De afgelopen weken heeft het Rijksmuseum veel aandacht besteed aan de geschiedenis van de muziek, die op een bijzondere manier door de bestaande opstelling verweven is. Vroeger speelde ik trompet, en het zal dan ook niemand verbazen dat ik een warm plekje heb voor de zilveren natuurtrompet waarvan de triomfantelijke klanken door de Waterloo zaal klinken.

Zilveren trompetten klinken niet anders dan dezelfde modellen in koper, en werden dus voor een speciaal doel in dat veel kostbaarder materiaal uitgevoerd. Dit exemplaar is een geschenk van Koningin Wilhelmina van Pruissen aan de lijfwacht te paard van Koning Willem I. Bij de ceremoniële intocht ter gelegenheid van de inhuldiging op 30 maart 1814 in Amsterdam omringde de lijfwacht de koets van de koningin.

RP-P-OB-87.095

Intocht van prins Willem Frederik te Amsterdam, 1813, ets, h 151mm × b 196mm, Rijksmuseum inv. RP-P-OB-87.095.

De lijfwacht te paard bestond uit vrijwilligers onder leiding van Jean Charles graaf van Bylandt (1776-1841). Na de aankomst van de prins op 30 november 1813 in Nederland werd daar nog steeds actief oorlog met de Fransen gevoerd, en de lijfwacht te paard zorgde voor de fysieke veiligheid van de koning zolang dat nodig was. In de zomer van 1814 werd het korps ontbonden. In overleg met de Koning werd vervolgens besloten om het ereteken onder te brengen in één van de voorlopers van het Rijksmuseum, het net opgerichte Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden in Den Haag. Als getuigenis van hun dapperheid en trouw, werden de reden van het geschenk en hun namen voluit op de beker van het instrument gegraveerd.

NG-NM-561 (4)

Volgens de krantenberichten had de koningin het stuk speciaal voor de gelegenheid in Engeland laten maken. Anders dan soms wel wordt gedacht, is de maker van het stuk niet de Londense instrumentmaker William Sandbach.  Waarschijnlijk is het instrument bij hem gekocht, en speelde hij in dit geval de rol van bemiddelaar. De opdracht is tussen 1 december 1813 en 30 maart 1814 uitgevoerd door de Londense zilversmid William Troby, die zich in 1812 net had laten inschrijven bij de Goldsmithshall. Het door Sandbach beschikbaar gestelde model in koper, is door Troby in zilver vertaald. Als bewijs dat het instrument aan materiaal minimaal 925/1000 zilver bevatte, en dat de in Engeland daartoe verschuldigde belasting was betaald, zijn alle onderdelen afzonderlijk door de Goldsmithshall gemerkt. Waarschijnlijk heeft de zilversmid ook de gedreven versiering van de mondrand bedacht en uitgevoerd.

Als één van de eerste aanwinsten van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in zilver, geeft het stuk een bijzonder inzicht in de signatuur van de verzameling die men in het begin van de negentiende eeuw voor ogen had. Bijzondere eigentijdse eretekenen werden ingezet als illustratie van de recente geschiedenis. Omdat het stuk al zo vroeg in de collectie is opgenomen, en dus maar enkele maanden is gebruikt, zijn zowel het instrument als het zilverpassement en de kwasten uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Hoe zo’n pronkstuk klinkt kun je nu voor het eerst sinds 1814 weer horen:  Sound the Trumpet!

20170531_130559

Zilver voor Afrika?

Opnamedatum: 2010-02-19

Koelvat, Den Haag, 1768, door Gregorius van der Toorn, zilver, 28 x 42,1 x 63,9 cm, Rijksmuseum, BK-1974-107

Eén van de grootste en zwaarste zilveren voorwerpen in de verzameling van het Rijksmuseum is een koelvat dat in 1768 ontstond in de werkplaats van de Haagse zilversmid Gregorius van der Toorn.  Koelvaten stonden op een buffet, waren gevuld met ijs en flessen wijn en vormden een belangrijk focuspunt in een Nederlandse eetkamer. Het grote formaat bood de zilversmid de mogelijkheid tot  een grootschalige rococo decoratie, die vooral in de vormgeving van de poten en de grepen tot uiting komt. Volledig vrij is de omlijsting van het bijzonder grote gegraveerde familiewapen op de wand.

Opnamedatum: 2010-02-19

Voor wie het voorwerp is gemaakt, weten we niet zeker. Het negentiende-eeuwse wapen met gesloten kroon op de keerzijde werd in deze vorm gevoerd door een Zuid-Afrikaanse tak van de in oorsprong Groninger familie Hiddingh. Het achttiende-eeuwse familiewapen is nog niet geïdentificeerd, met als gevolg dat we nog niet weten of het voorwerp ook voor een achttiende-eeuwse opdrachtgever in Zuid-Afrika is gemaakt.

Opnamedatum: 2010-02-19

Aan het einde van de achttiende eeuw werd in de provincies Holland, Utrecht en Zeeland een bijzondere belasting geheven op grote voorwerpen van goud en zilver. Eigenaren waren verplicht deze in te leveren bij de verschillende keurkamers om deze om te laten smelten in baren goud en zilver, of konden de tegenwaarde daarvan in gereed geld voldoen. Als teken dat deze bijzondere belasting was betaald, sloegen de keurmeesters een teken op de vrijgekochte zilveren voorwerpen af. Daardoor kan worden vastgesteld in welke regio een voorwerp zich in de achttiende eeuw bevond.

Op in Rotterdam of in Delft gemaakte voorwerpen zijn heel vaak de in die stad gebruikte belastingtekens af geslagen, en daaruit kun je concluderen dat edelsmeden uit deze steden in eerste instantie werkten voor een regionale markt. Aan de andere kant van het spectrum staan de producties uit Den Haag en Amsterdam. Het is opvallend dat op Amsterdams zilver zelden de herkeuren uit 1795 zijn afgeslagen, en ook op Haags zilver komt het teken naar verhouding niet vaak voor. Veel van wat wij nu nog kennen, werd dus niet voor opdrachtgevers in de provincies Holland, Utrecht en Zeeland gemaakt, maar voor degenen in het Noorden, het Oosten en het Zuiden van het land, of voor een veel internationalere klantenkring.

coffeepot, Capetown, ca. 1790, art trade.

Koffiepot, Kaapstad, ca. 1790, toegeschreven aan Daniël Heinrich Schmidt, zilver, h. 19,6 cm, National Cultural History Museum, South Africa.

Omdat herkeuren op het koelvat volledig ontbreken, staat vast dat het zich niet in één van de provincies bevond waar het zilver in 1795 dienden te worden ingeleverd. Daarnaast valt daaruit te concluderen dat het voorwerp niet in de negentiende of twintigste eeuw in Nederland is verhandeld.  Daarom kan worden vermoed dat het al in de achttiende eeuw voor één van de Nederlandse expat-gemeenschappen in Afrika of Azië is gemaakt. Juist de gemeenschap in Kaapstad behoort dan tot de mogelijkheden, omdat bekend is dat opdrachtgevers daar zilver in Nederland bestelden, en omdat de vormentaal van het daar gemaakte zilver voor Nederlandse zilverspecialisten heel herkenbaar is. Als je wilt weten hoe Nederland en Zuid-Afrika zich in de afgelopen eeuwen op andere terreinen tot elkaar verhielden, kun je tot 21 mei terecht in het Rijksmuseum voor de tentoonstelling “Goede Hoop?”

In blijde verwachting

bk-17117

Drinkschaal in de vorm van een schip, het slijpwerk Milaan 1550-1575, de monturen ca. 1600 en ca. 1880, bergkristal, goud en email, 18,7 × 27,1 × 23,9 cm, afkomstig uit de schatkamer in Dresden, Rijksmuseum, inv. BK-17117.

Wie vroeger het recht had om als eerste het gezelschap uit te nodigen tot het drinken van een erebeker, wat de toast mocht zijn en uit welke beker er werd gedronken, was in de internationale hofcultuur precies vastgelegd. Vooraf aan de maaltijd die ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel van Oostenrijk tot koning van Bohemen in 1723 in Praag werd gegeven, werd negen keer geproost. De belangrijkste als laatste: na op de gezondheid van de keizer en de keizerin gedronken te hebben, leegden de 144 heren nog één keer het glas op de toekomst. Op Hänsel-im-Keller, het nog ongeboren keizerlijk kind. Voor alle ‘gezondheden’ werd een speciaal daarvoor uit de Weense schatkamer meegebrachte bergkristallen drinkschaal gebruikt, die dus in totaal 1296 keer met de beste Tokay werd gevuld. En toen moesten de heren nog aan tafel…

In de Republiek was drinken op Hansje in de Kelder heel gewoon, zoals blijkt uit één van de gedichten van de secretaris van het Oranje-hof, Constantijn Huygens (1597-1687). In Cluys-werck nam hij afstand van de overvloedige drinkcultuur van zijn tijd, en beschreef hij het drinken op Hansje in de kelder als één van de vele excuses van de dronkenman. Speciale voorwerpen voor speciale gelegenheden noemt Huygens niet, maar uit achttiende-eeuwse woordenboeken en encyclopedieën is bekend dat met een Hansje in de Kelder ook een type zilveren drinkschaal kon worden bedoeld. In het midden van de schaal is een gesloten bol aangebracht waaronder een kindje op een vlotter is verborgen. Als je de schaal vult met wijn, opent de bol zich en komt het kindje te voorschijn. Hoe dat werkt? Kijk maar hier.

bk-nm-13029

Hansje in de Kelder, Groningen 1669-1670, toegeschreven aan Focke Raerda, zilver, deels verguld, h.22,5 cm x diam. 14,4 cm, Rijksmuseum, bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, inv. BK-NM-13029 (KOG-1679).

In het Rijksmuseum zijn er verschillende, waarvan de mooiste omstreeks 1670 in Groningen is gemaakt. Het abstracte, uit kwabmotieven en maskers samengestelde patroon waarmee de voet en de binnenkant van de schaal zijn versierd, behoort tot het voor luxueuze voorwerpen gewone repertoire en ook de combinatie in zilver en verguld was toen modern. ‘Bont zilver’ wordt in verschillende inventarissen als aparte categorie genoemd. Deze versie is ook bijzonder omdat op het klepje een ridder is geplaatst. Hij dient als tegenwicht: het kindje daaronder wordt alleen zichtbaar als je het figuurtje weghaalt. Uit alles blijkt dus dat dit een speciale opdracht is geweest; jammer genoeg weten we nog niet voor wie de kelk is gemaakt omdat de wapens op de voet nog niet zijn geïdentificeerd.

bk-nm-13029-2

Van een heel ander kaliber is een exemplaar dat voor het eerst in 1774 werd beschreven en afgebeeld door de Leidse arts Johannes Le Francq van Berkhey (1729-1812). Onder de afbeelding staat een gedicht dat hij in 1770 componeerde voor de secretaris van de Heerlijkheid Warmond: Dit Hansje was in Boons geslacht/tweehonderd jaren hoog geacht/de stamtelg nu ruim tien keer zeven/mogt nog den blyden dag beleven/dat hy uit Egâs vrugtbren schoot/een lieven teedren spruit genoot/men dronk vooraf hem/frisch en helder/geluk met Hansken in de kelder’. Het model met gelobde kelk en voet is vanaf het tweede kwart van de zeventiende eeuw in heel veel verschillende Hollandse steden toegepast, als Hansje in de Kelder, maar ook als gewone drinkschaal zonder bol en uitstulping aan de onderkant. Waar en door wie dit voorbeeld is gemaakt weten we niet precies omdat alleen het meesterteken, een drinkschaal in schild, nu nog duidelijk te onderscheiden is. Omdat dit voorwerp al in 1824 wordt beschreven in de eerste uitgebreide catalogus van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, moet het één van de eerste aanwinsten van het Rijksmuseum zijn geweest.

rp-p-ob-84-109

Hansje-in-de-kelder, ca. 1770, ets en boekdruk, 368 × 226 mm, Rijksmuseum, inv. RP-P-OB-84.109.

bk-nm-591

Hansje in de Kelder, Nederland ca. 1600-1650, zilver, deels verguld, 14,5 × 10 cm, Rijksmuseum, aankoop voor 1824, inv. BK-NM-591.

Het feit dat drinkschalen van dit model in relatief grote aantallen en uit verschillende steden bewaard gebleven zijn, doet vermoeden dat ze voor een breder publiek waren bestemd. De voorouders van Boon woonden en werkten tenminste sinds de vroege zeventiende eeuw in Warmond, en waren er schippers en verkopers van bier. Cornelis Boon (1697-1776) was daarnaast secretaris van de Heerlijkheid, en behoorde dus tot de bestuurlijke plattelandselite. De zwangerschap van diens tweede echtgenote Jannetje Nieuwerkerk (1736-1816) was een verrassing. De op 18 november 1770 gedoopte Maartje bleef zijn enige kind.

Samen laten de verschillende verhalen duidelijk zien dat een geschiedenis van de drinkcultuur veel complexer is dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. De toast ‘Hansje in de Kelder’ en daarmee het gebruik om op de gezondheid van het ongeboren kind te drinken, bestaat in verschillende talen en was dus algemeen verspreid. Je kunt dus niet zeggen dat het hier om een specifiek burgerlijk Hollands verschijnsel ging. Wel typisch Nederlands is dat zilveren drinkschalen van dit type zowel in luxueuze als in eenvoudige uitvoeringen bestaan. Vooral daaruit spreekt onverkort de rijkdom van de gewone Hollandse burgerij.

Zilver in gebruik

toiletstel-nassau-beverweerd

Elf delen van een toiletstel voor Elisabeth van Nassau Beverweerd, verguld zilver, Den Haag, 1666 en 1678, collectie Gemeentemuseum Den Haag

De vragen wanneer zilveren voorwerpen werden ingezet, en hoe ze werden gebruikt, zijn over het algemeen bij gebrek aan gegevens niet echt te beantwoorden. Inventarissen laten meestal alleen zien welke voorwerpen aanwezig waren. Bewaarde ensembles geven soms een indruk van de omvang, de samenstelling en de uitvoering, maar vertellen je niet wanneer en hoe de voorwerpen werden gebruikt. De nu bekende toilet-stellen zijn meestal voor belangrijke hovelingen als Elisabeth van Nassau Beverweerd (1633- 1718) gemaakt, en soms vang je in brieven een glimp op van het aankleedritueel. Toen was dat een belangrijk onderdeel van het formele hofleven, waarbij soms toeschouwers werden toegelaten.

862

Handen wassende vrouw, olieverf op paneel, 49,2 x 39,6 cm, Amsterdam 1675, gedateerd en gesigneerd Eglon Hendrik van der Neer, collectie Mauritshuis Den Haag.

Schilders spelen graag met de erotische associaties waarmee het ritueel was omgeven. In de door Eglon Hendrik van der Neer geschilderde slaapkamer gebeurt van alles. De kijker wordt vanzelf voyeur: een halfnaakte vrouw springt uit haar bed en weert de toeschouwer af, een volledig geklede dame verspert een man fysiek de toegang tot het domein der vrouwen. Op de voorgrond heeft een vrouw haar toilet net voltooid. Een jonge bediende schenkt warm water over haar handen, en vangt tegelijkertijd het vuile water in een schaal op.

862-2Voor de zilverspecialist levert deze voorstelling interessante informatie op. Zij laat zien dat dit type kannen en schalen een complexe ceremonie markeerde, en dat het voorwerp dus niet een gebruiksvoorwerp zonder meer was. Essentieel is in dit geval dat de kan en schaal de dame worden aangereikt, en dat zij deze dus niet zelf hanteerde. De handeling markeert de afsluiting van het ritueel, waarvan het belang door de inzet van het zilver wordt onderstreept.

bk-1963-62-b

Kan met monogram TESAIVB, zilver, Den Haag 1670, toegeschreven aan Jonas Gutsche, Rijksmuseum BK-1963-62-A

bk-1963-62-a-2

Schaal met monogram TESAIVB, Den Haag 1670, toegeschreven aan Jonas Gutsche, Rijksmuseum BK-1963-62-B

Dansend zilver

bk-1958-23

Kraantjeskan, zilver en ivoor, 45 × 32,7 cm diameter, Amsterdam, 1761, voorheen toegeschreven aan Jacobus Rensing, Rijksmuseum, inv. BK-1958-23

Een van de meest exuberant versierde voorwerpen in het Amsterdamse zilver is deze kraantjeskan. De gladde oppervlakten en de terughoudende versieringen waarmee het Nederlandse zilver gewoonlijk wordt geassocieerd, hebben hier plaats gemaakt voor een voorliefde voor ornament. Grote krullen en asymmetrische schuimkammen verdelen het lichaam van de kan en het deksel in diagonale banen, en zetten het patroon in beweging. De draaiing wordt leesbaar doordat de banen afwisselend mat zijn gemaakt en hoogglanzend zijn gepolijst. De abstracte motieven worden gecombineerd met verschillende soorten bloemen, slingers rozen en margrieten op lichaam en deksel, en clusters telkens verschillende bloemen op de poten, de handvatten en de kranen. Het geheel werkt daardoor als één groot ornament, en danst als het ware op de koffietafel.

bk-1958-23-3

De kraantjeskan is een van de meest uitgesproken voorbeelden van het rococo in Nederland, en laat duidelijk zien wat toen voor ontwerpers en opdrachtgevers het belangrijkste was. Fantasie en variatie waren de sleutelwoorden, vooral in het ornament. In het rococo waren de Parijse zilversmeden toonaangevend, maar voor de Nederlandse zilversmeden vormden zij niet de enige inspiratiebron. Als je het ontwerp vergelijkt met een prent die in de late jaren 1750 in Augsburg verscheen, zijn de parallellen duidelijk, maar net zo belangrijk als de overeenkomsten zijn de verschillen. Waar de motieven door Johann Baur vrij lukraak over het lichaam zijn verdeeld, heeft de Amsterdamse ontwerper ze ingezet om het patroon in banen te verdelen. Ook de voorkeur voor een weelderige plantengroei is in het Augsburgse exemplaar afwezig, en is dus door de Amsterdamse zilversmid zelf bedacht.

bk-1958-23

Kraantjeskan Amsterdam 1761

kraantjeskan

Ontwerp voor een samovar, ca. 1750, door Johann Baur, Augsburg, uitgegeven door Martin Engelbrecht (1684-1756).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zilversmeden waren in staat om zelfstandig ontwerpen te maken, en gebruikten soms prenten als uitgangspunt. Speciaal voor zilversmeden werden in de achttiende eeuw cursussen tekenen en boetseren georganiseerd door de boek- en prenthandelaar Pieter van Rees. Zijn winkel, die hij samen met de erven Hendrik Sligtenhorst dreef, bevond zich in het economisch hart van de stad, direct naast de Amsterdamse beurs. Hij adverteerde regelmatig dat men bij hem kon leren om bloemen, dieren en vogels te tekenen en te boetseren. De modellen werden vervolgens in het atelier van de zilversmeden ingezet.

Wie de kan heeft gemaakt, weten we niet zeker. Sinds kort staat vast dat het niet degene was, aan wie het meesterteken I.R in klaverblad vroeger werd toegeschreven. In 1771 maakte Jacobus Rensing aan het publiek bekend dat hij knopen en ander klein zilver maakte, en omdat je daarvoor andere gereedschappen en vaardigheden nodig hebt dan voor het maken van een kraantjeskan, is onwaarschijnlijk dat Rensing ook de maker was van dit, en van nog veel meer spannend rococo zilver.

Opnamedatum: 2012-09-20

Oesterschotel, zilver, 4,2 × 31,3 cm diameter, Amsterdam, 1770, voorheen toegeschreven aan Jacobus Rensing, Rijksmuseum, inv. BK-1962-43

De nog bewaard gebleven voorwerpen laten zien dat de productie van deze zilversmid verschillende soorten rococo omvatte. Veel eenvoudiger dan de kraantjeskan is een oesterschaal, waarvan alleen de rand met gerekte krullen en af en toe een bloemetje is versierd. De zilversmid beheerste dus een breed scala aan vormtalen, en kon dus aan de behoeften van verschillende soorten opdrachtgevers voldoen. Niet alleen de gewone klant, maar ook de kunstliefhebber kwam bij hem volop aan zijn trekken.

bk-1958-23-2